De OESO

IN VERGELIJKING met andere industrielanden is Nederland zeer ver gegaan in zijn pogingen om een tolerante, zorgzame en ondersteunende samenleving te scheppen door overheidsactie, schrijft de staf van de OESO, de club van 24 rijke landen, over de staat van de Nederlandse economie.

Het jaarlijkse rapport van de OESO, dat op de valreep van 1991 verscheen, stelt op een afstandelijke, ambtelijk verbaasde toon vast dat Nederland de hoogconjunctuur van de late jaren tachtig niet heeft benut om de uit de hand gelopen welvaartsstaat te hervormen. (Wat zou dat een prachtig, helder onderwerp voor een Kamerdebat zijn: kan de minister-president uitleggen waarom hij de jaren tachtig niet heeft benut?)

Nu de economische vooruitzichten als gevolg van de lagere groei in Duitsland, althans voor dit jaar, tegenvallen en Nederland afzakt naar de achterhoede van de industrielanden, keert de wal het schip. Cynisch over het politieke vermogen van Den Haag constateert de OESO dat de onhoudbaarheid van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel het beste aan het licht komt in een tijd van trage groei, bezuinigingen en begrotingsproblemen.

HET STRIJKLICHT op de Nederlandse economie weerkaatst naar het Parijse hoofdkwartier van de OESO een paar tinten grijzer dan naar Den Haag. De sociaal-economische kwalen van Nederland zijn niet anders, maar het internationale perspectief dat de OESO aanbrengt accentueert de Hollandse ziekte. De overdrachtsuitgaven - subsidies, uitkeringen - bedragen dertig procent van de economie, vergeleken met gemiddeld twintig procent in alle industrielanden. Hoge sociale premies, zowel voor werkgevers als werknemers, hebben tot gevolg dat de lonen in Nederland bruto hoger en netto lager zijn dan gemiddeld in de overige rijke landen. De wig tussen wat boven en onder op het loonstrookje staat, bedraagt hier 45 procent en dat is het grootste verschil van alle industrielanden. De Nederlandse uitgaven voor de arbeidsongeschiktheids- en ziektewet bedragen het dubbele van wat gebruikelijk is in de rest van Europa.

De koortscurve van de Nederlandse economie laat zich aflezen uit het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Deze maatstaf voor alle economische betrekkingen met het buitenland loopt al jaren op en zal dit jaar een recordoverschot van 24 miljard gulden vertonen. Het bewijst dat de binnenlandse bestedingen achterblijven: de overheid heeft geen geld om te investeren, het bedrijfsleven investeert in het buitenland en het inkomen uit werk wordt herverdeeld omdat zo langzamerhand bijna iedere Nederlander met een officieel betaalde baan iemand met een uitkering, pensioen, vut-regeling of studiebeurs in de kost heeft.

DE OESO ondersteunt de beleidsveranderingen die het kabinet dit jaar met de Tussenbalans en de herziening van de WAO en Ziektewet heeft aangekondigd, maar vindt deze maatregelen nog lang niet ver genoeg gaan. Een grootscheepse herziening van het sociale zekeringsstelsel en van de 750 subsidieregelingen die Nederland rijk is, is dringend geboden. De besparingen die dit oplevert, moeten gebruikt worden om de belasting- en premiedruk te verlagen. Het is de beste manier om een aarzelende economie te stimuleren, banen te scheppen en de sociaal-economische lenigheid van Nederland te vergroten.