De vrucht van zeventig jaar vrouwenkiesrecht

In het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer zijn, als gevolg van een uitdrukkelijk verzoek van het Presidium, zes zalen naar vrouwen vernoemd. Of dat nu veel is of weinig: er is heel wat veranderd sinds in 1919 in de Kamer werd gesteld dat het vrouwenkiesrecht een smet zou werpen op de eer en gratie der vrouw en bovendien overbodig was omdat het gezinshoofd al voor zijn echtgenote stemde en vrouwen hoe dan ook een grote indirecte invloed uitoefenden op het wereldgebeuren.

Vanaf de septemberdag in 1918 waarop één van de naamgeefsters van vandaag, Suze Groeneweg (1875-1940), als eerste en enige vrouw zitting nam op het pluche der Tweede Kamer, is het aantal vrouwen aldaar gestaag toegenomen. In totaal hebben tussen 1918 en 1987 honderdvijfenveertig vrouwen een Kamerzetel bezet (tegen twaalfhonderdenacht mannen); deze zomer werd het recordaantal van eenenveertig Tweede Kamervrouwen bereikt. In Kamers en Staten is nu ongeveer een kwart van de leden van het vrouwelijk geslacht. Van de grote partijen was de ARP de laatste waarvoor een vrouw Kamerlid werd - en dat mocht toen, in 1963, nog per se geen gehuwde vrouw zijn. Wat regeringsdeelname betreft: Nederland kreeg in 1953 voor het eerst een vrouwelijke staatssecretaris, dr. Anna de Waal, en in 1956 een vrouwelijke minister: dr. Marga Klompé (1912-1986), beiden KVP. Naar Klompé was op initiatief van het "Kamerbreed Vrouwenoverleg' in het oude gebouw al een zaal genoemd; zij krijgt er opnieuw één. Ook Nederlands eerste partij- en fractievoorzitster (zij het in de Eerste Kamer), VVD-lid drs. Haya van Someren-Downer (1926-1980), geeft haar naam aan een zaal.

Toen SDAP'ster Groeneweg het parlementair mannenbolwerk betrad, had ze nog geen actief kiesrecht. Het algemeen kiesrecht dat Nederland in 1917 kreeg breidde het kiesrecht uit van een deel der mannen naar alle; de vrouwen, die allemaal waren uitgesloten, werd dit recht in 1919 verleend, nadat er jarenlang voor was gestreden. In 1915 bijvoorbeeld overhandigde de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht minister-president Cort van der Linden ongeveer honderdvijfenzestigduizend handtekeningen. De strijd voor het vrouwenkiesrecht was begonnen toen Nederlands eerste "dokteres', dr. Aletta Jacobs (1854-1929), in 1883 een proces uitlokte omdat ze niet mocht stemmen hoewel ze aan alle wettelijke vereisten voldeed. Van een bepaling over sekse was in 1883 geen sprake, men moest een zeker inkomen genieten. De Hoge Raad echter gaf Jacobs desalniettemin te verstaan dat zij niet mocht stemmen, omdat “de vrouw niet geacht kon worden in het volle genot van haar burgerschapsrechten te zijn”, immers: “zij derft het recht om kiezer te zijn”. Die vicieuze redenering werd voor alle zekerheid bij de grondwetsherziening van 1887 vervangen door een steviger fundament: de uitsluiting van vrouwen werd toen met zoveel woorden vastgelegd. Jacobs, die nu een zaal krijgt op voordracht van het Kamerbreed Vrouwenoverleg, is als enige der vernoemden zelf nooit Kamerlid geweest; wel heet er een wet naar haar: de korte wet die het schrappen behelst uit de Kieswet van de term "mannelijke' in 'mannelijke ingezetenen des Rijks'.

Het kiesrecht was voor feministen geen doel op zich. Het moest een einde maken aan de rechteloosheid van vrouwen. Met vrouwen erbij konden mannen de wetten niet langer louter met het oog op eigenbelang maken. Vrouwen bleken echter niet massaal op vrouwen te stemmen en ook de diverse feministische partijen die sinds 1918 zijn opgericht, hebben nooit een Kamerzetel opgeleverd. Wel gingen de eerste jaren na het verkrijgen van het kiesrecht verscheidene feministen de Kamer in. En zelfs in de gezapige eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, toen vrij algemeen het idee heerste van de "voltooide emancipatie', zijn er kwesties geweest waarbij vrouwen een gezamenlijke stem lieten horen. In 1955 protesteerden alle vrouwelijke Kamerleden tegen het ontslaan van gehuwde ambtenaressen (de motie-Tendeloo). In 1947 stemden alle vrouwen tegen het wetsontwerp waarbij de ouderlijke macht werd gedeeld, echter met dien verstande dat bij verschil van mening de stem van de vader beslissend bleef. Eén van die toenmalige vier was de Christelijk-Historische freule Wttewaal van Stoetwegen (1901-1986), zesentwintig jaar Kamerlid geweest, die ook met een zaal wordt geëerd.

Het idee dat vrouwen als sekse belangen te behartigen hebben en dat dat een reden kan zijn om op vrouwen te stemmen is weer gaan leven met de tweede feministische golf. Sindsdien kregen vrouwen massaal voorkeurstemmen, ging hun zeteltal met sprongen vooruit en werd (in 1981) het eerdergenoemde Kamerbreed Vrouwenoverleg opgericht.

Behalve vanuit democratische en vrouwenbelangen zijn het vrouwenkiesrecht en het stemmen op vrouwen van oudsher vanuit een derde overweging gepropageerd: de verwachting dat vrouwen op een "andere' wijze politiek zouden bedrijven en een "vrouwelijke' visie op de wereld zouden hebben. Inderdaad denkt, blijkens het proefschrift van politicologe Monique Leijenaar, De geschade heerlijkheid, het vrouwelijk electoraat "linkser' over items als defensie, milieu en sociale zaken. Ook het gedrag der gekozenen vertoont enigszins een gender gap. Meer vrouwen dan mannen in de Tweede Kamer vinden het een prettige taak om compromissen binnen de fractie uit te werken en contacten te onderhouden met Kamerleden van andere partijen, terwijl mannen hoger scoren als het gaat om zelf het woord voeren. Bekend is bovendien wat Leijenaar de "huisvrouw-politicus' noemt: het verschijnsel dat politicae vaak onderwerpen als onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijk werk in hun takenpakket hebben.

Dat vrouwen zeventig jaar na het verkrijgen van het kiesrecht nog steeds kampen met een flinke politieke achterstand komt onder meer doordat er zich in die tijd maar geringe veranderingen hebben voorgedaan in de verdeling van de gezinsverantwoordelijkheid. Het is een van de schokkendste gegevens uit De geschade heerlijkheid dat, voorzover daarover cijfers bekend zijn, in de afgelopen zeventig jaar gemiddeld 92 procent der mannelijke Kamerleden kinderen had tegen 52 procent van de vrouwen, een verhouding die trouwens aan het veranderen is.

Een andere hinderpaal is de vrouwelijke "socialisatie', het feit dat vrouwen minder dan mannen worden opgevoed met de ambitie het ver te brengen in het openbare leven en dat zij in mindere mate het soort eigenschappen meekrijgen dat daarbij helpt. De waarde-clusters "vrouwelijkheid' en "politiek' staan nog steeds op gespannen voet. Die bewering kan echter ook worden omgedraaid. De spanning tussen vrouwelijkheid en politiek wortelt ten minste zozeer in de mannelijke socialisatie. Er is een lange weg gegaan sinds de maidenspeech van Groeneweg het Algemeen Handelsblad deed opmerken dat het haar gehoor op hinderlijke en grove wijze ontbrak aan "geestesreinheid'. Maar nog steeds blijken mannen allergisch voor de combinatie van vrouwelijkheid en assertiviteit die mevrouw Maij-Weggen tot stijlkenmerk heeft gemaakt. De zesde vrouw naar wie vandaag een zaal is genoemd, de betreurde mr. Annelien Kappeyne van de Coppello (1936-1990), voormalig staatssecretaris voor Emancipatiezaken en lid van de Raad van State, deed acht jaar geleden in een indrukwekkende redevoering een boekje open over haar ervaringen op dit vlak. Volgens Kappeyne waren er voor vrouwelijke politici maar twee rollen weggelegd: het leuke jonge ding en de rijpere oudere vrouw. Wie buiten die gebaande paden trad, kon de wind van voren krijgen. Zijzelf kreeg, naar aanleiding van haar bijdrage aan het Kamerdebat over Menten, een ongevraagde diagnose thuisbezorgd: ze leed, schreef een arts, aan "pre-menopauzale agressiviteit'.

In 1917 ontraadde De Savornin Lohman het vrouwenkiesrecht met het oog op de onrust die de aanwezigheid van de tweede sekse zou veroorzaken in het mannelijk gemoed. Het mannelijk gemoed, let wel, dat door zijn heldere ratio zo veel geschikter was voor zo'n hoge roeping dan het troebele denken der andere kunne. De Savornin Lohman kon een dergelijk bezwaar ongegeneerd naar voren brengen - het waren de naar democratie strevende vrouwen die zich moesten verdedigen.

Die rolverdeling is in elk geval omgekeerd. Hoe seksistisch er soms ook nog wordt gereageerd op vrouwen in de politiek: de vrouwelijke aanwezigheid in de Kamer is een maatschappelijk aanvaard beginsel. Vrouwelijke cavaleristen echter wordt, blijkens een bericht in de krant van 16 september 1991 bij de opening der Staten-Generaal nog steeds de eer ontzegd mee te mogen rijden in de escorte van de Gouden Koets.