Duitsland als leider

BIJNA DRIE JAAR geleden, het was mei 1989, nodigde president Bush in Mainz de regering-Kohl uit tot een "samenwerkend leiderschap'. Zelfs de Duitse socialisten overwonnen daarna even hun scepticisme tegenover de Verenigde Staten om zich te verwarmen in deze zon van erkenning en belofte van macht.

De "kleine' Bondsrepubliek van weleer was al een economische mogendheid van betekenis die aan de Europese eenwording een monetaire dimensie had weten toe te voegen, maar niemand kon op het moment van de presidentiële invitatie vermoeden dat Duitsland binnen enkele jaren, herenigd en wel, in staat zou zijn een onafhankelijk leiderschap in Europa voor zich op te eisen.

Nu dat het geval is, schrikken Bonns voornaamste partners. Het begon, al in november 1989 door kanselier Kohl aangegeven, met de versnelde opneming van de DDR in de Bondsrepubliek. De Amerikanen vreesden een tijd lang voor al te grote Duitse toegevingsgezindheid tegenover Moskou op het stuk van het Duitse lidmaatschap van de NAVO, maar het was Gorbatsjov zelf die hier de obstakels wegruimde. Bij Fransen en Britten speelden heel andere, historisch bepaalde gevoelens mee: zij toonden zich bezorgd over de nieuwe omvang van de Bondsrepubliek en de verwachte daarmee gepaard gaande Duitse geldingsdrang.

HET VOLGENDE station was de Joegoslavische crisis. Al snel werd duidelijk dat Bonn andere prioriteiten had dan Londen, Parijs en, op enige afstand, Washington. De drie hechtten aan behoud van de Joegoslavische eenheid terwijl de Duitsers, met beduidend meer inzicht in de plaatselijke omstandigheden, de onhoudbaarheid daarvan onmiddellijk hadden ingezien. Dat in de Duitse publieke opinie oude loyaliteiten naar boven kwamen, stimuleerde vooral in Frankrijk traditionele reflexen. Sommige waarnemers werden zelfs opgejaagd door spoken uit 1914.

Tot eind vorig jaar speelde de bondsregering de meegaande partner. De Nederlanders die zich veel hadden voorgesteld van Duitse steun voor hun federale Europese aanpak, bleven in de kou van het niet-begrijpen eenzaam achter. De kanselier bleek een andere agenda te voeren dan de voorzitter in Den Haag. De tijd was gekomen voor een Duits bod dat voor de andere elf onontkoombaar zou zijn: de EG had zo graag een rol willen spelen in Joegoslavië om aan te tonen dat zij tot een gemeenschappelijke buitenlandse politiek in staat was. Bonn toonde nog voor de jaarwisseling aan dat hiervan slechts op Duitse termen sprake kon zijn. De gezamenlijke erkenning van Slovenië en Kroatië - tegen Amerikaanse wensen in - onderstreept dit ten slotte.

Parijs en Londen hadden eerder, in een poging de Duitsers de voet dwars te zetten, de Verenigde Naties ingeschakeld. Gebruikmakend van hun permanente lidmaatschap van de Veiligheidsraad trokken zij zich uit Europa terug in hun rol van grote mogendheid - per definitie symbool van argwaan ten opzichte van de vroegere "vijandstaten' Duitsland en Japan. De VN reageerden conform: afgezant Cyrus Vance wist aldra uit Servische mond te melden dat erkenning van Slovenië en Kroatië het vredesinitiatief zou belemmeren. Het moet een slag in het gezicht van de andere permanente leden van de Raad zijn geweest dat Parijs en Londen zich weer haastig uit de voeten maakten toen Bonn liet merken dat het Europees-communautaire gelag nu maar eens moest worden betaald.

ACHTER DIT SOORT schermutselingen gaat het probleem schuil dat de terugkeer van Duitsland en Japan als grote mogendheden de orde van na de Tweede Wereldoorlog evenzeer verstoort als het verval van de Sovjet-Unie dat heeft gedaan. Die orde was aanvankelijk gebaseerd op een tweedeling van goede staten, de overwinnaars, en slechte, de verliezers. De goede mogendheden verzekerden voor zichzelf het vetorecht en een permanente plaats in de Veiligheidsraad (de pseudo-overwinnaars Frankrijk en China werd deze positie gegund, respectievelijk op Britse en Amerikaanse voorspraak).

De indeling van weleer heeft met de feitelijke verdeling van de macht steeds minder te maken. Maar het is voor de betrokkenen allesbehalve gemakkelijk om zulke nieuwe realiteiten ook in het politieke handelen te verdisconteren. Neem bijvoorbeeld de manier waarop de Sovjet-Unie in de Veiligheidsraad nu is vervangen door Rusland. Dat geschiedde pijlsnel, zonder discussie. Het laatste waar de vijf winnaars van de Tweede Wereldoorlog behoefte aan hadden, was een discussie over de raison van dit vijftal een halve eeuw na de oprichting van de Verenigde Naties. Want zo'n discussie zou weleens kunnen leiden tot vragen als: Waarom Frankrijk en Groot-Brittannië wèl, waarom Duitsland en Japan niet?

Die discussie werd vermeden en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie derhalve als onmiddellijk feit geaccepteerd. Even gold een andere logica als in het geval van Joegoslavië.

ZULKE HANDIGHEDEN zijn weliswaar voor enige tijd handig, maar ze lossen het fundamentele probleem niet op: het politieke gewicht van Duitsland is groter geworden en de meeste landen in Europa weten daar geen raad mee, Duitsland zelf incluis. Het land ligt in het midden van Europa, ziet aan zijn oostgrenzen een groeiende wanorde en een proliferatie van kernwapens en hoort aan zijn westgrenzen het geruis van traditionele kernmogendheden, die zich niet op hun gemak voelen. Het is in dit verband dat de recente uitlatingen van Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie, de moeite van het registreren waard zijn. Delors meent dat indien er straks sprake is van een buitenlandse en defensiepolitiek van de Gemeenschap, Frankrijk zou moeten overwegen zijn kernwapens ter beschikking te stellen van de gezamenlijke Europese veiligheid. Als mogelijke kandidaat voor het Elysée trok Delors met deze voor Fransen provocerende stelling de aandacht.

Het thema is minder vrijblijvend dan het misschien lijkt. Want als Europa de betrokken landen geen collectieve veiligheid verschaft en er komen meer staten met eigen, nationale kernwapens dan heeft een groot land in het midden een probleem dat het slechts kan oplossen door dan ook maar deze vorm van veiligheid aan te schaffen. Niemand wil dat, Duitsland al helemaal niet, maar het kan de consequentie zijn van internationale politiek die slechts met traditionele reflexen reageert op een veranderde wereld.