Asielrecht (1)

In het artikel "Een onfatsoenlijke staatssecretaris' (NRC Handelsblad, 2 januari) van J.D. van der Meulen - blijkens het onderschrift hoofddocent strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam - wordt staatssecretaris Kosto verweten de hier te lande gebruikelijke normen van zorgvuldigheid en fatsoen (ver) overschreden te hebben.

De staatssecretaris wordt verweten niet fair te zijn, zijn “onbekookte aanval op kerkelijke hulpverleners... berust op een volledig verkeerde voorstelling van zaken”. Ook het CDA-Kamerlid Kraijenbrink schijnt volgens Van der Meulen niet door kennis van zaken gehinderd te worden indien hij spreekt van een niet waar te maken pretentie van een vrijplaats. Op basis van artikel 123 Wetboek van Strafvordering wordt een schijnbaar juridisch sluitend betoog gehouden.

Inderdaad, naar het schijnt, want kennelijk is bij het citeren van het desbetreffende wetsartikel een stukje weggevallen. Artikel 123 Wetboek van Strafrecht luidt, voor zover relevant, als volgt: In gevallen waarin krachtens dit wetboek, het betreden van plaatsen is toegelaten, geschiedt dit, buiten het geval van ontdekking op heterdaad, niet... 2: in lokalen voor de godsdienst bestemd, gedurende de godsdienstuitoefening (curs. RP). Daar waar personen uiteindelijk, na rechterlijke toetsing, zonder geldige verblijfstitel in ons land verblijven, bevinden zij zich hier in strijd met de wet.

De stelling dat de in artikel 123 genoemde heterdaad zich dan continu voordoet, is zeer wel te verdedigen. Nu zal het wel niet zo zijn dat Van der Meulen, wat hij de staatssecretaris overigens wel verwijt, dat allemaal wel weet, doch bewust anders voorstelt. Echter, wie (mede) uit een bepaalde professionele achtergrond de lezer wil voorlichten, doet er goed aan dit correct, althans voldoende genuanceerd te doen.