Het nieuwe jaar

Nu het nieuwe jaar nog heel jong is denk ik over mijn verleden na. 't Is nog vroeg in de morgen. Het is hier behaaglijk warm. Iedereen slaapt nog, behalve ik, die zo sjiek en luxe, ja bijna deftig over zijn verleden nadenkt. Sommige mensen kunnen dat niet zonder wroeging of zelfhaat. Zonder wrok of verdriet; of spijt; of teleurstelling; of zelfmedelijden; of haat; of onvervuld verlangen; of leugens. (De ergste die er zijn als het over je eigen leven gaat.) Ik wel.

Ik denk lekker met genoegen na over mijn verleden en over wat ik allemaal aan geluk heb gekend, omdat ik hoop en soms zelfs zeker weet dat er steeds weer nieuw geluk bijkomt. Als ik over de verdrietigheden nadenk, ben ik toch eerlijk gezegd blij dat ik er nog zo goed van af ben gekomen, omdat het allemaal, als het aan mij had gelegen, veel en veel erger met de anderen en met mezelf had kunnen aflopen.

Vannacht droomde ik dat ik getrouwd was met de vrouw van mijn leven. Ze was natuurlijk nog heel jong en mooi. Omdat ze uit Frankrijk kwam sprak ze Nederlands met een lief Frans accent. Ze had een rustig en bedaard karakter. Ze had het haar opgestoken à la fin-de-siècle. In haar nek sprongen weerbarstige krulletjes omhoog. Ik hoefde nergens voor te zorgen. (Ik had immers geen talent voor verantwoordelijkheid.) “Blijf jij maar de hele dag met jezelf bezig. Ik zorg er wel voor dat je niet gestoord wordt. Als je iets nodig hebt roep je maar.” Ze was er altijd en ging je op tijd uit de weg als je haar niet nodig had. Zonder dat je het merkte liep de huishouding als een trein. Geldzorgen had ik niet. Nooit kwamen er onbetaalde rekeningen op mijn ontbijtbord. Hoe die met geld kon omgaan. Ze had leuke, knappe vriendinnen. Die ook allemaal even hartelijk en begripvol waren. Interessant en toch niet opdringerig als je dat niet wilde, maar als je het op prijs stelde konden ze heel vertrouwd met je zijn. Alsof ze ook een beetje van jou waren; wat ook zo was eigenlijk, als je er goed over nadacht. We hadden een tweede huis in Frankrijk. Met een gezellige, stoffige Franse boerenkeuken met roetrag boven de open haard en een donkerbruine afgebladderde zoldering, waaraan gerookte hammen hingen. 's Avonds tegen het eten ging ik de kleine wijnkelder in waar een paar vaatjes jonge wijn stonden die zo lekker smaakte bij de droge ham waarvan mijn lieve vrouw boven al zorgvuldige dunne plakken aan het snijden was. In mijn eentje, in gepeins verzonken, dronk ik alvast een hele karaf leeg. Met drie volle ging ik het wenteltrapje op want die mooie vriendinnen waren ook overgekomen; ik hoorde ze al spelen en zingen in de muziekkamer waar een Steinwayvleugel stond die ik van de dorpsonderwijzer, die pas gestorven was, had geërfd en die mij het instrument had nagelaten “omdat ik immers de enige was die in deze streek verstand van muziek had”.

“Auf Flügeln des Gesanges” zongen de dames. Mijn vrouw, onze jongste spruit op de arm, zong de tweede stem. Een en al stemmigheid, harmonie en geluk. Toch werd ik met een schok wakker. Met een schok waarmee je wakker wordt wanneer je droomt dat je in een afgrond wordt getrokken, omdat je voet verward zat tussen de takken van de eikeboom die met donderend geraas naar beneden stortte. Pffff. Ik zat daar niet meer met die aanstellerige types. Ik hoefde niet met ze aan tafel. Dat ventje met die snotneus was mijn kind helemaal niet. De moeder had valse oogjes en ze had het ook achter de ellebogen. Ik lag heerlijk in mijn eigen bed. Ik hoefde me niet te laten verzorgen. Ik kon me net zo vaak laten storen als ik dat zelf wilde. Ik kon als dat moest lekker lang wakker liggen over onbetaalde rekeningen. Me in mijn eigen stamcafé vol laten lopen en hoefde niet in zo'n muf keldertje te zitten om in mijn eentje te gaan zitten slempen. Ik had al prima kinderen en liefde genoeg als ik het een beetje in de gaten hield. En al was ik dan niet meer echt jong, oud was ik verdraaid nog lang niet! Het leven was lekker, echt waar. En dromen bleven lekker echt bedrog. Wat een opluchting.