STEENHOUWEN

Het steenhouwersambacht in de Nederlanden voor 1800 door H. Janse en D. J. de Vries 176 blz., geïll., Waanders - Rijksdienst voor de Monumentenzorg 1991, f 45,- ISBN 90 6630 307 7

Voor "Grands Travaux' à la de presidenten van Frankrijk moeten we in de Nederlanden teruggaan naar de vijftiende eeuw. In die tijd werden de meeste kathedralen, grote kerken en stadhuizen gebouwd die met het oog op prestige meestal niet uit bak-, maar uit natuursteen zijn opgetrokken. Dat maakte de ondernemingen, die niet zelden strandden op geldgebrek, extra kostbaar, want op een mergelgroeve in Limburg en een paar groeven tussen Brussel en Gent na waren er in de Nederlanden geen vindplaatsen van natuursteen. Die moest uit Wallonië, Frankrijk en Duitsland komen, en vanwege het transport altijd uit een stroomgebied, hetzij van de Schelde, Maas, Rijn of Vecht danwel van de Wezer.

Tal van die natuursteenblokken bevatten ingekerfde merken van enkele met elkaar verbonden lijnen, een soort signaturen. Meestal zijn die van de steenhouwers die de blokken hebben bewerkt, soms is het merkteken er in de groeve opgezet en een enkele keer betreft het een "plaatsmerk': een aanduiding waar de steen in het gebouw moest komen. In Nederland zijn er 1100 merken van steenhouwers bekend, waarvan er 217 voor rekening van de Bossche Sint-Jan komen. Werk en merk van de steenhouwer is een inventaris van die merken in Nederlandse kerkelijke en profane gebouwen: het is het eindpunt van een heidens karwei dat dertig jaar heeft geduurd.

Het onderzoek naar steenhouwersmerken was aanvankelijk een tijdverdrijf voor amateurs, een terrein van dubieuze volks- en volkskundige meningen. Het onderzoek werd na de oorlog op scepsis onthaald, maar de Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft het onderzoek sinds 1958 systematisch aangepakt en alles in kaart gebracht. Een tijdrovende klus, die pas met de introductie van de computer werd verlicht.

Het oudste steenhouwersmerk is aangetroffen aan de Dom te Spiers en dateert van het eind van de elfde eeuw. Deze Duitse gewoonte treffen we in Nederland pas aan tegen het eind van de dertiende eeuw, met een hoogtepunt in de vijftiende eeuw, toen de bouwwoede in de Lage Landen ongekend was.

Bouwloodsen, werkplaatsen waar de stenen op het werk zelf werden gehouwen, zijn tamelijk zeldzaam in de Nederlanden. De Sint-Jan in Den Bosch had (en heeft nog steeds) een bouwloods, evenals de Utrechtse Dom, de Kampense Bovenkerk en de St. Lebuïnuskerk in Deventer. Onder steenhouwers had de kerkfabriek van de Sint-Jan een goede reputatie: de rekeningen werden op tijd betaald. Het is overigens het meest zuidelijke bouwwerk waaraan zulke merken zijn gevonden.

Aan de merken is te zien dat de steenhouwers van de ene klus naar de andere togen, maar in de tweede helft van de zestiende eeuw komt er de klad in hun werk. Grote bouwwerken van natuursteen werden zeldzaam en toen de Fransen in 1797 ons land binnenvielen en de gilden afschaften, was het met het steenhouwersmerk ook gedaan. Machines begonnen bovendien het ambacht te vervangen, reden waarom het boek tot 1800 loopt.