Groningse polemologen hebben handen vol aan eigen conflicten

De Groningse hoogleraar polemologie Hylke Tromp vindt dat eventueel NAVO-troepen als politie-agenten in de voormalige Sovjet-Unie conflicten moeten oplossen. Een mening waarover hij binnen zijn vakgroep niet heeft overlegd. Bij polemologie in Groningen wordt wegens interne spanningen al sinds 1989 niet meer over de wetenschap van oorlog en vrede gediscussieerd. De polemologen houden zich alleen nog bezig met de vraag wie zijn baan behoudt nu de vakgroep met opheffing wordt bedreigd.

Tegelijk met de beëindiging van de Koude Oorlog is binnen de vakgroep polemologie van de Rijksuniversiteit Groningen een oorlog begonnen die alles heeft lamgelegd. Dat betekent niet dat de zeven wetenschappers van de vakgroep geen onderzoeksonderwerpen voor hun wetenschap van oorlog en vrede meer weten. Vakgroepsvoorzitter prof.dr. H.W. (Hylke) Tromp schrijft zelfs veelvuldig artikelen om bekend te maken wat volgens hem moet worden gedaan om vrede en veiligheid te bereiken. Maar zijn opinies zijn geen gevolg van de wetenschappelijke activiteiten binnen het Groningse instituut dat volgens de oprichter, wijlen de volkenrechtskundige prof.mr. B.V.A. Röhling, in 1962 werd opgezet voor onderzoek en voor voorlichting van het grote publiek over de resultaten van dat werk.

Tromp publiceert zijn soms niet-alledaagse opinies - bijvoorbeeld over eventueel militair ingrijpen met NAVO-troepen in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie - zonder dat hij daarover enige discussie met een andere Groningse polemoloog heeft gevoerd. Want Groningse vredeswetenschappers praten niet meer met elkaar over hun vak. Sinds najaar 1989, kort voordat de Berlijnse muur viel, zijn zij overgegaan tot een permanent conflict met elkaar.

In 1988, tijdens een conferentie over de studie van oorlog en vrede, hebben vredeswetenschappers uit vele landen in Groningen harde zelfkritiek laten horen over hun opstelling in de afgelopen tientallen jaren. Maar bij de Groningse vakgroep polemologie heeft dat niet geleid tot een kritische evaluatie van de eigen opstelling, die bijvoorbeeld de indruk wekte dat eenzijdige vredesinspanningen van het Westen zouden kunnen leiden tot het einde van de Koude Oorlog.

De gesprekken binnen de Groningse vakgroep zijn overigens niet gestaakt als direct gevolg van de veranderde Oost-West verhouding. Al sinds Tromp in 1980 voorzitter werd, zijn er spanningen. Tromp stak zijn kritiek op onderzoekers die na vele jaren nog niet waren gepromoveerd niet onder stoelen of banken. Hij drong er bijvoorbeeld bij wetenschappelijk medewerker B.J.Th. ter Veer op aan zijn salaris waar te maken en een proefschrift af te leveren. Ter Veer gaf zijn niet-wetenschappelijke vredesmissie als voorzitter van het IKV op, maar promoveerde niet.

Sinds najaar 1988 heeft een reeks commissies zich over de toekomst van de vakgroep polemologie gebogen. Nog altijd is er geen definitief besluit genomen, maar vaststaat dat de multidisciplinaire vakgroep - economie, sociologie, kernfysica, vrijwel alles heeft met polemologie van doen - als onderdeel van de juridische faculteit wordt opgeheven. Wanneer dat gebeurt, wie van de medewerkers elders wordt ondergebracht en wie moet verdwijnen, dat is de vraag. Vanaf die tijd houden de Groningse polemologen zich meer bezig met hun eigen toekomst dan met die van hun wetenschap. Tromp: “Voor echte inhoudelijke discussies is binnen dit instituut sinds 1989 nooit tijd geweest, er was geen belangstelling voor”.

De historicus prof.dr. H.B. de Lange, één van de leden van de Groningse vakgroep, somt moeiteloos een reeks zaken uit het verleden op die hij graag nog eens kritisch bekeken zou willen zien. Zoals de neiging van polemologen om hun vak als een levenswijze te beschouwen waarbij ze op bijna pastorale wijze vrede uitdragen. Hij toont twee flinterdunne boekjes: alles wat de bibliotheek van het polemologisch instituut bezit over nationalisme, een oorlogsfactor die door de Groningse vredeswetenschappers volkomen over het hoofd is gezien.

Volgens De Lange vereist de nieuwe wanorde in de wereld nieuwe studies over de mogelijkheden om regionale conflicten te voorkomen. Over de gedachten van politicoloog Tromp over eventuele militaire interventies in Oost-Europa is hij duidelijk: “Zoiets staat haaks op de polemologie, omdat je als je eraan begint de uitkomst ervan niet kunt overzien”. Zo'n verschil van mening leidt onder de Groningse vredeswetenschappers echter niet tot discussie.

Toen het polemologisch instituut officieel op volle toeren draaide, kwam het onderzoek slecht van de grond. Tromp: “Daar waren drie redenen voor. De polemologie was in de jaren zestig nieuw, pionierswerk. Er lagen geen dissertatie-onderwerpen in de la van de hoogleraar, er was geen stabiele methodologie. Niemand wist wat hoofdproblemen en secondaire thema's waren. Bovendien vond Röhling dat er een groot gebrek aan informatie was bij het publiek en dus gingen wij allemaal de boer op om voor te lichten. Dat kon omdat er geen stringente onderzoekseisen werden gesteld. Daarbij kwam ook nog dat het vak multidisciplinair was. Het is moeilijk een kernfysicus met een volkenrechtskundige over hetzelfde probleem te laten praten.”

Wat vindt u van de neiging van polemologen om vrede te verkondigen, om, zoals een collega van u het noemde, "paxzalver' te zijn?

“Wij zijn begin jaren tachtig beschouwd als een denktank van het IKV. Ter Veer liep daarvoor het vuur uit zijn sloffen, maar anderen hebben ook fikse ruzies met het IKV gehad. Dat beeld van denktank van het IKV klopte niet.”

Doet u niet meer aan het presenteren van uw meningen voor een groot publiek dan aan onderzoek?

“Je kunt niet tien jaar in een hoek zitten en dan een boek publiceren met antwoorden op alles. Vraagstellingen veranderen steeds, onze opvattingen ook. Ik vind dat normaal. De meeste Nederlandse hoogleraren kunnen het vergeten om zelf serieus wetenschappelijk onderzoek te doen dat veel tijd kost. Je gaat onder in het vergadercircuit. Je zorgt wel voor goede promovendi. Daarbij leer je en wat je daarover te vertellen hebt zet je weleens in een wetenschappelijk tijdschrift of korter samengevat in een krant.”

Heeft u niet de neiging uw eigen vrede op aarde te verkondigen?

“Iedere wetenschapper die denkt dat hij een goed idee heeft, wil toch verkondigen? Ik ben vroeger veel stelliger met mijn uitspraken geweest dan nu. Ik weet dat alle waarheden in mijn vak een zeer tijdelijk en relatief karakter hebben. Maar je moet die waarheden wel meedelen.”

U schreef in 1974 dat bewapening niets te maken heeft met een potentiële vijand, maar met belangengroepen van onder andere industrieën. U suggereerde daarmee samenzweringen.

“Ik ben zeker niet altijd feilloos geweest. Het militair-industriële complex is een belangengroepering zoals er zoveel zijn. Degenen die daartoe behoren, hebben de dreiging niet uitgevonden, zij hebben het gat in de markt ontdekt. Ik heb in dat samenzweerderige nooit zo geloofd.”

U heeft herhaaldelijk gezegd dat de Sovjet-Unie West-Europa niet onder de voet wilde lopen. Is die mening veranderd sinds in Oostduitse archieven offensieve militaire plannen zijn gevonden?

“Nee, zulke documenten kun je bij de NAVO ook vinden. Je verdedigt je niet op je eigen grondgebied, dat je niet kapot wilt hebben. Zowel de NAVO als het Warschaupact bereidde zich voor op de aanval van de ander, die men ze in zo'n geval het liefst op zijn eigen grondgebied wilden verslaan. Als je aanvalsplannen uit hun context licht, stel je een foute diagnose.”

De polemologie heeft vooral van het Westen het tonen van vredeswil gevraagd en verwachtte dat de Sovjet-Unie vervolgens vanzelf zou volgen.

“Wij dachten dat wij in het Westen het initiatief moesten nemen om uit de doodlopende straat van de bewapening te komen. Het was tenslotte een verbijsterende ervaring dat Gorbatsjov het deed, dat uit zo'n systeem een man tevoorschijn kwam die de boel omdraaide.”

Of heeft de Sovjet-Unie de wapenwedloop niet kunnen bijhouden?

“Vanaf 1947 is in het Westen het recept geweest: wurg ze maar dood, zodat ze zelf in de bewapeningswedloop vastlopen. Het kan zo gegaan zijn, maar het is dubieus.”

Was het niet naïef lange tijd te hopen dat in het Kremlin een reactie zou ontstaan als gevolg van uw vredesgedachten?

“We leden aan het feit dat we ons eigen beeld van politieke besluitvorming op de Sovjet-Unie projecteerden. We dachten dat daar aan de top heren zaten met vreemde ideologische ideeën, maar dat overal een regeringsbureaucratie is die signalen opvangt en interpreteert. We hebben ons totaal verkeken op de cultuur, de karakteristieken van de persoonlijkheden in zo'n autoritair systeem. Er werd niet nagedacht, er was geen creativiteit.”

Maar u werd wel gewaarschuwd, bijvoorbeeld door een dissident als Amalrik.

“Ja, maar die waarschuwingen werden door praktisch iedereen terzijde gelegd. Er zijn altijd wel mensen die gelijk hebben. Als honderd mensen een horoscoop trekken, is er altijd wel één die gelijk heeft. Hoe moet je weten wie je moet geloven?”

Wat zegt u van de kritiek dat vredesonderzoek tot nu toe eenzijdig gefixeerd is geweest op wapens?

“Dat is terecht. We hebben jarenlang niet veel anders gedaan en geroepen dat hier wat te veel en daar wat te weinig was. We zijn andere oorlogsfactoren vergeten.”

Vroeger wilde u dat Nederland uit de NAVO zou stappen als dat bondgenootschap niet volgens uw inzichten veranderde. Nu wilt u dat eventueel NAVO-troepen in opdracht van de Verenigde Naties naar Oost-Europa gaan.

“We kunnen ons niet permitteren dat een krankzinnige kolonel in de voormalige Sovjet-Unie met kernbommen gaat gooien of dat men krijgertje gaat spelen om een kerncentrale. Er kunnen reeksen burgeroorlogen komen. Radio-activiteit stopt niet bij de grenzen. We moeten dus nadenken hoe we een politionele taak kunnen uitvoeren.”

Weet u welke reacties zo'n optreden kan oproepen?

“In heel Oost-Europa heb je mensen met autoritaire persoonlijkheden, die willen weten wie boven en wie onder hen staat. Het enige dat voor hen telt is brute macht. Als de Verenigde Naties geen tanden kunnen laten zien, worden ze weggelachen.”

Als bewoners van een voormalige Sovjet-republiek de NAVO-militairen niet als politieagenten zien, maar als soldaten, dan heb je oorlog.

“Ik heb het niet over oorlog voeren, maar over het voorkomen dat oplaaiende conflicten uit de hand lopen. Als bemiddeling niet lukt, moet je ingrijpen, zelfs als daarom niet wordt gevraagd.”

Is dit de mening van een willekeurige intellectueel in Groningen of is dit het resultaat van een studie?

“De mening die je hebt in dit vak is gebaseerd op wat je allemaal hebt gezien. Iedereen zoekt op de tast. Beleid voer je op basis van onbewezen aannames.”

Maar u bent wetenschapper, geen politicus.

“Over historische problemen kun je een boek schrijven dat door enkele mensen gelezen wordt en dat redelijk irrelevant is. De actuele problemen zijn relevanter, iedereen wil graag weten wat er moet gebeuren. Als je eerst twintig jaar studeert voordat je je mening geeft, kun je de wetenschap afschrijven voor wat betreft de maatschappelijke relevantie. Het betekent wel dat je de geldigheid van veel van mijn opmerkingen moet relativeren.”

Echt inhoudelijke discussies behoren op het instituut reeds lang tot het verleden

Nationalisme telde voor wetenschappers in Groningen niet mee als oorlogsfactor