Ontwerpen wekken hopelijk interesse voor neoclassicisme; Villa's en tuinmanshuisjes van Zocher in een blikken trommel

Tentoonstelling: Architectuur als sieraad van de natuur. De architectuurtekeningen uit het archief van J.D. Zocher jr. (1791-1870) en L.P. Zocher (1820-1915). T-m 9 feb. in het Nederlands Architectuurinstituut, Westersingel 10, Rotterdam. Catalogus ƒ 75.

Jan David Zocher jr. (1791-1870) is de geschiedenis ingegaan als de ontwerper van landschapsparken als het Vondelpark in Amsterdam en Het Park in Rotterdam. Minder bekend is dat hij ook veel gebouwen heeft ontworpen. De tentoonstelling Architectuur als sieraad van de natuur wil deze onbekende kant van hem belichten.

De kern van de tentoonstelling bestaat uit de inhoud van een blikken trommel die een nazaat van Zocher vond op de zolder van de woning van een overleden familielid. De trommel was het enige restant van de inboedel na een brand in het huis van de Zochers en bleek 28 foto's, 46 reisschetsen en 53 tekeningen en aquarellen te bevatten. In 1985 kwam de inhoud van de trommel in bezit van het Documentatiecentrum Nederlandse Bouwkunst dat inmiddels is opgegaan in het Architectuurinstituut.

De inhoud van de trommel is op de tentoonstelling aangevuld met andere ontwerpen van Zocher. Ook twee tekeningen van zijn meest in het oog springende gebouw, de Koopmansbeurs in Amsterdam uit 1845, hangen er. Zochers beurs werd al in 1904 afgebroken en weinig mensen waren daar toen rouwig om. Zo hoog als het aanzien van de nieuwe, door Berlage ontworpen Koopmansbeurs was en is, zo laag was dat van zijn neoclassicistische voorganger. Al vlak na de oplevering van het gebouw beweerden tijdgenoten dat het "karakter' miste en dat de "neo-Griekse' vormen ervan niet voortkwamen uit het "innerlijk wezen'. In dit oordeel is weinig veranderd in de loop der tijd: als Zochers beurs tegenwoordig al eens ter sprake komt, is het vrijwel altijd in afkeurende bewoordingen.

Het lot van Zochers beurs is kenmerkend voor dat van het neoclassicisme in Nederland. Met de rehabilitatie van de bouwkunst uit de negentiende eeuw is inmiddels een begin gemaakt, schrijft Erik de Jong in het voorwoord van de tentoonstellingscatalogus, maar het Nederlandse neoclassicisme uit de eerste helft van de negentiende eeuw blijft obscuur. Hij wijt dit aan het streven naar een nationale, Nederlandse stijl in de tweede helft van de vorige eeuw, dat ons het zicht op het toen zo verfoeide "geïmporteerde' neoclassicisme zou hebben ontnomen.

Hoe obscuur het Nederlandse neoclassicisme is, blijkt uit de rest van de catalogus. Alsof het om een architect uit de duistere Middeleeuwen gaat moet Constance Moes steeds schrijven dat helaas niet precies bekend is welke gebouwen Zocher heeft ontworpen. De in de catalogus opgenomen lijst met uitgevoerde ontwerpen van Jan David Zocher jr. heeft dan ook een "voorlopig' karakter.

Hopelijk wekt de tentoonstelling van Zochers architectuurtekeningen meer belangstelling voor het Nederlandse neoclassicisme. Want Zochers beurs mag dan inderdaad wat droog en dor zijn geweest, de inhoud van de trommel is het niet. Het is alsof de 53 kleine tekeningen en aquarellen gisteren zijn gemaakt, zo helder, sprankelend en vooral aantrekkelijk zijn Zochers ontwerpen voor buitenverblijven, villa's, tuinpaviljoens en tuinmanshuisjes. Wie zou niet willen wonen in de serene, witgepleisterde classicistische villa's die in een tekening uit 1852 om een rond grasveld zijn geplaatst?

De tuinarchitect Zocher is nadrukkelijk aanwezig in de paradijselijke tekeningen: steeds situeerde hij zijn gebouwen in een landelijke of parkachtige omgeving. De ontwerpen verraden duidelijk de invloed van Engelse "Picturesque'-architecten als John Nash, wie het in de eerste plaats ging om het schilderachtige effect van een gebouw in het landschap. Natuur en architectuur vormden geen tegenstelling, maar vulden elkaar juist aan: Zocher beschouwde "architectuur als sieraad van de natuur' en "de natuur als sieraad van de architectuur.'

De bomen, struiken, weides en wolkenluchten zijn, in sommige gevallen met hulp van Zochers zoon Louis Paul (1820-1915), met een overdreven precisie weergegeven. Dit heeft te maken met het doel van de tekeningen, die waarschijnlijk hebben gediend als presentatiemateriaal. Ze moesten potentiële klanten een indruk geven van de mogelijkheden en zijn daarom zo verleidelijk mogelijk weergegeven. En blijkbaar met succes, want Jan David Zocher jr. was een veelgevraagd architect. Overal in het land kreeg hij opdrachten voor ontwerpen van buitenverblijven, parken en gebouwen. Helaas is er in veel gevallen nu weinig meer van over.

Een erg fanatiek neoclassicist was Jan David Zocher niet, zo blijkt uit de tekeningen. Net als John Nash en de Duitse architect Karl Friedrich Schinkel, wier werk overigens duidelijke sporen heeft achtergelaten in dat van Zocher, beschouwde hij neoclassicisme, neogotiek en de "rustieke' stijl van Engelse cottages als inwisselbaar. Het aantal neogotische tuingebouwtjes, villa's en landhuizen is in zijn catalogus zelfs zo groot dat de kwalificatie neoclassicist op het eerste gezicht helemaal niet van toepassing lijkt op Jan David Zocher jr. Maar er is geen kennersoog voor nodig om te zien dat Zochers neogotiek niet verder gaat dan decoratie. Achter de vaak wat onbeholpen neogotische façades gaat toch altijd een klassieke opbouw schuil. Zijn gotiek rijst niet omhoog, maar is horizontaal en symmetrisch. Dit keer is het niet het "nationale streven' uit de tweede helft van de negentiende eeuw dat ons het zicht op Zochers neoclassicisme ontneemt, maar zijn eigen "pittoreske' façades.