Ruzie in Rotterdam

Donderdag 9 januari moet de Rotterdamse wethouder van onderwijs Hallensleben bij minister Ritzen komen. Er zijn knopen door te hakken, en de hardnekkigste knoop is de fusie die de minister tegen heug en meug wil afdwingen tussen twee hogescholen in de Maasstad: de Hogeschool Rotterdam en de zelfstandige Hogeschool voor Economische Studies (HES), de vroegere HEAO. De HES wil liever zelfstandig blijven, maar de minister vindt dat een "ernstig probleem'. Aanstaande donderdag wil Ritzen daarom steun kopen van het Rotterdamse gemeentebestuur dat tot nog toe achter de HES stond.

Ik schrijf "steun kopen', want dat lijkt de eerlijkste uitdrukking. Er staan nog meer punten op de agenda van wethouder Hallensleben en de bewindsman, en wat ligt meer voor de hand dan een ruil waarbij het Rijk een of andere financiële wens van de gemeente inwilligt (een Regionaal Opleidingscentrum? extra geld voor vormingswerk?) en de wethouder zijn behulpzame steun geeft aan de fusie van de grote Hogeschool en de HES, een zaak die de minister al sinds zijn aantreden dwars zit. De wethouder kan dan zijn ambtenaren blij maken met geld voor een van hun gemeentelijke projecten, en worden de HES-docenten en studenten boos, ach die wonen waarschijnlijk voor een groot deel toch buiten Rotterdam. En vanuit Ritzens politieke optiek: krijgt hij de fusie voor elkaar dan levert dat hem prestige op - een schaars goed voor deze bewindsman die in het parlement vaak moet retireren.

De HES ligt naast de Erasmus Universiteit aan de oostgrens van Rotterdam; de Hogeschool Rotterdam bezet een aantal gebouwen verspreid over de stad. De fysieke afstand mag geen groot probleem zijn, maar de verschillende bestuurlijke organisatie is dat wel. Bij de HES is de organisatie te vergelijken met die aan mijn eigen naburige Economische Faculteit: er valt van alles op aan te merken, maar het aantal bestuurslagen is gelukkig klein. Mijn directe chef aan de universiteit, bij voorbeeld, is de decaan van de Economische Faculteit. Boven de decaan staat alleen nog het College van Bestuur van de universiteit. Twee bestuurslagen liggen er dus boven een hoogleraar die voorzitter is van zijn vakgroep. Evenzo voor de docenten aan de HES die een vakgroep leiden.

Bij de Hogeschool Rotterdam (resultaat van fusies tussen de vroegere HTS, Pedagogische Academie, Sociale Academie, enzovoorts) heeft de bestuurlijke taart een paar extra lagen. Daar rapporteert de docent die voorzitter is van een vakgroep aan de studieleider - een full-time bestuurder die al geen tijd meer heeft om les te geven. Boven de studieleider staat de schoolleider. Boven de schoolleider zweeft de sectorleider en nog hoger is het College van Bestuur. Vier lagen boven elkaar, dubbel zoveel als bij de HES of de universiteit.

En konden ze nu maar nijver besturen tot zegen van de studenten die ze zelf nooit hoeven te onderwijzen, al die studieleiders, schoolleiders, sectorleiders en topbestuurders. Helaas, de bestuurlijke taart met de vele lagen is ook in Rotterdam ingezakt. Competentieproblemen leiden tot ruzie, ruzie leidt bij de overheid uiteraard tot ziekteverlof, ziekteverlof leidt tot eervol ontslag met gouden handdruk en het gat wordt gevuld met een kwieke interimmanager die op zoek gaat naar verse leiders. Dit treurspel wordt ingevoerd - in Groningen zelfs wegens wansucces herhaald - bij veel hogescholen die werken volgens het vier-lagenmodel. Daarentegen hebben de kleine hogescholen die zich op één gebied specialiseren - zoals de HES - veel minder last van vechtende bestuurders (redacteur Van Koolwijk in NRC Handelsblad van 31-10-1991).

Vier bestuurslagen boven de vakgroepen in een hogeschool lijkt excessief als de gemiddelde universiteit het af kan met twee. Toch wil de minister doorgaan met het afdwingen van mega-fusies: “Het is van groot belang dat op den duur alle hbo-taken in dergelijke grote hogescholen worden uitgevoerd.” Vaarwel, hoger onderwijs in Zeeland (Vlissingen), in Emmen of 's-Hertogenbosch: de minister wil massaliteit. De hogescholen moeten dan wel, niet vanwege onderwijskundige voordelen, maar onder politieke dwang. In Trouw van 13 november 1991 bevestigde voorzitter Brouwer van de Hogeschool Arnhem dat hij om zuiver politieke redenen wil fuseren met de hogeschool in Nijmegen: “Grotere hogescholen hebben een betere uitgangspositie, met name in de politieke besluitvorming. Als grotere eenheid krijg je meer voor elkaar, zo simpel is het. Ook de financiële voorwaarden zijn beter voor grotere instellingen.” Als wij in Nederland juridisch konden procederen tegen ministers die handelen in strijd met de grondwet, zou dit een belangrijke casus zijn: mag een minister zijn politiek vooroordeel laten overheersen boven het rechtsbeginsel van gelijkheid voor de wet?

In Rotterdam gaat Ritzens hang naar mega-hogescholen zelfs zo ver dat hij de Hogeschool Rotterdam extra geld wil geven om eigen opleidingen te beginnen in de economie en zo de HES het leven moeilijker te maken. Niet omdat er iets mis is met het onderwijs aan de zelfstandige HES - daar heb ik in alle documenten niet één klacht over kunnen vinden - maar omdat deze minister nu eenmaal voorstander is van mega-scholen met viervoudige bestuursstructuur.

De studenten denken er vooralsnog anders over. Volgens de meest recente cijfers steeg het aantal eerstejaars studenten aan de drie hogescholen met het grootste aantal afdelingen (Breda, Enschede en Groningen) slechts half zo snel als elders (elf procent voor de drie grootste tegen tweeëntwintig procent voor alle andere hogescholen over de periode 1987-1991). Massaliteit spreekt de studenten toch niet zo aan, en bestuurlijke rotzooi (Groningen, Enschede) al helemaal niet.

Goed management van een hogeschool is niet eenvoudig: iedere docent is een prima donna, in de klas omringd door jonge mensen met minder kennis en gezag, en dus te gemakkelijk verwend door gebrek aan deskundige tegenspraak (daarom kunnen leraren en dominees zo slecht tegen kritiek en weten ze zich vaak niet te gedragen in vergaderingen waar gegeven en genomen moet worden). Essentieel is daarom regelmatige beoordeling van de docenten door de studenten - dan komt er ten minste nuttige kritiek - met een geldprijs voor de beste docent en correctieve maatregelen voor de zwakke broeders. Dat zou het leven aan de hogeschool wat spannender maken en wonderen doen voor de kwaliteit van het onderwijs. Laat de minister dan bevorderen dat die onderwijs-evaluaties worden gepubliceerd, dan kunnen aankomende studenten weten waar ze naartoe moeten voor het beste onderwijs.

Enquêtes onder werkgevers kunnen ook indiceren welke hogescholen op de arbeidsmarkt de beste reputatie hebben. Allemaal nuttige informatie, zowel voor het management van de hogescholen als voor (aankomende) studenten en docenten. Mocht dan blijken dat de grootste hogescholen geliefd zijn bij studenten en werkgevers, dan heeft de minister een deugdelijk argument voor zijn geliefde fusies. Zonder zulke cijfers is de actie voor mega-hogescholen de privé-campagne van een ideologische minister die zelfs het grondwettelijk principe van gelijke behandeling voor de wet er voor opzij wil zetten.