Al bij leven een monument

Van wie onzer tijdgenoten zal, vijftig jaar na zijn dood, de correspondentie met evenveel belangstelling gelezen worden als de correspondentie van de grote historicus Huizinga (1872-1945), waarvan het derde deel zo juist verschenen is en door Karel van het Reve besproken in het CS van 3 januari?

Het antwoord op deze vraag luidt: van niemand, en wel alleen al daarom dat er tegenwoordig veel minder gecorrespondeerd wordt dan in Huizinga's tijd, toen de telefoon weliswaar al bestond, maar de mensen elkaar toch liever brieven of briefkaarten schreven, zelfs wanneer ze in dezelfde plaats woonden (er waren toen drie postbestellingen per dag, en iemand die 's ochtends in Amsterdam een brief naar Bussum postte, kon dezelfde avond nog antwoord krijgen).

Een gevolg is dat, ondanks - of als gevolg van - de nog steeds voortdurende perfectionering van de communicatiemiddelen, het nageslacht veel minder zal weten van de Huizinga van onze tijd (als die er mocht zijn) dan wij, dank zij zijn nagelaten correspondentie, nu van hem weten - ook al zijn er veel minder brieven van hem dan aan hem overgebleven.

Dat laatste is jammer, want hoe graag zouden we Huizinga's antwoord weten op interessante of prikkelende opmerkingen die anderen in hun brieven maakten! Zijn vriend André Jolles bijvoorbeeld (die in 1933 met hem brak) heeft hem vele en uitvoerige brieven geschreven, vol met ideeën, die alle gepubliceerd zijn; maar Huizinga's antwoorden zijn verloren gegaan. (Zijn antwoorden op de polemiek die zijn neef Menno ter Braak met hem voerde, gelukkig niet.)

In het derde deel van zijn correspondentie, dat de jaren 1934 tot 1945 beslaat, stort de Duitse historicus Johannes Haller (1865-1947) meermalen zijn hart tegenover Huizinga uit: het nationalisme is “het gevolg daarvan dat de staat een zaak van de massa's wordt. Een bovenlaag kan internationaal en "weltbürgerlich' zijn, de massa moet nationaal zijn, omdat zij slechts de eigen taal kent. Daarom voerde de "vrijheid' van 1789 tot het nationalisme, daar zij de massa's slechts door het woord kon bereiken.”

En: “Het schijnt mij steeds meer toe dat met de invoering van vrijheid en gelijkheid, die immers neerkwam op de vernietiging van de organische bouw van de samenleving, de zelfvernietiging van de staten is begonnen. In de 18de eeuw, in de tijd van de veelgesmade kabinetspolitiek en raison d'état, zou noch de wereldoorlog noch de vrede van Versailles mogelijk zijn geweest. Zo'n zelfmoord zouden de staatslieden van toen niet begaan hebben. Nu de "openbare mening' meepraat, is iedere waanzin mogelijk”.

Wat zou Huizinga daarvan gezegd hebben? We weten het niet. Maar we kunnen het wel vermoeden. Huizinga moest niet veel van de massa's hebben: “De ernst der massa's wordt tegenwoordig in toenemende mate besteed aan dingen die een onvooringenomen cultuurwetenschap slechts als lagere spelvormen zou kunnen kwalificeren”. En: “Wanneer men de massa uitnodigt zich te groeperen naar ideeën en inzichten, dan is het resultaat dat zij zich groepeert naar belangen, of belangetjes of leusjes” (Nederland's geestesmerk, 1935).

Haller begrijpt dan ook niet dat Huizinga de voorrede van zijn pessimistische In de schaduwen van morgen (1935) eindigt met de woorden: “ik ben een optimist”. Er zijn er meer die dat niet begrepen hebben. Maar de dichter Nijhoff heeft het, volgens Huizinga, wèl begrepen: “Ge zijt”, zo schrijft Nijhoff, “eer een Jesaja dan een Jeremia. Gij ziet de wereld een woestijn worden, maar blijft bij deze ondergang vertrouwen op uitkomst. De sociale zekerheden zijn ingestort, het pessimisme is een luxe geworden en niet langer mogelijk”.

Huizinga's zoon Jacob (Jim), die het boek in het Engels vertaalde, vindt dit een “metafysisch optimisme”. Volgens hem is het “niet helemaal eerlijk om in een boek dat gaat over de ziekten van en het uitzicht voor de civitas terrena, te zeggen dat je een optimist bent, terwijl je daar alleen maar mee bedoelt dat, wat er ook met ons gebeurt, het er eigenlijk niet toe doet en voorbeschikt is door een goddelijke en wijze voorzienigheid. Je kan net zo goed zeggen dat Christus een optimist was”.

Menno ter Braak fulmineert vooral tegen deze passage in het boek: “Ere aan de soldaat in het veld. In de noden en ellenden van het krijgsbedrijf hervindt hij al de waarden van de hoogste askese. Bij hem is de haat uitgeschakeld. In de voortdurende en beheerste bereidheid tot algehele zelfopoffering, in volstrekte gehoorzaamheid aan een niet door hem zelf bepaald doel, volbrengt hij een taak die voor hem zelf de hoogste ontplooiing van zijn ethische functies meebrengt”.

Ter Braaks kritiek brengt Huizinga ertoe die uitspraak in een latere druk te motiveren: “De soldaat, zijn militaire bevelen gehoorzamende, vervult een plicht. Voor de daden verricht aldus verricht treft hèm geen schuld. Hij lijdt oneindig meer dan hij handelt, en ook zijn handelen is voor hem lijden. Hij lijdt voor anderen, onverschillig de aard van het gestelde doel. - Is het teveel gezegd dat iemand die uit plicht, zonder schuld, voor anderen lijdt, zijn hoogste ethische functies vervult”?

Hoeveel (oud-)frontsoldaten zullen zich hierin herkennen? Is hier niet weer de ethicus of zelfs estheticus aan het woord, die wel heel ver van het vuile bedrijf af staat? Metafysisch heeft Huizinga misschien gelijk, maar wat hebben we daaraan? Ik geloof niet dat een serieus iemand zo nu zou schrijven. (Let wel: soldaten, voor welk doel dan ook gesneuveld, worden wèl nog geëerd, maar minder hoogdravend.) Wat dat betreft, is Huizinga wel gedateerd. (De vele cursiveringen in de geciteerde passage doen overigens vermoeden dat hijzelf ook niet zo zeker was van zijn zaak.)

Misschien schreef hij ook zo omdat hij toen al een monument was en vond dat hij, als monument, zo moest schrijven. Zijn hele taal - niet zozeer in zijn brieven, die heel huiselijk konden zijn, als wel in zijn boeken - heeft iets monumentaals. Heel anders dan de levendige, soepele, bijna parlando taal van zijn jongere collega Geyl. Huizinga spreekt dan ook van “uw elastische trant”. Ik hoop dat dit als compliment is bedoeld.

Over gedateerdheid gesproken: omstreeks 1942 schrijft Huizinga aan zijn vrouw dat hij erover denkt zijn Leidse collega Van Eysinga, die hij op z'n minst sinds 1914 kent en aan wiens bemoeiingen hij waarschijnlijk zijn vrijlating uit het gijzelaarskamp St. Michielsgestel te danken heeft, voor te stellen hem voortaan "Willem' te noemen. Er is alles voor te zeggen de graden van intimiteit ook in de aanspreekvormen te doen uitkomen - en dus weinig voor de voornamendevaluatie van tegenwoordig, die een vertrouwdheid suggereren die er meestal helemaal niet is - maar dit gaat wel heel ver.