Classicisme herleeft in frenetiek dansstuk van choreografe Voortman

Dans: Feverish Processions door Werkplaatsproduktie. Choreografie: Maria Voortman; muziek: Alfred Schnittke, Jan-Willem van Mook; decor: Roberto de Jonge; lichtontwerp: Ruud Moojen; kostuums: Aafje Voortman. Gezien: 5-1 Lantaren-Venster, Rotterdam. Aldaar: 6-1.

Het Rotterdamse Theater Lantaren-Venster is dit weekeinde met feestelijk vertoon heropend. In april 1991 werd met een ingrijpende renovatie en gedeeltelijke nieuwbouw begonnen naar een ontwerp van Brouwer & Heesen Architecten in Delft. Zowel voor de bezoekers als voor de artiesten en medewerkers is de accommodatie verbeterd.

Via de nieuwe toegang kunnen rolstoelgebruikers op eigen kracht het gebouw en de zalen bereiken. De kleedkamers zijn opgeknapt en van de twee theaterzalen is het speelvlak vergroot. Op de bovenste verdieping, waar de kantoren zijn verbeterd, wordt in een later stadium nog een grote balletstudio ingericht. Het meest opvallend is echter de smaakvolle, intieme foyer gelegen onder de nieuwe "zwevende' cinematheek, die slechts door drie slanke kolommen wordt gedragen.

Lantaren-Venster biedt een podium aan nieuwe ontwikkelingen op theater- en dansgebied. Binnen de programma-opzet krijgt zowel reeds bewezen als beginnend talent een plaats. Daarbij gaat het niet om eenmalige presentaties, maar vooral om het volgen van de artistieke groei bij kunstenaars of gezelschappen. Jonge Rotterdamse choreografen of theatermakers kunnen een zogenaamde werkplaatssubsidie krijgen. Zo kon de choreografe Maria Voortman haar ballet Feverish Processions als werkplaatsproduktie realiseren.

Onder de titel Een dans tot slot presenteerde Voortman een voorstudie van Feverish Processions in het Utrechtse Spring Dance Festival 1991. Het bleek een puur dansstuk, in tegenstelling tot eerdere, multi-disciplinaire produkties als Solo voor Maria en Materia Prima. Deze maakte Voortman echter in nauwe samenwerking met Roberto de Jonge die, net als zij, wordt beïnvloed door de Belgische theatermaker Jan Fabre. De eerste schets van Feverish Processions is nu uitgewerkt tot een avondvullende voorstelling. Hierin lijkt Maria Voortman zich te bevrijden van het epigonendom.

Het eerste deel van Feverish Processions, dat gezet is op de dramatische compositie Im Momoriam van Alfred Schnittke is vrijwel gehandhaafd. Een butler (De Jonge) presenteert een in strak zwart gestoken danseres die, uitdagend en hooghartig naar het publiek kijkend, de felrode spitzen over de wit-zwart geblokte grond sleept. Haar zelfbewust getrippel vindt navolging bij vier andere vrouwen. Een uur lang paraderen de vijf danseressen - Sandra de Jong, Shira Koopman, Catharina Palma, Iris Reyes en Marianne Valkenburg - hoog op de teenpunten in rechte banen van rechts naar links en weer terug, langs de toeschouwers.

Maria Voortman omschrijft haar werk als "modern ballet'. Zij gelooft in de herleving van het classicisme. Wie zal haar, zeker na het zien van William Forsythe's balletten, durven tegenspreken? Voortman ontleent de positie van de armen, de lichaamshouding en de passen aan het klassieke ballet. De voeten en benen worden daarbij echter meestal niet naar buiten gedraaid. Het gebruik van spitzen kiest zij als "een verhelderende beperking'.

Met de butler als manipulator vinden er in dit ballet-idioom territoriumgevechten plaats tussen de danseressen. Alleen de frenetieke grond-exercities - op de speciaal voor deze dans gemaakte compositie De doorwerking van de Rotterdammer Jan-Willem Mook - zijn van een andere bewegingskwaliteit. Blijkbaar put Maria Voortman meer inspiratie uit de hamerende, strak-ritmische geluiden van Van Mook dat uit de meer theatrale muziek van Schnittke.