Een islamitische zuil is onhaalbaar

Kopstukken uit wetenschap en politiek onder wie Lijphart, Zijderveld en Lubbers, pleiten ervoor om moslims ertoe aan te sporen een eigen zuil te creëren via welke hun emancipatie en integratie in de Nederlandse samenleving bereikt kan worden (NRC Handelsblad 10 en 23 december). Het CDA-concept van "emanciperen in eigen kring' wordt in dit verband als voorbeeld gehanteerd. De oprichting van islamitische scholen en de Islamitische Omroepstichting in de tweede helft van de jaren tachtig wordt in deze discussie als de voorhoede van een dergelijke zuil beschouwd.

Socialistisch en liberaal Nederland echter, waaronder de ministers Dales en Pronk en VVD-leider Bolkestein, staan respectievelijk sceptisch en afwijzend tegenover dergelijke initiatieven. In dit debat passeren allerlei argumenten en tegenargumenten de revue zoals onder andere de angst voor het islamitische fundamentalisme. Deze discussie heeft een wrange bijsmaak, omdat ik mij niet aan de indruk kan onttrekken dat de problematiek van verzuiling in Nederland, door de politici over de hoofden van de moslims heen wordt uitgevochten.

Op zich is de oprichting van een islamitische zuil een goede zaak. Belangrijker is echter de vraag naar de haalbaarheid en de effectiviteit ervan. Mijns inziens is het om allerlei redenen niet waarschijnlijk dat een dergelijke zuil tot stand kan komen en dat, als dit toch gebeurt diens effectiviteit zeer beperkt zal blijken te zijn.

De eerste reden hiervoor betreft de mate van bereidheid van moslims zich in te zetten voor en zich te identificeren met een dergelijke zuil. Het is namelijk een misvatting te veronderstellen dat de meerderheid van de moslims belijdend is. De secularisatie en moderniseringsprocessen, die Zijderveld bij de komende generaties moslims sociologisch verwacht, zijn allang aan de gang. Mijn onderzoek uit 1979 laat overduidelijk zien dat zelfs toentertijd, en ook vóór de migratie, meer dan de helft van de Marokkanen in Nederland zich in mindere of meerdere mate niet aan de islamitische voorschriften hield. Er is bovendien geen reden om aan te nemen dat hun "kerkelijkheid', om maar een beeldspraak te gebruiken, de laatste jaren essentieel is toegenomen. Hoe vreemd het ook moge klinken, de islamitische gemeenschap heeft seculieren en twijfelaars naast een minderheid van orthodoxen.

Nederlandse onderzoekers laten zich bij het doen van uitspraken over de kerkelijkheid van moslims vaak ten onrechte leiden door het gegeven dat sommigen, ondanks hun seculiere instelling, de islam toch als een belangrijk onderdeel van hun identiteit blijven beschouwen. Dit heeft veeleer te maken met enerzijds de verwevenheid van de islam als sociaal en economisch systeem met de cultuur in het algemeen en anderzijds met het zich afzetten tegen de gepercipieerde vijandige omgeving.

Dat de identificatie met en de behoefte aan een islamitische zuil in het onderwijs niet zo groot is, bewijst de huidige stand van zaken op de twintig islamitische scholen die sinds 1989 operationeel zijn. Tot nog toe is de deelname aan deze scholen beperkt gebleven tot slechts circa drieënhalf procent van alle Turkse en Marokkaanse kinderen die in Nederland het basisonderwijs volgen. Dit percentage staat in schril contrast met de circa vijfendertig procent en zestig procent deelname van deze kinderen aan respectievelijk het christelijk- confessionele en het openbare onderwijs. Dit geeft duidelijk aan dat bij de meerderheid van de Turkse en Marokkaanse ouders de keuze van een school, voornamelijk wordt bepaald door andere factoren zoals de afstand huis - school en de kwaliteit van het onderwijs.

Een tweede belemmerende factor voor de effectiviteit van een islamitische zuil is de heterogeniteit van de moslimgemeenschap in Nederland. Zijderveld maakt in dit verband melding van de etnische differentiatie en Lijphart beschouwt de nationale tegenstellingen belangrijker dan de levensbeschouwelijke. De intra-etnische religieuze verscheidenheid bij moslims echter blijft in de discussie ten onrechte sterk onderbelicht. De moslimgemeenschap in Nederland is namelijk, behalve op basis van etniciteit, te differentiëren naar religieuze stromingen, rechtsscholen en mystieke ordes (tariq's). De bestaande driehonderd moskeeën en hun koepelorganisaties zijn de maatschappelijke vertaling van deze schakeringen. Zo vindt men in Nederland niet alleen soennieten en sjiieten maar ook zijrichtingen zoals de Ahmadiyyah en de Alevieten. Binnen de soennietische islam hebben wij verder te maken met de vier rechtsscholen, de Malikitische, de Hanafitische, de Sjafitische en de Hanbalitische. Tevens vindt men binnen de hoofdstromen en dwars door de rechtsscholen heen,de zogenaamde mystieke genootschappen en aftakkingen daarvan zoals de Qadiriyya, de Naqshbandiyya, de Suleymanci's, de Darqawiyyah, de Alawiyyah en de Cishtiyya. Daarenboven bestaan er ook religieus-politieke bewegingen zoals de Salafiyya uit Noord-Afrika en de Nurci's en Milli Gorus uit Turkije. Door deze rijke schakering heen loopt bovendien nog de politieke lijn van pro of contra de regimes van de landen van herkomst. Dat deze religieuze, politieke en etnische verdeeldheid belemmerend kan werken voor het nemen van gezamenlijke initiatieven blijkt uit het feit dat moslims, zowel in Nederland als in andere Europese landen, er tot nog toe niet in geslaagd zijn een overkoepelende representatieve raad te vormen.

Een derde probleem bij de effectiviteit van een islamitische zuil is het beperkte religieuze en intellectuele kader. Het beschikbare intellectuele kader is zeer klein en veelal secularistisch ingesteld. Deze groep voelt er weinig voor zich in te zetten voor veranderingen die gebaseerd zijn op een religieuze grondslag. De huidige stand van zaken op de islamitische scholen is ook illustratief in dit verband. Van de leerkrachten heeft maar liefst zeventig procent geen islamitische achtergrond en is van Nederlandse of Surinaamse origine. De angst dat deze scholen een broedplaats zijn voor fundamentalisme mist, gezien deze cijfers, elke realiteitszin.

Het religieuze kader is evenmin effectief, althans in maatschappelijke zin. In de Turkse gemeenschap bijvoorbeeld worden imams veelal voor een beperkte periode uit Turkije betrokken, met alle gevolgen vandien. Zij spreken geen Nederlands en zijn niet op de hoogte van de sociaal-economische problematiek van hun "gemeente' en ook niet van de mogelijkheden die de Nederlandse wetgeving biedt voor religieuze groepen. Daarenboven worden deze imams door het Presidium van religieuze zaken in Ankara benoemd en betaald, waardoor de invloed van de Turkse regering onmiskenbaar aanwezig is. Hetzelfde geldt onverkort voor de invloed van de Marokkaanse overheid op sommige moskeegemeenschappen in Nederland.

Het voorgaande illustreert dat de totstandkoming van een islamitische zuil geen eenvoudige zaak is. Mocht deze toch gerealiseerd worden, dan zal mijns inziens blijken dat een dergelijke zuil een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is voor het bereiken van volledige emancipatie. In het gunstigste geval kan een islamitische zuil eventueel een bijdrage leveren aan de culturele emancipatie van deze groep. Dit kan zich vertalen in het ten volle benutten van de mogelijkheden die de wet biedt voor het beleven van de eigen cultuur en identiteit en in het bevorderen van de interculturele communicatie door het bestaan van een formele structuur voor het voeren van een dialoog met de omringende omgeving.

Het is niet te verwachten dat een dergelijke zuil een substantiële bijdrage kan leveren aan het bestrijden van de voornaamste oorzaken van de sociaal-economische achterstand waarin deze groepen verkeren, zoals discriminatie, de zwakke juridische positie, de hoge werkloosheid. Zij mist daarvoor immers de nodige infrastructuur en het instrumentarium. Slechts een combinatie van een eigen zuil en een overheidsbeleid van positieve actie op allerlei terrein, kunnen een volledige sociaal-economische en culturele emancipatie en integratie van moslims in Nederland bewerkstelligen.