OLDENZAAL

Bestemming Semarang. Geschiedenis van de textielfabrikanten Gelderman in Oldenzaal 1817 - 1970 door E. J. Fischer, J. L. M. Van Gerwen en H. J. M. Winkelman 377 blz., geïll., Gelderman Stichting - NEHA 1991, f 39,50 ISBN 90 71617 40 8

Pieter Jelle Troelstra, eind vorige eeuw op bezoek in Oldenzaal, noemde de firmanten van de lokale textielfabriek H. P. Gelderman & Zonen keiharde ondernemers, kapitalisten die hun arbeiders tot op het bot uitzogen. Ferdinand Domela Nieuwenhuis ontving daarentegen vanuit de Twentse stad het bericht dat de patroons aldaar ""nogal mensch zijn'' - zeker vergeleken bij de textielbaronnen uit Enschede en vooral textielbaron Spanjaard, de "God van Borne'. Wie gelijk had, blijkt uit Bestemming Semarang. Geschiedenis van de textielfabrikanten Gelderman in Oldenzaal 1817-1970.

Als Twente in de negentiende eeuw een uithoek was, dan lag Oldenzaal in een uithoek van een uithoek. Sedert de Tachtigjarige Oorlog was de plaats een katholieke enclave. Dat feit wordt vaak gezien als een oorzaak van de betrekkelijke arbeidsrust die er in Oldenzaal heerste, terwijl de Twentse katoenindustrie toch de grootste arbeidsconflicten van Nederland op haar naam heeft staan. In Bestemming Semarang (de titel verwijst naar de plaats in het voormalige Nederlands-Indië, waar veel van de "katoentjes" hun bestemming vonden) wordt het beeld van de sociale werkgever bevestigd, en tegelijkertijd duidelijke gemaakt hoe de handige gereformeerde werkgever de katholieke vakbonden steunde om zich van arbeidsrust te verzekeren.

Al in 1854 kon Hermannus Phillipus Gelderman zich als eigenaar van 575 handweefgetouwen de grootste werkgever van Oldenzaal noemen. Tot die tijd was er in Twente nauwelijks sprake van grote sociale spanningen. Opmerkelijk is dat de lonen in Oldenzaal aan het begin van deze eeuw in sommige jaren een kwart lager lagen dan in Enschede. Als verklaring voeren de auteurs aan dat in Oldenzaal loongeld werd ingehouden voor zaken als ziekenkas, spaarfondsen en pensioenfonds. Bovendien werkten de arbeiders bij Gelderman & Zonen tien uur per dag, en niet de gemiddelde twaalf uur.

De spaarkas was al in 1864 opgericht. Werknemers konden een deel van hun loon in de spaarkas storten, tegen een vergoeding van vijf procent. Behalve met de contributie werd de kas gespekt met boetes voor onder meer vloeken en te laat komen. Het fonds verstrekte geneeskundige hulp en medicijnen, vergoedde opname in het ziekenhuis en behandeling door specialisten en gaf een uitkering aan hen die niet in staat waren te werken. Verder nam Gelderman & Zonen geen kinderen aan die niet konden lezen en schrijven, en verzorgde de fabriek kostenloos onderwijs. De meisjes kregen cursussen in naaien, breien en andere huishoudelijke zaken; jongens cursussen in algemene ontwikkeling.

Aan de ander kant: het invoeren van een 10-urige werkdag was mede ingegeven door de gedachte dat de arbeiders na tien uur zo vermoeid waren dat ze nauwelijks nog produktie konden maken. Het ziekenfonds had alles te maken met de soms krappe arbeidsmarkt en het grote aantal arbeidsongevallen.

De auteurs van Bestemming Semarang constateren dan ook dat de katholieke geestelijkheid, de werkgevers en de plaatselijke elite een gemeenschappelijke belang hadden bij het weren van vreemde radicale elementen in Oldenzaal: handhaving van de arbeidsonrust en het behoud van katholieke normen en waarden.

Van de vakorganisaties had men weinig te vrezen. Ook niet toen de gezamenlijke textielfabrikanten in Twente loonsverlaging en werktijdverlenging wilden doorvoeren, een voornemen waarop een staking uitbrak waarbij 39 textielfabrieken en 22.000 werknemers waren betrokken. De fabrikanten beweerden dat de economische recessie hen tot de maatregelen dwongen, maar de vakorganisaties meenden dat alleen commerciële motieven aan de maatregelen ten grondslag lagen. Uit tot nu toe geheime notulen van de werkgevers blijkt dat ze gelijk hadden (Gelderman & Zonen maakte in 1923 ruim twee ton winst).

Nadat hij vanuit Oldenzaal het bericht had ontvangen dat de fabrikanten daar ""nogal mensch zijn'', nam Ferdinand Domela Nieuwenhuis maar eens persoonlijk poolshoogte. De rode dominee werd het spreken echter onmogelijk gemaakt door het zingen van vaderlandse liederen. De arbeiders dreigden hem zelfs in de vijver bij de villa van Gelderman te gooien. Ze hadden kennelijk weinig te klagen. Sommigen wisten duizend gulden bij elkaar te sparen, waarmee zij zes huizen konden kopen: één om in te wonen, vijf om te verhuren. Anderen hielden evenwel niets over, maar daarvoor dronk de Oldenzaler per persoon dan ook veertien liter alcohol per jaar tegenover een landelijk gemiddelde van negen liter.