ZWERENDE, ETTERENDE EN KERMENDE HANDELSWAAR

The Forgotten Trade. Comprising the Log of the "Daniel and Henry' of 1700 and Accounts of the Slave Trade from the Minor Ports of England, 1698-1725 door Nigel Tattersfield (met een voorwoord van John Fowles) 460 blz., Jonathan Cape 1991, f 75,60 ISBN 0 224 02915 0

De geschiedenis van de Europese slavenhandel heeft met die van de Eerste Wereldoorlog een belangrijke karaktertrek gemeen. Het blijft onmogelijk ons te verzoenen met de menselijke natuur die er verantwoordelijk voor was. Wij schamen ons voor het voorgeslacht, niet omdat wij de natuur sindsdien verbeterd hebben, maar juist omdat de vrees bestaat dat wij ons net zo zouden gedragen als de omstandigheden er naar waren. Dezelfde vrees komt op als wij de Duitse kampen van de Tweede Wereldoorlog voor ogen roepen, maar daarvan kunnen wij ons schijnbaar makkelijker vrijpleiten omdat zij het werk waren van een enkele natie. Aan de kust van Guinee en in de loopgraven van Noord-Frankrijk deden alle naties mee, voorzover zij niet louter voor het gemak neutraal waren. Niemand was er te fatsoenlijk voor.

De drie eeuwen van de slavenhandel kunnen onderscheiden worden in de zestiende als aanlooptijd, de zeventiende als ontwikkelingsperiode en de achttiende als bloeitijd. De Portugezen waren er het eerste bij: later kwamen de Engelsen en de Nederlanders, en toen ook Denen en Duitsers en de Fransen. De meest gevolgde route was de Atlantische driehoek: van Europa naar Afrika met koopwaar voor de zwarten, van Afrika naar West-Indië en Amerika met slaven, en dan met suiker naar huis.

Hoe het in het algemeen toeging bij de slavenhandel is vaak beschreven. Wat Nigel Tattersfield, niet een historicus maar een verzamelaar van oude boeken, in zijn boek The Forgotten Trade bijdraagt, is vooral begrip van hoe het was op één slavenschip in het bijzonder. Hij heeft in zijn werk opgenomen het logboek dat door de scheepsofficier Walter Prideaux werd bijgehouden aan boord van de "Daniel and Henry', die in februari 1700 uit Dartmouth in Zuidwest-Engeland vertrok naar Afrika, en in juli 1701 terugkwam uit Jamaica.

De "Daniel en Henry' was een behoorlijke grote vrachtbaarder met 200 ton laadruimte, tien kanonnen en een twintigkoppige bemanning. Prideaux is een zakelijke meer dan een beeldende verslaggever, maar zijn droge aantekeningen gekruid met details van deze reis die Tattersfield uit andere bronnen heeft gehaald, brengen ons dicht bij het ware zeemansleven van 1700.

ZWAAR EN ONZEKER

Wie veronderstelde dat de typische slavenhandelaar een gewetenloze ondernemer was die zich verrijkte ten koste van de Afrikanen, wordt hier in elk geval wijzer. De bemanningen van de schepen kunnen beter beschreven worden als gedachteloos dan gewetenloos, een moeilijk onderscheid dat ons na 1945 ook heeft beziggehouden. Er zat niet meer kwaad bij hen dan bij hun tijdgenoten die thuis bleven in Engeland en Nederland en met andere dingen bezig waren.

Tegen verrijking zouden de slavenhandelaars geen bezwaar hebben, maar het kwam er vaak niet van. De slavenhandel was zwaar en onzeker werk. De inkoop in Afrika kon moeizaam verlopen, en de gezondheid van de koopwaar was moeilijk te beoordelen. Soms stierf de helft van de lading op weg naar Amerika, en soms werd de rest door kapers van het schip gehaald. De markt voor slaven was wisselvallig, afhankelijk van de recente aanvoer en de welvaart van de plantages. Soms was er haast geen suiker te koop, en soms had het schip te weinig geld in kas; het was geen uitzondering dat één reis de eigenaren ruïneerde.

Het zou haast mogelijk zijn om de slavenhandelaren te beklagen als er niet ook de beschrijvingen waren van de toestanden in de ruimen. De "koopwaar' lag daar geketend tegen elkaar aangeschoven, vaak ziek en gewoonlijk zwerend en etterend, ondervoed en zonder vuilafvoer en ventilatie, maanden achtereen - soms zes of zeven maanden, wanneer het lang duurde totdat de lading compleet was, en ook weer lang voordat iedereen verkocht was aan de overkant.

De aantrekkelijkste vrouwen werden verkracht door de bemanning; de doden waren nuttig als aas voor de haaien, die dan gevangen konden worden om de slaven mee bij te voeden. Het gewone geluid dat de reis begeleidde, was een onafgebroken gekreun en gejammer uit het ruim. De stank moet bijna onverdraaglijk geweest zijn, maar op dat punt waren achttiende-eeuwers niet verwend, en schepelingen nog minder dan landrotten.

FAILLIET

De "Daniel and Henry' was geen gunstige uitzondering. Van de 452 slaven die ingeladen waren, kwamen er 246 levend aan; de verkoop ging niet goed; er werd een aanklacht tegen het schip ingediend wegens ontduiking van accijns; er was weinig suiker te koop. Van de eigenaren was Daniel Ivy gestorven kort voor de terugkeer van het schip; Henry Arthur ging failliet en vluchtte naar het buitenland.

Dat onze voorouders er toch steeds weer op uit gingen om slaven te verschepen, bewijst dat de hoop op gewin bleef leven. Voor sommige van de officieren werd er iets van vervuld. Zij dreven nogal eens eigen handeltjes, met goederen naar Afrika en met groepjes slaven in eigen beheer, en verdienden daar goed aan. Voor de gewone zeelieden was de motivering negatief: zij deden het werk omdat zij niet wisten hoe zij anders in hun onderhoud moesten voorzien. Een ervaring van vrijheid en avontuur stond hen niet te wachten als zij het zeegat uitgingen, in de benarde ruimtes van de langzame schepen.

Op het tweede deel van de reis, de middle passage naar Amerika, werden hun levens bedreigd door de ziektes die makkelijk oversloegen van de slaven op de bemanning. Het sterftepercentage was op sommige reizen onder beide groepen even hoog. Bij aankomst in West-Indië vluchtte geregeld een deel van de bemanning om te voorkomen dat zij geronseld werd voor de Engelse vloot. Die kwam altijd manschappen tekort en werd in haar ronselpraktijken aangemoedigd door de slavenkapiteins omdat zij op reis naar huis aan kleinere bemanningen genoeg hadden.

Wanneer wij in de stemming komen voor de verhalen over de slavenhandel, brengt de verbeelding ook de lijsten en tabellen tot leven die Tattersall in zijn boek geeft van prijzen, ladingen en aankopen aan de Guinese kust. Drie vaatjes buskruit, 3 rollen Indische katoen en 1 rol goedkopere katoen, voor 1 man en 1 vrouw; 18 koperen pannen en 3 karpetten voor 1 man; 5 karabijnen, 1 karpet en 1 ackey voor 1 vrouw. De ackey was 1,7 gram goud, ter waarde van 4 shillings en 9 pence; gemunt geld werd bij de handel niet gebruikt. Het twaalfde deel van een ackey heette een tackey, 16 ackeys waren en heetten een ounce, ter waarde van 3 pond 16 shilling.

Het verhaal van deze ene reis van de "Daniel and Henry' beslaat de eerste helft van The Forgotten Trade. Tattersfield had ermee kunnen volstaan, maar hij wist nog veel meer en daar wilde hij ook iets van kwijt. Het tweede deel van zijn boek bestaat uit korte beschrijvingen van het aandeel in de slavenhandel van de kleine Engelse havens, waar Dartmouth, de thuishaven van de "Daniel and Henry', er een van was. Over de activiteiten van de grote steden, Londen, Bristol en Liverpool, is vrijwat bekend. Het is evenwel een verrassing te zien dat ook plaatsjes als Lyme Regis, Barnstaple, Falmouth en Whitehaven af en toe een slavenschip uitrustten. Maar de gedetailleerde informatie die Tattersfield erbij verstrekt over de schepen en de families die ze financierden wordt gauw teveel. Vooral over Lyme Regis vertelt hij uitvoerig, onder invloed ongetwijfeld van John Fowles die een voorwoord aan zijn boek heeft bijgedragen - auteur van behalve vele romans ook A Short History van die gemeente, waar tegenwoordig alleen nog verdwaalde badgasten komen.

GOUDKUST

De conclusie moet luiden dat het tweede deel van The Forgotten Trade weggelaten had mogen worden, of nog veel uitvoeriger had moeten zijn. Daartegenover staat dat het eerste een stevige bijdrage is aan de kleine beschavingsgeschiedenis van de Westerse wereld. Wie zich laat meevoeren door de "Daniel and Henry' voelt het zeewater tegen het zware hout van de romp om zich heen, en de hete droge wind in de zeilen. Aan stuurboord zien wij nog het silhouet van de Goudkust, waar wij enige uren geleden de rede van de slavenfactorij Cape Coast Castle verlaten hebben.

Zij zijn nog luidruchtiger dan anders in het ruim! mopperen wij tegen een van de officieren. Hij antwoordt dat het rustiger zal worden als wij verder op de Oceaan zijn en de temperatuur daalt. Hoe gauwer hoe liever, zeggen wij. Dat wij verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor het lot van de slaven komt niet bij ons op, het probleem valt eenvoudigweg buiten onze normbesef.

Of dat normbesef veel is veranderd, blijft de vraag. Wel schrikt de twintigste-eeuwer bij het zien van wat onze soort tweehonderd jaar geleden aanvaardde. Er is wel met veel nadruk gewezen op het feit dat de Afrikaanse machthebbers aan de kust hun krijgevangenen te koop aanboden. Dat zou aan onze verantwoordelijkheid afdoen, is het argument. Maar het is een drogreden die bij een ogenblik nadenken vervliegt.

De relatie met ons verleden is dieper geworteld, en niet met redeneren af te doen. Toen het Britse parlement in 1807 besloten had tot afschaffing van de slavenhandel, vroeg koning Pepple van Bonny (bij de monding van de rivier de Niger) aan de Liverpoolse slavenhandelaar Hugh Crow hoeveel doden er ook weer gewoonlijk vielen in de veldslagen van Napoleon. Tienduizenden per keer! Wat was er dan zo erg aan de slavenhandel? Pepple vond dat er schijnheilig werd gepraat over zijn zaken. Later in het gesprek rolde hij op zijn sofa heen en weer van het lachen om de vergelijking met een oorlogje in zijn gebied waarbij drie doden waren gevallen.

Wij kunnen proberen hem gelijk te geven met zijn gevoel voor proportie, de negerkoning die het zelf zei. Maar hij bevrijdt ons niet van het verleden.