SCHAATSEN ALS HET DONKER WORDT

Hij is de nuchterheid zelve, een Einzelgänger en een noeste werker. De marathonrijder Robert Vunderink (30 jaar) uit Raalte doet over ruim een maand op de schaatsbaan in het Franse Albertville een gooi naar een Olympische medaille. Op de 10.000 meter en, wanneer hij alsnog wordt aangewezen, ook op de vijf kilometer.

Robert Vunderink heeft voor boekhouder geleerd, maar hij is fietsenmaker geworden. Met een compagnon drijft hij een zaak in Zwolle. Zestig uur arbeid in de week is voor hem geen uitzondering. Hij doet zijn werk vooral staand. En daar moet hij 's avonds voor boeten als hij naar de ijsbaan in Deventer gaat. Hij traint bijna altijd met zere benen.

Het leven van Vunderink, bij de nationale afstandskampioenschappen in Heerenveen derde en tweede op de vijf en tien kilometer, zal in de laatste maand voor "Albertville' nauwelijks veranderen. Na een warme maaltijd als ontbijt is hij dagelijks in zijn winkel (“in twee uur zet ik een rijwiel in elkaar, zonder een onderdeel over te houden”) en schaatst hij pas wanneer het al donker is. Als hij had gewild, had Vunderink deze week met de kernploeg van bondscoach Ab Krook meegekund naar Davos. “Daar voelde ik niets voor”, zei hij zaterdag in de Thialfhal, “want zo'n trainingskamp verstoort mijn ritme. Ik ben nu eenmaal gewend 's avonds te sporten. Wat moet ik dan overdag daar in Zwitserland? Rondkijken en slenteren? De hele dag koffie drinken in de zon gaat vervelen.”

"Albertville' wordt niet het Olympische debuut voor Vunderink. Acht jaar geleden was hij al aanwezig bij de Winterspelen van Sarajevo. Het werd een fiasco: Hij werd zeventiende op de tien kilometer en veertiende op de halve afstand. Vunderink was toen naar zijn zeggen “kapot geselecteerd”. Vooraf had hij de 10.000 meter vier keer moeten rijden om van de bobo's het Olympische ticket los te krijgen. Fysiek en mentaal was hij gesloopt. “Een tien kilometer is te vergelijken met een atletiekmarathon. Je kunt er niet te veel rijden. Ik was eigenlijk al blij dat ik op die winderige baan in Joegoslavië niet door het ijs zakte.”

Vunderink wil fit vertrekken naar de Winterspelen. Daarom piekert hij er niet over eventueel na het EK in Davos nog een selectiewedstrijd te rijden om zijn Olympische deelneming op de vijf kilometer af te dwingen. “Als ze willen dat ik daar op 1 of 2 februari nog een 5000 meter rijd, dan laat ik die afstand in Albertville liever lopen.”

In Sarajevo, in 1984, was de kernploegrijder Vunderink bovendien te zwaar. Van de toenmalige bondscoach Henk Boer kreeg hij daarom prompt het verwijt dat hij te weinig had getraind. Vunderink nu: “Belachelijk. Achteraf bleek dat het aan de voeding lag. Drink ik twee flesjes met koolhydraten dan neemt mijn gewicht al flink toe. Vooral in de bergen moet ik oppassen. Op hoogte vallen de meeste mensen een paar kilo af, ik kom daar juist bij, zeker als ik ga drinken. In Sarajevo zat ik vol vocht, ook door het zout in het eten. Ik ben zoutarme maaltijden gewoon.”

Vunderink gaat voor eremetaal naar Albertville. “Behoor je in Nederland tot de beste twee op de lange afstand, dan ben bij de Spelen een medaillekandidaat. Zo simpel ligt dat.” Vier jaar lang heeft Vunderink naar het Olympische toernooi toegewerkt. Het marathoncircuit - Vunderink komt uit voor de ploeg van sponsor Wehkamp - vormde de basis voor zijn conditie. Jan-Wiebe Last, ex-trainer van de nationale vrouwenselectie, was zijn steun en toeverlaat en wees hem de weg. Via Last kwam hij ook terecht bij de medische specialist Lubbinge.

Last: “Op alles wordt gelet: op zijn gewicht, zijn vetpercentage, zijn bloed.” Maar Lubbinge deed nog meer. Om de vier weken voerde hij met Vunderink testen uit in de Thialfhal. De rijder is daar bijzonder enthousiast over. “Lubbinge voorspelde dat ik afgelopen donderdag op de vijf kilometer van de afstandskampioenschappen op 6.50 zou uitkomen. Het werd 6.51,43, hij zat er dus maar één seconde naast.”

Na Sarajevo (1980) maakt Vunderink in Albertville zijn Olympische come-back. De Winterspelen van Calgary (1988) liep hij mis. Vooral door onervarenheid. “Bij de selectiewedstrijden in Heerenveen had Leo Visser vóór me 13.58 gereden. Dan moet ik ook ontzettend hard kunnen gaan, spookte het door mijn hoofd. Bart Veldkamp was mijn tegenstander. Ik vloog er in het begin veel te hard in. Dat brak me op. Ik had de mogelijkheden van het Heerenveense ijs - ik reed voor het eerst op die overdekte baan - flink overschat. Herbert Dijkstra was later net iets sneller dan ik en mocht wel naar Calgary.”

In dat jaar was Vunderink al geen lid meer van de nationale kernploeg. Tot dat elitecorps behoorde hij van 1977 tot 1985. Het was geen succesperiode. Vunderink vermoedt dat hij op te jeugdige leeftijd (achttien jaar) uit Jong Oranje naar de A-ploeg was overgeheveld. “In die tijd reed Eric Heiden zo hard en werd de leeftijdsgrens verlaagd”, herinnert Vunderink zich nog. Bovendien had hij zeker in die tijd niet genoeg flair. Hij kroop in zijn schulp voor de lefgozertjes onder leiding van Hein Vergeer, Hilbert van der Duim en Piet Kleine. Van public relations had hij nooit gehoord. Of hij won of verloor, het liefste vertrok hij via de achterdeur van de kleedkamer.

Maar dat hij niet slaagde als allrounder was toch vooral het gevolg van zijn tekortkomingen op de kortere afstanden. Hij was op die nummers niet vooruit te branden. “Laatst reed ik in Deventer nog eens een 1500 meter. Ik kwam uit op 2.10. Vreselijk. De openingsronde ging even snel als de andere twee...”

De aanloop naar Albertville bestaat voor Vunderink voornamelijk uit trainingen. En uit het rijden van marathons, “want dat ben ik tegenover mijn sponsor verplicht.” Vunderink denkt dat hij pas enige dagen voor het begin van de Winterspelen richting de Savoie vertrekt. Nee, zijn trouwe raadgever Jan-Wiebe Last gaat vermoedelijk niet mee. “Dat zou hem een aantal vrije dagen kosten. Dat gaat niet. En wie zal dat betalen? Gelukkig is er telefoon. Ik kan hem altijd even opbellen daar thuis in Zwolle.”