Heb je er veel van begrepen?

Op 27 september 1991 kreeg Sjoerd Veenstra uit Heerenveen een dagvaarding thuisgestuurd waarin de Groningse officier van justitie hem het volgende meedeelde: “De verdachte wordt telastegelegd dat verdachte op of omstreeks 14 september 1990 en-of op of omstreeks 31 oktober 1990, in de gemeente Groningen, als ingeschrevene voor de dienstplicht (telkens) opzettelijk niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 12 van de Dienstplichtwet op hem rustende verplichting (terwijl de Minister van Defensie zulks nodig achtte) zich toen daar te onderwerpen aan een onderzoek tot het beoordelen van zijn geschiktheid in het algemeen en tot het verkrijgen van gegevens voor zijn nadere bestemming, en daartoe te verschijnen voor de Indelingsraad te Groningen, Hereweg 121, welke plaats en tijd(en) verdachte door of namens het Ministerie van Defensie waren aangewezen, immers toen aldaar (telkens) niet is verschenen.”

De Nobelprijs voor literatuur zal de officier er niet voor krijgen, immers toen aldaar (telkens) allerbedonderdst geschreven. Sjoerd had herhaaldelijk geen gehoor gegeven aan een oproep tot militaire keuring, daar kwam het op neer. Daarom staat hij nu terecht voor de Groningse politierechter, mr. G. Knigge.

Sjoerd is een slungelige, 19-jarige jongen, met een brilletje in een spierwit, mager gezicht en gehuld in een zwart leren jakje, een spijkerbroek en laarsjes. Hij blijft angstvallig naar de grond kijken, ook als hij voor het hekje staat.

“Waarom bent u niet gegaan”, vraagt de rechter hem.

“Ik begreep de politie niet, mijn vader zou meegaan”, mompelt Sjoerd. Zijn woorden rollen als losse erwten over de vloer van de statige rechtszaal. De rechter, de officier en de griffier kijken er verbaasd naar: hoe nu?

De advocaat van Sjoerd, mr. J. Algera, schiet hem te hulp. “Kun je lezen, jongen?” vraagt hij.

“Nee.”

“Kun je schrijven?”

“Nee.”

“Dus als je een brief krijgt...”

“Begrijp ik het niet.”

Nu komt de rechter tussenbeide. Hij bladert in het dossier en zegt: “Maar wat heeft uw vader dan tegen u gezegd?”

“Dat ik erheen moest.”

“Dus u begreep het wèl”, constateert de rechter. “U heeft tegen de politie ook iets anders gezegd, namelijk dat u geen geld had om erheen te gaan. De vraag is of dat een goede reden is om weg te blijven. U hebt bovendien ook niet op het transactievoorstel van de officier gereageerd.”

“Nooit gekregen”, zegt Sjoerd, zonder een zweem van triomf. Het is zonneklaar dat hem niet helemaal duidelijk is wat deze voorname heren van hem willen. Hij lijkt er ook niet aan gewend dat mensen hem ter verantwoording roepen voor zijn daden.

De officier van justitie, mr. W. Frank, geeft voorlopig nog geen krimp. Hij vertelt dat hij een brief heeft gehad van de raadsman met het verzoek de hele zaak in te trekken. Daar voelde hij echter niets voor. “Dit feit is strafbaar”, zegt hij, “en hij is dus ook strafbaar. Er staat een boete op van 150 gulden.”

De advocaat begrijpt dat het nu tijd wordt om ook enkele niet-strafbare feiten op te rakelen. “U heeft deze jongen al even kunnen observeren”, zegt hij, “en ik moet u erop wijzen dat hij op zwakbegaafd niveau functioneert. Ik vind het erg spijtig dat het tot deze strafzaak is gekomen. Deze jongen kun je niets kwalijk nemen. Hij heeft van de hele geschiedenis te weinig begrepen. Hij mag er dan met zijn vader over hebben gesproken, maar die moet ook niet al te hoog worden aangeslagen. Een vriend heeft de jongen ten slotte meegenomen naar de keuring. Daar had men meteen in de gaten dat hij niet geschikt was.”

In eventuele geldboetes ziet de advocaat weinig heil. “Hij woont nu met zijn moeder in een tehuis voor daklozen. Daar moet hij rondkomen van een zakgeld van honderd gulden per maand voor zijn sigaretjes. Ik stel voor hem schuldig te verklaren zonder strafoplegging. Het is zo mooi genoeg geweest.”

De officier lijkt tijdens het pleidooi een ietsje te krimpen achter zijn tafel. “Als de raadsman gelijk heeft, moeten we misschien besluiten tot ontslag van rechtsvervolging”, zegt hij berouwvol tegen de rechter.

“Dat is nog rigoureuzer”, zegt de rechter, enigszins verbouwereerd.

“Ja”, zegt de officier.

De officier is over de brug, nu de rechter nog. Deze wendt zich tot Sjoerd en begint hem voor het eerst te tutoyeren. “Heb je er veel van begrepen, Sjoerd?”

“Nee.”

Knigge gaat onverstoorbaar door, want het recht moet zijn loop hebben. Zijn vriendelijk-correcte, maar o zo afstandelijke rechtersmasker blijft kranig in de plooi. “Het feit is bewezen”, zegt hij, “en de opzet is bewezen. Je moet hebben begrepen dat het voor een keuring bedoeld was. Ik wil niet zo ver gaan dat ik tot ontslag van rechtsvervolging overga. Er moet toch enig gevoel van verantwoordelijkheid bij je zijn, je had initiatief kunnen nemen. Daarom: schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Heb je het begrepen?”

“Niet helemaal.”

“Het is fout geweest wat je gedaan hebt”, zegt de rechter, “maar ik leg geen straf op.”

“Oh...ja”, zegt Sjoerd toonloos.

“Wil je afstand doen van hoger beroep?”

Het moet Sjoerd onderhand duizelen. Zijn hoofd zakt steeds moedelozer tussen zijn schouders. Hoeveel woorden en begrippen heeft hij het afgelopen kwartier wel niet voor het eerst van zijn leven gehoord? Transactievoorstel, verantwoordelijkheid, initiatief, schuldigverklaring zonder strafoplegging, afstand van hoger beroep...

De advocaat redt hem uit zijn nood. “Ja”, zegt Algera, “hij doet afstand.”

Algera verlaat samen met zijn cliënt de zaal. Hij beent naar de advocatenkamer om zich van zijn toga te ontdoen. “Ik had het de officier allemaal geschreven”, zegt hij bedaard, “maar hij reageerde nergens op.”

Sjoerd blijft moederziel alleen achter op een bankje in de grote hal. Hij trekt met zijn mond en plukt aan zijn broekspijpen. Hij is schuldig, en hij heeft voortaan zijn eigen kleine dossier bij de Nederlandse justitie. Wat een geluk dat hij van niets weet.

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd, of weggelaten, uitgezonderd de namen van de rechter, de officier van justitie en de advocaat.