Over welke vrede praten we dan?; Israel zal land niet snel voor vrede ruilen

JERUZALEM, 4 JAN. Een rustige dag op de Westelijke Jordaanoever is een dag zonder doden. Maar ook op zo'n dag gebeurt altijd wel iets. Vier jaar Intifadah hebben iedere steen, ieder huis, iedere inwoner in dit gebied gemaakt tot respectievelijk een projectiel om mee te gooien, een huis om te bezetten of een mens, Israeliër of Palestijn, om te molesteren.

Een willekeurige zaterdag is zo'n dag. Een koude sabbat, het land dampt na van drie dagen zware regen. Alles lijkt rustig, maar op nog geen kilometer afstand van Jeruzalems oude stad laaien de gemoederen toch weer hoog op.

In het dorp Silwan, zoals de Arabieren het noemen, of Shiloah, zoals de oude Hebreeuwse benaming is, staan geëmotioneerde joden en Palestijnen tegenover elkaar, in toom gehouden door de oproerpolitie. Een dag eerder zijn joodse kolonisten in een aantal huizen van Arabische families getrokken. Het was een actie die deels legaal en deels illegaal bleek te zijn, maar die hoe dan ook veel weerstand en nauwelijks onderdrukt geweld opriep.

Er is zwaarbewapende politie, er zijn links-joodse actievoerders die het opnemen voor de Palestijnen, er zijn veel leden van de betrokken Arabische families, er zijn relzoekers en natuurlijk zijn er de kolonisten. De spanning is te snijden, de onderlinge haat is voelbaar.

Er is ook de Palestijnse leider Faisal Husseini. Hij hoefde maar een paar stappen buiten de deur te doen - zijn huis is gebouwd op de vlakbij gelegen Olijfberg. Husseini zegt later, als de politie iedereen heeft gemaand weg te gaan, dat door dergelijke acties van joodse kolonisten het wel heel moeilijk wordt om de Palestijnse bevolking hier te overtuigen van het nut van de vredesbesprekingen. “Als je ziet wat hier gisteren en vandaag is gebeurd, moeten ze die gesprekken dan serieus nemen?”

Het incident in Silwan-Shiloah is er een in een lange reeks. Maar het laat goed zien om wat voor elementaire zaken het in het Israelisch-Arabische conflict gaat: om het land, de grond, de huizen. En om Jeruzalem - voor iedereen de heilige stad, het gevoeligste onderwerp van allemaal. Want Silwan is Jeruzalem. Het ligt op minder dan duizend passen gaans van zowel de Klaagmuur als de El-Aqsamoskee.

Maar op de vredesbesprekingen tussen Israel en z'n Arabische buren zal Jeruzalem voorlopig wel taboe blijven. Daar heeft men tot nu toe over procedures gesproken. Als die zijn afgewikkeld, en als partijen dan nog met elkaar praten,kunnen de echte onderhandelingen beginnen over alomvattende vrede in de hele regio.

Sinds de Zesdaagse oorlog (1967) houdt Israel bezet of heeft het geannexeerd: Oost-Jeruzalem, de hoogvlakte van Golan, de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. In die twee laatste gebieden - bezet land van respectievelijk 40 bij 15 en 100 bij 50 kilometer - wonen meer dan 1,5 miljoen Palestijnen en ruim 80.000 joden (voornamelijk in nederzettingen).

Israel wil met elk van zijn buurlanden vredesakkoorden, maar is niet bereid daarvoor territoriale concessies te doen. Land voor vrede? De Golan-hoogvlakte, de Westelijke Jordaanover of delen van Jeruzalem opgeven voor een vredesakkoord? Op die vragen wordt in Jeruzalem en Tel Aviv met grote terughoudendheid geantwoord.

“Over wat voor soort vrede praten we dan”, vraagt generaal b.d. Aryeh Shalev, verbonden aan het Jaffee-instituut voor strategische studies in Tel Aviv. “Is dat een staat van niet-vechten, zoals nu, of gaat het om meer? Vrede met Syrië bijvoorbeeld moet wat mij betreft wel van een bijzonder diepe soort zijn, wil ik me er veilig bij voelen. Zo'n vrede moet het risico van oorlog uitsluiten.”

Over de Gazastrook zou volgens hem heel misschien te praten zijn; strategisch is het niet zo belangrijk. Maar over de Golan en de Westelijke Jordaanoever zegt Shalev, die de laatste jaren van zijn militaire loopbaan commandant van de Westelijke Jordaanoever was: “De politici nemen de besluiten, maar als strateeg zeg ik: we moeten ze nooit opgeven”.

Benjamin Begin, de 48-jarige zoon van de oud-premier, doet de vraag "Land voor vrede?' alleen al af als nauwelijks ter zake doende. Begin is lid van de regerende Likud-partij; hij wordt getipt als nieuwe partijleider. In zijn piepkleine kantoor in de Knesset zegt hij: “Dit is ons land, dus dat staan we niet af. Vrede? Wat er tot nu toe in Madrid en Washington is gebeurd heeft nog niets met vrede te maken. Het is een pril begin van langdurige diplomatieke onderhandelingen.”

Zullen die uiteindelijk op vrede uitlopen? Begin is geclausuleerd optimistisch. Of eigenlijk is hij alleen maar optimistisch over het feit dat er wordt onderhandeld. De rest valt nog te bezien. “Misschien is het goed om optimistisch te zijn. Maar veel beter is het om op je hoede te zijn.”

Israel en de vrede - het zal hoe dan ook een kwestie van tijd worden. De eerwaardige rabbi Avraham Ravitz, onderminister van huisvesting en leider van de (meeregerende) religieuze partij Degel Hatorah, wil een vrede tussen Israel, zijn buurlanden en de Palestijnen “van een soort zoals die heerst tussen Nederland en België. Zo'n vrede hebben we niet vandaag of morgen. Dat kan jaren duren.”

Premier Shamir heeft de tijd, maar president Assad van Syrië ook. Het is geen conflict over grensoverschrijdende zure regen of over de rechten om op kabeljauw te vissen, zoals Begin gekscherend zegt, maar een dispuut van eeuwen dat zowel in historische als psychologische zin diep geworteld is. Jeruzalem is voor de Arabieren van oudsher het heilige Urshulim-el-Kuds, Hebron is hun el-Halil, Ashkelon is Majdal. Maar het is meer dan een naamskwestie: in Silwan-Shiloah staan de kolonisten en de verdreven Arabische families met rode koppen tegenover elkaar omdat beide partijen de grond en de huizen claimen.

“Wij horen hier, dit is ons land”, roepen de kolonisten. “Gaan jullie naar Jordanië, Syrië of Irak”. Voor deze joden bestaat de neutrale aanduiding "Westelijke Jordaanoever' niet. Het heet hier Judea en Samaria, het is existentieel tot in het diepst van hun ziel en het gaat om een zaak die niet even met een snel akkoord beklonken kan worden.

De enige partij die wel haast heeft zijn de Palestijnen. Saddam bleek uiteindelijk toch niet hun verlosser en de geostrategische overwegingen van Assad bieden op dit moment ook geen zicht op veel concreets. Voor hen is de kwestie van het land met de jaren urgenter geworden; ze willen een regeling nu. Zelfbestuur in de bezette gebieden - al meer dan tien jaar geleden door de Israeliërs aangeboden - is niet genoeg. De Palestijnen willen een onafhankelijke staat.

“We willen een vlag van onszelf, in een land dat we het onze kunnen noemen. We willen eigen grond met eigen huizen die niemand ons kan afnemen, we willen een onafhankelijk bestuur en een eigen leger”, zegt de 30-jarige Palestijn Mihr Abbed Dana, een man die vier talen spreekt, zich activist noemt en graag bereid is de gewelddadige geschiedenis van hem en zijn familie te vertellen.

Dat gebeurt in een theehuis in Ramallah, in het hart van de Westelijke Jordaanoever. Er volgt een navrant verhaal over vechtpartijen, gewonde broers, dode neven en langdurige gevangenschap. Vier jaar Intifadah en de boosdoeners zijn de joden. Of het allemaal waar is, is moeilijk na te gaan. Maar de haat die uit zijn betoog klinkt is authentiek en de achterdocht waarmee hij en de vele gesprekspartners aan de stamtafel in het theehuis in Ramallah de vredesbesprekingen bekijken is veelzeggend. Men heeft, zacht uitgedrukt, zijn reserves. “Eerst ons land, dan pas vrede. Als we ons land niet krijgen vechten we door - ik, mijn zonen en de zonen van hun zonen.”

En wat doet in dit krachtenveld de Israelische oppositie? De socialistische Arbeiderspartij van Shimon Peres, die een moeilijke periode doormaakt, is op zoek naar een katalysator, naar een middel dat het vredesproces wellicht kan bevorderen. Peres denkt het onder andere in de economie te vinden. Hij wil de dure en omstreden nederzettingenpolitiek een halt toeroepen en het geld dat daarmee vrijkomt gebruiken om banen te scheppen. Als tegenprestatie zou Peres, als hij premier was, eisen dat er een einde komt aan de Intifadah en de Arabische boycot. Vooral dat laatste zou nieuwe, buitenlandse investeringen kunnen aantrekken en daarmee werk.

Maar voorlopig groeit de werkloosheid (210.000 mensen of ruim 10 procent van de beroepsbevolking), blijft de inflatie onveranderd hoog (circa 18 procent) en is de immigratie van Sovjet-joden een vraagstuk geworden: hoe vangt het land in vijf jaar tijd misschien wel een miljoen nieuwkomers op?

Dan is er een achterstand in broodnodige investeringen, in gewone dingen als wegen, gebouwen en openbaar vervoer. Israel toont op veel plaatsen als de zon niet schijnt wat sjofel, een beeld dat bevestigd wordt door de econome Ruth Loewenthal, verbonden aan het ministerie van economische zaken. Ze zegt het nog net niet, maar hardop filosoferend nadert ze wel de onvermijdelijke conclusie: er wordt heel veel geld in de oorlog gestoken en de economie lijdt daaronder. De Israelische defensie-uitgaven bedragen circa 25 procent van het bruto nationaal produkt.

Voor Likud-parlementariër Benjamin Begin zijn economische overwegingen van secundaire aard. Voor hem en zijn partij staat de veiligheid van het land voorop, en een land in oorlog is nu eenmaal duur. De concessies die de oppositie wil doen, verafschuwt hij. “De economie heeft een impuls nodig - zeker. Wij willen vrede, we verlangen naar vrede. Maar het zal geen vrede zijn tot iedere prijs, maar tegen de juiste prijs.”