Vaders en zonen

Men herinnert zich hoe Kees de jongen het eigenaardig pak dat zijn moeder voor hem heeft gemaakt tot een verworvenheid van de eerste orde weet te hervormen.

Nadat hij bij de eerste aanblik heeft vastgesteld dat het bestaat uit de verschrikkelijkste onderdelen die een jongen ooit heeft moeten aantrekken, ontwikkelt hij een gesprek met zichzelf waardoor hij erin slaagt die handicap van textiel als de laatste nieuwigheid van de avant-garde te beschouwen. ""Hé, wat loopt daar een interessante jongen, in dat zwarte pak.'' Hij gaat er een somber-nadenkend gezicht bij trekken en betrapt de mensen erop dat ze hem onderzoekend aankijken.

Gebeurt het nog weleens dat een jongen door zijn van de beste bedoelingen vervulde moeder de straat op wordt gestuurd waardoor hij denkt: Was het maar nacht met Nieuwe Maan en alle lantarens kapot? Onwaarschijnlijk. Theo Thijssen schreef Kees de jongen in 1923. Misschien was er toen al een kindermode maar daaraan hoefden alleen de rijke kinderen te gehoorzamen. Zeker zullen er zijn geweest die zich door hun ouders voelden toegetakeld, maar de andere kinderen tot wie Kees hoorde, moesten gewoon in de bloes en korte broek, en de meisjes hadden een jurk en vlechtjes. De bijzondere moeilijkheden van Kees ontstonden omdat hij een creatieve moeder had.

Nu is de kindermode universeel. Het ene paar sneakers is het andere niet en in jeans en jeks heb je nog wel grote verschillen, maar zowat alles komt uit Taiwan en Zuid-Korea. Ook creatieve moeders hebben daar niets tegen in te brengen en geen kledingontwerper zal zich wagen aan een model of snit buiten datgene wat door de wereldkinderkledingdictatuur wordt voorgeschreven. Daarbij is alles zo goedkoop geworden, dat - zoals een passant me verzekert - je je ook met een uitkerinkje nog een outfitje kunt aanschaffen waarin je je on top of the world voelt, als tenminste alle andere omstandigheden meezitten. Met andere woorden: geen jongen hoeft zich nog een gedachtengang te getroosten als die van Kees de jongen.

Zou het zo zijn? Ik geloof dat deze gedachtenwereld van kleine jongens niet door de w.k.k.dictatuur is aangetast.

Vooral in de kerstvakantie zie je nog weleens zoons die hun vader helpen. Als de vader trambestuurder is staat de zoon naast hem, bewondert, kijkt de kunst af en maak van tijd tot tijd een vakkundige opmerking. De vader zegt door de microfoon: "Prinsengracht.' Bij de volgende halte horen de passagiers een jongensbromstem: "Leidseplein!' Dat kwam er unverfroren uit, de vader prijst, de jongen heeft de professionele houding aangenomen, hij leunt achteloos over het bedieningspaneel en kijkt alsof het Leidseplein-zeggen door de microfoon zijn dagelijks werk is. De gevoeligste volwassenen onder de passagiers kijken vertederd, en ik geef toe: aan dat gevoel kun je je dan moeilijk onttrekken, maar bij mij is het gemengd. Ik vrees de verwachtingen, of de illusies van de zoon. Eén kleine botsing en de jongenshersens zijn al overhoop gegooid. Dat valt nog te repareren: Die stommerd! Mijn vader belde nog en hij remde uit alle macht. Maar een echt ongeluk? 't Is best mogelijk dat de zoon levenslang veroordeeld zal zijn tot die monologue intérieure waarvan het doel is, zijn vader als ongeschonden held te bewaren. Wat voor pak moet je daarbij aantrekken? Daar is geen kindermode voor.

't Is allemaal nog maar inleiding. Van tijd tot tijd ben je getuige van gebeurtenissen waarbij je denkt: dat moet ik zo wereldkundig mogelijk maken. Dit zag ik: een vuilnisman die door zijn zoon geholpen werd. Daarmee wil ik niet zeggen dat vuilnismannen geen zoons hebben, of kunnen hebben, wier liefde en bewondering tot hulpvaardigheid leidt, maar voor de buitenstaander ligt het wat minder voor de hand.

De zoon was een jaar of tien, hij had nieuwe sneakers aan, en verder kon je zien dat hij door zijn moeder stevig en warm was aangekleed. (Per ongeluk heb ik al de traditionele rolverdeling in dit gezin geprojecteerd; ik laat het staan). Verder droeg hij een baseballpetje met de klep in de nek. Met zijn vader en de andere vulnismannen liep hij achter de auto, pakte van tijd tot tijd een zak bij de strot en gooide die met de speciale vuilnismannenzwaai in de bak.

Een krachtig kereltje. Maar als je tien bent word je van dat werk toch vlugger moe dan iemand van een jaar of vijfendertig. De auto stopte bij een verse stapel zakken en losse troep. Hij smeet een paar plankjes in de bak en hield het even voor gezien. Hij leunde, het ene been over het andere geslagen, tegen de achterkant van de auto, achteloos-belangstellend naar het werk van de kameraden kijkend. Hé, zouden de omstanders denken, wat is dat voor een kleine interessante vuilnisman, maar je kunt wel zien dat hij weet wat hij doet. Zijn vader - die was het, veronderstel ik terwille van het verhaaltje - gooide de laatste zak van de stapel in de bak. Voor de auto verder reed, spuugde de zoon die zak achterna, met een routine waaraan je wel kon zien dat hij dat niet voor de eerste keer deed. Met grote stappen volgde de familie de auto naar de volgende stapel zakken.