Bomaanslagen IRA leggen het centrum van Belfast lam

LONDEN, 7 JAN. Twee opeenvolgende bomaanslagen in het hart van Belfast, de hoofdstad van de Britse provincie Noord-Ierland, hebben het centrum van die stad vrijwel lam gelegd. De aanslagen zijn het werk van de IRA, die er gisteren in slaagde het handelscentrum en de belangrijkste winkelstraten van Belfast te ontwrichten.

Het door Unionisten gedomineerde stadsbestuur van Belfast eist van de Britse regering dat ze onmiddellijk maatregelen neemt om burgers en zakenlieden te beschermen. Het krijgt algemene bijval van vooraanstaande inwoners van Noord-Ierland wanneer het stelt dat de veiligheidstroepen er niet in slagen hun werk goed te doen. Het Northern Ireland Office, de tak van de Britse regering die vanuit Stormont Castle buiten Belfast het bestuur over de provincie uitoefent, heeft voor de zoveelste maal beloofd dat ze zich over verbetering van de beschermingsmaatregelen zal buigen.

De twee bommen, die gisteren kort na elkaar afgingen, met slechts 20 tot 30 minuten waarschuwingstijd, richtten voor miljoenen ponden schade aan. Ze zijn de laatste in een serie aanslagen die in de aanloop tot Kerst de door recessie getroffen middenstand verder dupeerden, omdat het winkelend publiek op de koopavonden massaal wegbleef.

De uiterlijke tekenen van Belfasts economische opbloei in de tweede helft van de jaren tachtig - nieuwe hotels, een nieuw overdekt winkelcentrum, een gerestaureerd operagebouw-theater - werden in de weken voor Kerstmis het eerste doelwit van de IRA. Een woordvoerdster van het CBI, de werkgeversorganisatie in Belfast, zei vanmorgen dat ondernemers in Belfast door de jaren geleerd hebben te incasseren. Maar uit een nog te publiceren onderzoek onder zakenmensen zou volgens haar blijken dat hun zelfvertrouwen begint af te nemen.

De schatting is dat de schade aan civiele projecten over het afgelopen jaar zestig miljoen pond zal bedragen. Eind december moest het Northern Ireland Office aankondigen dat het tot eind maart 1992 geen nieuwe financiële verplichtingen kon aangaan, onder andere omdat het vorig jaar een record bedrag aan compensatie voor terreurschade had moeten uitkeren. Ook die bevriezing van uitgaven doet volgens het CBI zijn effect voelen.

Met zijn campagne tegen economische doelen in Belfast bereikt de IRA echter een nog belangrijker, onzichtbaar effect. De aanslagen maken zakenmensen benauwder voor mogelijke IRA-acties tegen hun bedrijf, hun werknemers of henzelf. Dat creëert voor zowel IRA als loyalistische terreurorganisaties een klimaat waarin afpersing en bedreiging van bedrijven gemakkelijker worden. Volgens een schatting in de Financial Times van vandaag heeft de IRA zes miljoen pond per jaar nodig om te kunnen opereren. Daarvan zou 1,3 miljoen afkomstig zijn uit "beschermingsgeld' en andere vormen van afpersing. Andere bronnen van inkomsten zijn vooral de befaamde zwarte taxi's, de gezelligheidsverenigingen die "drinking clubs' heten en belastingontduiking.

Bedrijven zijn uiterst terughoudend in het verstrekken van gegevens over hun bescherming tegen afpersingspraktijken. De vliegtuigfabriek Shorts Brothers, een paar jaar geleden nog een mogelijke partner voor het Nederlandse Fokker, heeft naar eigen zeggen in de afgelopen twee jaar tien miljoen pond aan beveiliging uitgegeven en is desondanks herhaaldelijk door de IRA aangevallen. Kleinere bedrijven kunnen zich dergelijke uitgaven niet permitteren en betalen daarom mogelijk liever aan “de collecte voor zieke vrienden” of “de inzameling voor een goed doel”, die hen onder dwang wordt aanbevolen.

Vooral de IRA maakt er een gewoonte van om bedrijven die aan de Britse overheid leveren, te dwingen daarmee op te houden. Soms wordt de eigenaar of een werknemer doodgeschoten, al dan niet bij “vergissing”, en dan lekt de bedreiging uit. Slachtoffers van dit soort terreur zijn vooral te vinden onder bouwbedrijven, die hetzij werken aan kazernes of politiebureaus, hetzij nieuwe woonwijken bouwen waarin de armsten van Belfast opnieuw gehuisvest zullen worden.