VIETNAM

Vietnam's Economic Policy Since 1975 door Vo Nhan Tri 253 blz., Institute of Southeast Asian Studies, Singapore 1990, f 46,50 ISBN 981 30335 54 4 (ppb)

"Kapitalisten zijn net als rioolratten; wanneer ze opduiken moeten ze onmiddellijk worden doodgeslagen''. De huidige eerste minister van Vietnam, Do Muoi, zal wel niet meer herinnerd willen worden aan deze woorden uit het begin van de jaren zestig, nu hij als redder van de Vietnamese perestrojka de partijgeschiedenis dreigt in te gaan. Wie momenteel in Hanoi en elders luistert naar wat partijbonzen en topeconomen zeggen over de remedies voor Vietnams economie, hoort heel andere taal: vooral mea maxima culpa's en even zovele pogingen Westerse markteconomie en know how binnen te halen.

De economie van Vietnam is doodziek, maar de patiënt wordt kunstmatig in leven gehouden door buitenlandse steun en valuta. Zonder deze steun zou het zittende communistische regime waarschijnlijk allang door volkswoede zijn weggevaagd of door een militaire staatsgreep ten val zijn gebracht. Nu handhaaft de nomenklatoera zich dankzij een handige toewijzing van middelen uit het staatsbudget naar leger en politie, ofschoon ook hieraan door het wegvalen van de steun uit de Sovjet-Unie langzaam een eind begint te komen.

Vietnams eigenzinnige weg naar het socialisme kan bogen op veel slachtoffers, beginnend bij bloedige landhervormingen in de jaren vijftig. Via een verstikkend politiek systeem dat mensen in gevangenissen of in zogenaamde nieuwe economische zones monddood maakte of hen door middel van gerichte "antibourgeoisie'-campagnes tot waanzin dreef, eindigde het experiment ten slotte in een massale uittocht van bootvluchtelingen. Dit grimmige oordeel is afkomstig van de voormalige Vietnamese topeconoom Vo Nhan Tri die 24 jaar als apparatsjik zijn kennis in dienst heeft gesteld van het regime in Hanoi. Vo's analyse van de Vietnamese economie in zijn Vietnam's Economic Policy Since 1975 is zo vernietigend omdat hij als geen ander de beschikking had over uiterst geheime statistieken en beschouwingen, die pas de laatste jaren in een sterk gekuiste vorm vrij worden gegeven.

In vijf hoofdstukken rafelt Vo in sobere bewoordingen het pijnlijke proces uiteen dat met de geforceerde invoering van een Stalinistisch-Maoïstisch ontwikkelingsmodel (1955-1975) tot ver in de jaren tachtig de Vietnamezen een van de laagste levensstandaards ter wereld opleverde. Pas met het geven van ruimte aan privé-ondernemingen en de vermindering van de staatscontrole op de landbouw kon uiteindelijk een catastrofe worden voorkomen. Overigens legt de auteur de omslag niet in 1986, toen de hervormers uiteindelijk het groene licht kregen om de her en der al aarzelend ingezette hervormingen in versneld tempo door te zetten, maar in 1979, het jaar waarin China Vietnam een afstraffing gaf voor de invasie in Cambodja - de voedselsituatie was toen zo nijpend dat een reeks van noodmaatregelen werd afgekondigd om de economie te hervormen.

Het boek maakt eens te meer duidelijk dat de Vietnamese economie vanaf 1954 praktisch volledig op de kurk van Russische en Chinese buitenlandse hulp dreef. In die zin vormde het Noorden een perfect evenbeeld van Amerika's "marionet' in het Zuiden.

De hervormingen van de laatste vijf, zes jaar moeten dan ook worden bezien in het kader van een speurtocht naar nieuwe donors. Zonder omvangrijke Japanse en Westers-Amerikaanse steun hebben de hervormingen weinig kans van slagen hebben. Hoe Vietnams economie radicaal op een andere leest zal moeten worden geschoeid, geeft Vo helaas niet aan, maar hij wordt niet moe de lezer te waarschuwen dat de huidige Vietnamese leiders voorlopig nog niet alle dogma's van een communistische planeconomie hebben afgezworen.