Richard Schoonhoven verlaat de KRO; Mediabeleid is cultuurbeleid

Richard Schoonhoven heeft per 1 januari zijn functie van mediadirecteur bij de KRO neergelegd. Hij begon in 1963 bij de KRO als chef van de eerste lichting televisiejournalisten en wil in het komende half jaar zijn KRO met NCRV en AVRO tot één geheel samensmeden.

Hij was de eerste omroepdirecteur die zei niet meer te willen samenwerken met tv-producent J. van den Ende toen deze besloot een eigen commerciële zender op te richten. Maar toen de producent het faillissement nabij was nadat zijn station juridisch geen bestaansmogelijkheid bleek te hebben, had de omroep volgens Schoonhoven Van den Ende weer moeten binnenhalen: “We hadden samen Joop van den Ende moeten kopen toen hij in de ellende zat na zijn TV10-debâcle. Maar we waren te voorzichtig, of vonden het "not done'. Nu beconcurreert hij ons met de sterren die bij ons gemaakt zijn”.

Richard Schoonhoven is per 1 januari afgetreden als media-directeur van de KRO, in welke functie hij verantwoordelijk was voor de radio, de televisie en de gidsen. Hij blijft nog tot 1 oktober in dienst “terwille van de continuïteit”. Schoonhoven zal zijn opvolgers Wamelink (directeur radio) en Hulshof (directeur televisie) met raad en daad bijstaan, evenals de vorig jaar tot KRO-voorzitter benoemde oud-minister van landbouw, visserij en natuurbeheer, G. Braks. Een van zijn taken zal de begeleiding zijn van de samenwerking tussen KRO, NCRV en AVRO, die de komende jaren zijn beslag krijgt.

Richard H.G. Schoonhoven, in 1931 te Utrecht geboren, ging in 1962 naar de KRO, nadat hij als verslaggever en correspondent achtereenvolgens bij De Tijd-De Maasbode en De Volkskrant had gewerkt. Zijn vertrek werd hem door zijn toenmalige hoofdredacteur Lücker ernstig kwalijk genomen: “Schoonhoven verlaat het vak, hij gaat naar het variété”. Hij werd chef van de eerste Nederlandse actualiteitenrubriek, Brandpunt, die hij van een oubollig amusant-informatief tv-programma omvormde tot een gedegen journalistieke rubriek naar het voorbeeld van het Britse Panorama. In die pioniersperiode gaf Schoonhoven leiding aan de eerste garde Nederlandse televisieverslaggevers, onder wie Ed van Westerloo, Aad van den Heuvel en Frits van der Poel. Zijn collega's van weleer prijzen vooral het vertrouwen dat hij in zijn reporters stelde: “Hij keek je niet voortdurend op de vingers”. Al snel kreeg Brandpunt er een concurrent bij: Achter Het Nieuws van de VARA, toen onder leiding van Herman Wigbold.

In het eerste jaar van Schoonhovens KRO-loopbaan stond de toenmalige gezagsgetrouwe leiding van die omroep nogal huiverig tegenover de vermeende brutaliteit waarmee Brandpunt-journalisten de autoriteiten benaderden. Voor Schoonhoven was er pas sprake van de geboorte van een serieuze actualiteitenrubriek bij de bekering van prinses Irene tot het katholicisme, een jaar na zijn aantreden. Hij kreeg op de dag dat die bekering bekend werd een memo van de directie met de mededeling: “De KRO zal vanavond geen aandacht besteden aan de geloofsovergang van prinses Irene”. Schoonhoven belde de toenmalige KRO-voorzitter H. van Doorn op en zei dat Brandpunt òf die avond zou openen met het nieuws over Irene òf in het geheel niet zou uitzenden. Na een half uur discussiëren kreeg Schoonhoven zijn zin.

Dat betekende niet dat de conflicten tussen de Brandpunt-chef en het KRO-bestuur van de baan waren. Ed van Westerloo had een reportage gemaakt over geboortebeperking in India, waarin het woord "condoom' was gevallen. Na lang gesoebat tussen Schoonhoven en de KRO-voorzitter, die dat verfoeide woord bij voorkeur helemaal niet in de uitzending wilde, werd een compromis gesloten: de omstreden aflevering zou niet om kwart over acht maar pas om half elf worden uitgezonden. In 1966 maakte Schoonhoven een reis van drie maanden naar de Verenigde Staten, waar hij de invloed van de massamedia bestudeerde. Het was het begin van een liefhebberij die tot een in Hilversum schaars specialisme uitgroeide: de KRO-directeur heeft zijn kennis van politieke, technische en internationale ontwikkelingen op het gebied van de omroep sindsdien steeds uitgebreid en geactualiseerd.

Hij maakte bij de KRO een snelle carrière. In 1969 werd Schoonhoven chef informatieve programma's, in 1973 directeur televisie en in 1983 media-directeur. Van 1981 tot 1983 zat hij bovendien met de functie van programmacommissaris in de Raad van Beheer van de NOS. Schoonhoven heeft zich altijd een voorstander getoond van een "verstandige' uitbreiding van STER-zendtijd en tv-uitzendingen overdag. Hij wilde die zendtijd benutten met programma's voor minderheden en werklozen en dacht aan consumenteninformatie en herhalingen. In 1981, in de hoogtijdagen van de secularisatie, vond hij dat de K van KRO wel degelijk nog betekenis had: “Een van onze grondfuncties is ruimte te geven aan allerlei stromingen binnen de kerk. Een soort podium- en begeleidingsfunctie. Wij zijn er om de crisissituatie binnen de katholiek kerk te signaleren, niet om partij te kiezen”. In een vraaggesprek in 1987 sprak hij echter de vrees uit: “Als er binnen het katholieke volksdeel geen nieuwe vormen van gemeenschappelijkheid ontstaan, dan is de KRO over 25 jaar verdwenen”.

In zijn hoofdartikelen in de KRO-gidsen toonde Schoonhoven zich niet alleen vaak een scherp waarnemer van omroepontwikkelingen, maar soms ook een profeet. Hij pleitte begin jaren tachtig al voor een in het bestel ingepaste commerciële component om de opmars van reclame te reguleren. Daarmee schaarde hij zich als een van de weinigen in Hilversum openlijk achter het rapport dat een commissie onder leiding van H. van Doorn (behalve oud-KRO-voorzitter ook oud-minister van CRM) in opdracht van de VPRO vervaardigde. In 1984 waarschuwde hij al dat het aanbod van zenders het aantal ontvangstmogelijkheden zou overtreffen. In 1985 voorspelde Schoonhoven de komst van 24-uurs nieuws- en muziekprogramma's in de Nederlandse huiskamers. Maar CNN was volgens Schoonhoven “te Amerikaans om in Europa een groot publiek aan te kunnen spreken”.

In een stukje uit 1984 hekelde Richard Schoonhoven de onwaarachtigheid van de televisie, zoals die volgens hem in navolging van de televisie in de VS ook in Nederland in opmars is: “Groot geld en een onverzadigbare behoefte aan elektronisch amusement kunnen het realiteitsgehalte van de televisie steeds verder terugdringen”. Hij doelde daarmee op pseudo-gebeurtenissen als grote sportieve toernooien, die niet eens zouden hebben bestaan zonder de aanwezigheid van televisie. Hij toonde zich ook een tegenstander van programma-onderbrekende reclame en rekende daar ook de STER-blokken in de voetbalpauzes toe. Schoonhoven vergeleek de vrijblijvende commerciële ambities van de omroep Veronica met een flipperkast: daarbij weet je ook nooit tevoren welke lichtjes er aanspringen. Mediabeleid is cultuurbeleid, vindt Schoonhoven, maar het omroepbeleid van minister d'Ancona omschrijft hij als “een combinatie van lippendienst, onvoorspelbaarheid en overschilligheid”.

De scheidende KRO-directeur is altijd geïntrigeerd geweest door het medium televisie, maar hij heeft zich er ook vaak zorgen over gemaakt. Het aantal zenders in Europa is vooral de afgelopen tien jaar vergroot tot een volgens Schoonhoven “maatschappelijk en economisch onaanvaardbaar” niveau. De programmaproduktie daarentegen neemt af en het Amerikaanse produkt op de Europese buizen neemt zienderogen toe. De enorme stijging van de reclame-inkomsten, concludeert Schoonhoven, kwam niet ten goede van de programma's maar van de exploitanten van de stations: “Tel uit je winst, zeiden ze vroeger op de dorpsmarkt”. En dan staan we volgens hem nog maar aan de vooravond van een veel heviger concurrentieslag tussen transnationale zenders om de gunst van de Europese kijker.

Schoonhoven is daarom pleitbezorger van een bundeling van krachten bij de publieke omroep. Hij vindt dat een soort van “gezamenlijkheid”, zoals die er ooit in NOS-verband moest komen, noodzakelijk is in Hilversum. Hij deelt de visie van McKinsey, dat acht elkaar beconcurrerende omroepen, één NOS en talrijke kleine zendgemachtigden te versplinterd zijn om samen de concurrentie met de commercie aan te gaan. Maar de conclusie van het onderzoeksbureau dat één net de kleinste eenheid in Hilversum moet worden, deelt hij niet: “Dan ga je de verdeeldheid institutionaliseren. Bovendien gaan die drie netten elkaar dan beconcurreren, en daar zijn we ook te klein voor. Wil je écht meedoen in Europa, dan zal je op 2 of 3 netten hecht moeten samenwerken. Onze samenwerking met NCRV en AVRO zie ik alleen maar als het begin van een nauwere samenwerking met de anderen”.

De sterkste televisiebedrijven in Europa, betoogt Schoonhoven, zijn de “verticaal georganiseerde” concerns als die van de Italiaanse mediamagnaat Berlusconi: “Ze maken hun eigen programma's, hebben eigen faciliteiten, gezamenlijke verkoopafdelingen en advertentie-aquisitie. Wij hadden in Hilversum ook alles in één holding moeten hebben, in plaats van het NOB te verzelfstandigen. Wil je in Europa blijven meetellen, dan moet alles onder één dak: STER, merchandising, facilitair bedrijf, etcetera. Met de anderhalf miljard die er jaarlijks bij de publieke omroep omgaat, kan je, als je samenwerkt, heel goed internationale co-produkties opzetten. Televisie is in diepste wezen handel in rechten. Pas als je dat in één hand houdt, kan je echt meedoen”.

Hij is ook tegen de door McKinsey bepleitte zenderprofilering. Liever zag de KRO-directeur ten minste twee licht van karakter verschillende publieke tv-netten zoals dat bij de BBC het geval is. De verschillende omroepverenigingen zouden aan die zenders programma's moeten leveren, de zenders zouden ook naar elkaars programma's moeten verwijzen. “De publieke omroep heeft het in Europa moeten ontgelden door een golf van deregulering en privatisering”, zegt Schoonhoven. “De beoogde concurrentie met Amerikaanse producenten is niet van de grond gekomen. De gestegen reclame-inkomsten zijn ook in Nederland niet aan de programma-ontwikkeling ten goede gekomen. Wij hebben gezamenlijk fouten gemaakt in Hilversum: we hebben de verdeeldheid gecultiveerd, Den Haag heeft daar op zijn beurt niks aan gedaan. We hadden eerder goed naar dat plan van de commissie-Van Doorn moeten kijken. En er had een professioneel NOS-bestuur moeten komen, dat werkelijk partij was voor de leiding van een commercieel station.”