De eventuele geest

Hoe klein is het verschil tussen normaal en paranormaal? Het ligt voor de hand om te denken dat het groot en zonneklaar is. Het maakt nogal iets uit of je een meneer tegenkomt die vraagt waar de bus naar Haarlem vertrekt, of dat je de geest van een in 1889 gewelddadig aan zijn eind gekomen boerenknecht tegen het lijf loopt. De één zal een grijze regenjas dragen en alstublieft en dankuwel zeggen. De ander zal met een roestige sikkel op ons afstormen onder het uitroepen van negentiende-eeuwse vloeken.

Maar zo gemakkelijk is het verschil niet altijd te bepalen. Niet iedere overledene heeft er belang bij met zijn paranormale toestand te koop te lopen.

Mijn intuïtie dat het verschil tussen een normale en een paranormale ervaring onwaarneembaar klein kan worden, dank ik aan wat ik meemaakte in een herberg in Flagstaff, hoog in de bergen van Noord-Arizona. Moe van een hele dag in de auto bereikten mijn vriendin en ik het langwerpige, blokhut-achtige gebouw. De herbergier die ons verwelkomde bleek een uitgelaten man van tegen de vijftig die zijn sandalen, kleding en haardracht sinds 1970 onveranderd had gelaten. Terwijl we onze naam in het gastenboek schreven likte een hond van onbestemd ras aan de grote teen van zijn baas. Het was een macaber gezicht. Niet alleen omdat de baas het gelik prettig bleek te vinden, maar vooral omdat de teen zo te zien door de jaren heen flink geleden had onder de liefkozingen van het huisdier.

Onze kamer was wat klein, maar dat werd goed gemaakt door de ruimtelijke werking van de heftige geur van vers gekapt hout. We legden onze bagage op het robuuste eiken bed en wilden Flagstaff gaan verkennen. Op de gang troffen we twee Zuidafrikaanse jongedames, die net bezig waren de kamer recht tegenover de onze te betrekken. Samen met een lange blonde landgenoot, die een andere kamer bewoonde, waren ze zojuist terug van een driedaagse wandeltocht door het Havasupai Indianenreservaat dat grenst aan de Grand Canyon. De meisjes waren nogal kortaf, maar hun reisgezel wilde wel kwijt hoe het daar was.

Hij noemde het een paradijs vanwege de schoonheid van het landschap, de indrukwekkende rijkdom van de natuur en de geschiedenis die hij er meende te kunnen proeven. Toch was het driedaagse bezoek hen niet in de koude kleren gaan zitten, ze zagen er afgepeigerd uit.

Mijn vriendin en ik zeiden gedag. We wandelden door Flagstaff, aten, dronken en zagen een bandje. Tegen twaalven keerden we naar het totel terug. Terwijl zij indommelde zat ik in bed nog wat te lezen. Het moet even na middernacht geweest zijn toen er op de deur geklopt werd. Ik verwachtte niemand dus hield ik me stil. Wie de verkeerde kamer te pakken had zou het wel snappen. Opnieuw het geklop.

“Wie is daar!”

Na een korte stilte klonk de timide stem van een volwassen man: “Is Jeanie King daar?”

“Nee, wat moet je?”

“Eh, niks, gewoon een paar dollar.”

“Ga weg, we slapen”, zei mijn vriendin kordaat en dat hielp want het werd stil. Niet veel later viel ik in slaap.

Aan het ontbijt vroeg ik de andere gasten of ze ook waren bezocht door de nachtelijke bedelaar. Een jongen uit Manchester schudde onverschillig het hoofd. Hij had niets gehoord. Twee Japanse meisjes waren pas uren later thuis gekomen en als een blok in slaap gevallen na alle rock 'n roll waaraan ze zich tegoed hadden gedaan. De Zuidafrikanen kijken gedrieën naar hun ontbijtbordje alsof er een sterfgeval te betreuren viel. Hadden zij dan niks gehoord, zij waren toch ook vroeg naar bed gegaan, moe als ze waren van drie dagen wandelen? De dikste van de twee Zuidafrikaanse dames vroeg wat ik dan precies gehoord had. Ik deed moeite de woordenwisseling aan de deur woordelijk te herhalen. De stemming bij de drie daalde zo mogelijk nog verder.

“Ja, we hebben precies hetzelfde gehoord”, zei ze, “en ik ben nog op de gang gaan kijken, wie het was. Ik ben zelfs buiten geweest.”

Maar waarom, wilde ik weten. “Omdat zij Jeanie King heet”, was het antwoord. Ik begreep niet wat het probleem was, had Jeanie lastige familieleden in Flagstaff?

“Nee, ik ben hier nog nooit geweest, en ik heb niemand in heel Arizona mijn achternaam verteld of gegeven. Hij kon mijn naam niet weten! We staan hier onder zijn naam ingeschreven”, en ze wees op haar krijtwit weggetrokken reisgenoot.

Kenden ze die man aan de deur nu wel of niet? Toen vertelde de dikke van de drie dagen in het Havasupai-reservaat. Het verblijf daar was minder paradijselijk geweest dan ze ons hadden verteld. Jeanie was een Indiaanse begraafplaats gaan fotograferen en hoorde maar steeds stemmen die haar bevolen terug te gaan. Alledrie hadden ze die dag dezelfde waarschuwingen gehoord, alledrie hadden ze vreemde dingen gezien. Drie nachten hadden ze geen oog dicht gedaan door de spoken, die handen door hun haar lieten glijden, en hen trakteerden op gruwelijke visioenen. Vooral de jongen had zulke angstaanjagende dingen gezien, dat hij er niet over wilde praten. De Zuidafrikaan zat moedeloos naar zijn schoenen te staren. Hij was vannacht wakker geworden omdat iemand in zijn rugzak zat te rommelen. Toen hij ging kijken lag alles overhoop, maar er was niemand te zien. De deur van zijn kamer was op slot.

De herbergier bemoeide zich er ook mee. Het Havasupai-reservaat was berucht om zijn spookverhalen, en het fotograferen van Indiaanse begraafplaatsen was overal af te raden. Dus ik had een heus spook aan mijn deur gehad vannacht? De Zuidafrikanen dachten van wel, hoewel ze voor hun bezoek aan Havasupai niet aan het bestaan van geesten hadden geloofd. Nu zat de schrik er goed in. Jeanie King stond het huilen nader dan het lachen.

“Wat zag je toen je vannacht de gang op ging?” vroeg ik haar vriendin.

“Niets, en ook op de binnenplaats en op straat was niemand.”

Mijn scepsis werd nu dan voor het eerst op de proef gesteld. Ik had zelf het geklop gehoord en een paar zinnen uitgewisseld met iemand die in rook was opgegaan en iets wist, wat hij menselijkerwijs niet weten kon. De Zuidafrikanen hadden alle eetlust verloren en verlieten de ontbijtzaal. Op weg naar hun kamer piepte Jeanie tegen haar vriendin: “Ik ben zo bang! Ze zitten achter me aan!”

De rest van die dag bleef ik erover piekeren. Stel nou dat geesten bestonden, hoe onwaarschijnlijk ik dat ook vond, en stel nou dat ik er eentje aan de deur had gehad, wat was er dan gebeurd als ik de deur had geopend? Had ik de bezoeker van gene zijde als zodanig herkend, of had ik dan nog steeds kunnen denken van doen te hebben met een bedelaar van vlees en bloed?

Mijn vriendin beweerde dat het afhing van mijn hoeveelheid paranormaal talent. Wie daar veel van bezat werd door rillingen en andere signalen attent gemaakt op de aanwezigheid van bovennatuurlijke wezens. Aangezien ik destijds geen seconde had gedacht aan geesten, laat staan aan Indiaanse, moest ik aannemen dat ik nauwelijks begaafd was.

Het gedrag van de dode Havasupai-krijger was vreemd. Om te beginnen had hij wel het hotel, maar niet de juiste kamer kunnen vinden. Zelf was de geest dus ook niet erg begaafd. De beruchte gewelddadigheid van gekrenkte Indiaanse geesten was ook ver te zoeken geweest. Hij had keurig aangeklopt en beleefd geïnformeerd of degene die hij zocht aanwezig was. En dan de kwestie van geld. De vrees van de Zuidafrikanen dat de geest verbolgen was over de foto's die Jeanie King van zijn familiegraven had gemaakt, kon op een misverstand berusten. Misschien wilde hij werkelijk geld, en was ook voor overleden Indianen het toerisme een onmisbare bron van inkomsten.

De eventuele geest leek me iemand met wie wel te praten viel en ik nam me voor die avond om middernacht klaar te zitten met een vragenlijst voor het geval de bezoeker weer aanklopte. Niet alleen om hem te vragen of hij een normaal of een paranormaal wezen was, maar ook om wat meer te weten te komen van Gene Zijde. Je wist maar nooit hoe dat nog van pas kon komen. De vragen varieerden van de hamvraag (bent u een geest?) tot meer praktische vragen (hebt u voedsel nodig en zo ja wat? Bent u boos? Doen geesten aan sex? Vervelen geesten zich? Kunt u nu door de deur heen kijken?) Als de geest vriendelijk en beleefd bleef, vond ik dat we de deur moesten opendoen om een close encounter tot stand te brengen. Mijn vriendin was tegen: “Die deur blijft dicht!”

Het werd half één. Het enige wat we hoorden was het elektronische gejodel en geknerp van de Pac Man machine op de gang. Tegen enen vielen we om van de slaap. Aan het ontbijt hoorden we dat de Zuidafrikanen de dag ervoor halsoverkop met de trein naar Denver Colorado waren vertrokken.