"Nu het fietsen voorbij is ben ik op zoek naar mijn artistieke talenten'; De 34-jarige wielrenner PETER WINNEN zit sinds mei 1991 in de ziektewet. Hij was een uitstekende klimmer. Op 14 januari neemt hij afscheid.

De toedracht van het ongeluk kent Peter Winnen nog precies. Op de dag voor de proloog van de Tour de France 1990 verkende hij met enkele ploeggenoten het parcours in Futuroscope toen hij op een rotonde werd aangereden door een auto van de NOS-radio, waarvan de chauffeur het stuur plotseling omgooide. De renner uit Venray maakte een flinke smak. “Normaal breek je een val. Maar als je wordt aangereden kun je de klap niet opvangen.” Winnen liep een bekken- en heupblessure op. Enige tijd was er sprake van een lichte verbetering, maar uiteindelijk hinderde het letsel hem blijvend. Vooral bij een zware inspanning. Het ergste was nog dat zijn rechterbeen niet meer optimaal functioneerde. “De grote kracht was eruit.”

De coureur van Buckler heeft intussen een advocaat, mr. F. Hooft, in de arm genomen die de NOS aansprakelijk stelde. De verzekeringsmaatschappij van de omroepstichting is nog bezig de diagnose van Winnens artsen te checken. Daarna komt de vraag aan de orde hoe hoog het schadebedrag zal worden. Accountants buigen zich er al over. Mr. F. Hooft: “Het gaat erom welke geldsom Winnen op de fiets heeft misgelopen. Dat is ingewikkeld. Want de financiële gegevens uit Spanje, waar hij veel zou hebben gekoerst, laten lang op zich wachten. Bovendien was de marktprijs van Winnen kort voor het ongeval ineens aanzienlijk verhoogd. Hij reed immers net in de rood-wit-blauwe nationale kampioenstrui.”

Vorig jaar probeerde Winnen terug te komen. Het werd een lijdensweg. De gepijnigde Limburger startte zelfs nog in de Ronde van Spanje. Hij hield het vol tot de veertiende etappe, toen gaf hij op. Definitief. Sindsdien zit hij in de ziektewet. En dat, terwijl hij zich van zijn laatste drie seizoenen - hij wilde tot zijn zevenendertigste doorgaan - nog veel had voorgesteld. Winnen baseerde dat optimisme op zijn prestaties in de lente van 1990. “Ik beleefde plotseling een ware revival. Met twee vingers in mijn neus ging in de Ronde van Murcia, de Ronde van de Middellandse Zee en de Ster van Bessèges met de besten mee, terwijl mijn training daar helemaal niet op was afgestemd. Ook in Luik-Bastenaken-Luik ging het uit de kunst. Vóór de Tour reed ik helemaal op reserves, ook bij het NK, fantastisch was dat.”

Winnen ervoer de opleving als zijn tweede jeugd. Hij voelde zich soms weer als aan het einde van de jaren zeventig, toen hij ontspannen tussen de amateurs reed. In die tijd, verduidelijkt de renner, gedroeg hij zich overigens allerminst als een echte sportman. “Toen ik pas van school was en in militaire dienst was, rookte ik regelmatig. En ik ging op stap met mijn maten, ja, dat waren nu en dan flinke uitspattingen. In mijn eerste jaren als prof deden die excessen zich ook nog wel eens voor, met name in de wintermaanden. Ik was lid van Capri-Sonne, een Belgische ploeg. Mijn collega's waren halve monniken, Delcroix, Van Sweefeld en De Geest. En anderen, ook met zulke schimmige namen. Allemaal serieus en braaf. Het was voor mij wel even wennen aan die Vlaamse tradities. Aan die ouderwetse eetgewoonten en aan die louche soigneurs. Toch liep dat team op medisch gebied ook voorop. Het had ene dokter Mertens als arts, een schot in de roos. Hij gaat nu naar PDM.”

Winnen kwam in 1980 voor het eerst echt in beeld. De toen 23-jarige Limburger, die alleen in eigen provincie bekendheid genoot, verraste alles en iedereen met zijn tweede plaats in de zware Vredeskoers. Hij was met name in zijn element in etappewedstrijden met bergen. In eigen land nam hij nauwelijks aan koersen deel. Nooit stond hij in Olympia's Ronde aan de start, criteriums meed hij. “Eén keer”, herinnert hij zich, “heb ik me over laten halen mee te doen aan de Driedaagse van Noord-Holland. Vreselijk, dat waaierrijden. Ik ben daar zo hard gevallen dat mijn handpalmen zowat waren verdwenen. Daar zagen ze me dus nooit meer.”

Dat jaar werd hij prof. En in 1981 won hij meteen de Tourrit naar Alpe d'Huez. Een sensatie. “Dat was het hoogtepunt uit mijn carrière. Wat een enthousiasme bij al die Nederlandse toeschouwers op die bergtop. Maar er zat ook een vervelende kant aan. Twaalf maanden eerder behaalde Joop Zoetemelk zijn eindzege in de Tour. Hij was al 33 jaar. We zitten gebakken, dachten de vaderlandse supporters maar ook de journalisten, we hebben een opvolger voor ouwe Joop. Onzin. Zoetemelk was veel veelzijdiger dan ik. Hij was klimmer èn tijdrijder, ik kon alleen maar klimmen. Dat ik in die jaren vijfde, vierde en derde werd in het slotklassement, kwam door gebrek aan kwaliteit in de subtop. Alban, Martin, Van der Velde en Van Impe - een man van naam en faam - waren geen complete renners, geen kampioenen als LeMond, Bugno, Indurain, Breukink, Fignon, de helden van nu.”

Winnen, ook in 1983 triomfator op Alpe d'Huez, hield niet echt van trainen. Hij koos een aantal wedstrijden uit om als oefening te gebruiken. “In het begin van mijn profloopbaan, tot en met mijn eerste jaar bij Raleigh (1983, red.), deed ik alles onbevangen, op intuïtie. Ik voelde me daar lekker bij. Beter dan bij de ingewikkelde schema's, die ik later mee naar huis kreeg. Bij zijn entree bij de ploeg Post trof Winnen “een heerlijk sfeertje” aan. Knetemann, Raas en Oosterbosch herinnert hij zich als de gangmakers. In 1984 kwam de breuk tussen Raas en Post. Raleigh veranderde in Panasonic, Phil Anderson werd de kopman.

Winnen begreep toen al dat hij zelfs als klimmer niet meer tot de absolute top behoorde. “Want de Colombianen verschenen op het toneel. In de zwaarste bergrit van de Dauphiné Libéré reed Rodriguez de grote Bernard Hinault totaal aan gort. Rodriguez stapte op de laatste dag af. Ramirez volgde hem op, hij droogde Hinault af in een tijdrit. Wat krijgen we nou, dachten wij Europeanen.” Juist toen de Zuidamerikanen hun Tourdebuut maakten en Engelstaligen als Anderson, Roche en LeMond - ooit met alleen een rugzak en een frame naar Frankrijk gekomen - raakte Winnen in een dal. Drie jaar lang. “Eind 1983 begon de ellende. Bij het WK in Altenrhein brak ik een sleutelbeen. En ik liep nog iets anders op. Mijn rugwervels zaten scheef. Ik zag geen verbetering, er kwamen steeds meer twijfels. Ik dacht: Ik kan het niet meer, wat zit ik nog op de fiets te doen? Toen ik in 1986 in de Tour moest opgeven heb ik me binnenste-buiten laten keren.” Vervolgens zocht hij stad en land af naar een therapeut, ook om van de pijn af te komen.

Dank zij de Amsterdamse arts Fortuin, gespecialiseerd in de stand van het menselijke lichaam, kwam Winnen er na een vijftal behandelingen weer bovenop. “Hij zag meteen dat mijn lichaam niet goed stond.” De renner kreeg weer zelfvertrouwen. In de Ronde van Zwitserland van 1987 kwam hij één seconde tekort voor de eindzege, die naar Hampsten ging. Intussen leek hij zich geschikt te hebben in de rol van helper. Winnen: “Ik zat gewoon niets anders op. Post had Breukink gecontracteerd. Die had méér kwaliteiten in huis dan ik. Ik moest voor hem werken, dat lag heel simpel.”

De knechtenrol leverde wel goed geld op. “In het begin van de jaren tachtig moest je een hele grote zijn om aan een salaris van een ton te komen. Nu is dat voor een gewone helper weinig. Dat de lonen omhoog zijn gegaan is te danken aan Anderson, LeMond, Roche, etcetera. Mannen die zich brutaal aanboden bij de sponsors, die bereid waren te knokken, maar wel poen wilden zien. Die wensten zich niet uit te sloven voor een hongerloontje. Ik heb mede van die ontwikkeling geprofiteerd. Bij mijn transfer van Post naar Raas, drie jaar geleden, heb ik een mooie opslag bedongen.”

Een vergelijking tussen Post en Raas is voor Winnen moeilijk te maken. “De beste ploegleider bestaat niet. Iedereen heeft zijn eigen kwaliteiten. Raas is wel eens afgeschilderd als onmenselijk hard. Vooral door de jongere knullen, die toch al dikwijls klagen over allerlei moeilijke omstandigheden in ons vak. Maar bij Raas is best ruimte voor inspraak, alleen je moet wel stevig blijven trappen. De wetten van de jungle gelden bij hem. Je hebt pas wat te zeggen als je tot de sterksten behoort.”

Het peloton zal het moeten stellen zonder Winnen, de intellectueel. “Ach, ik ben onderwijzer. In de wielersport lopen diverse jongens rond met een betere opleiding. Fignon heeft op de universiteit gezeten, De Rooij maakte de HEAO af, Ducrot is afgestudeerd psycholoog en Parra is ingenieur. De pers vind het nu eenmaal nog steeds mooi, dat verzinnen van bijnamen. Heel vroeger was die hang naar romantiek nog veel groter. Vooral in de Tour. Toen kon men prachtige verhalen bedenken over renners, die ineens van het toneel waren verdwenen, of mannen die stukken van een etappe met de trein aflegden.”

En wat nu?

Winnen wordt geen schoolmeester meer. “Aan een ouwe van bijna 35 jaar heeft men geen behoefte, zeiden ze op het arbeidsbureau Bovendien ken ik de lesstof helemaal niet meer. Heel misschien was ik iets in het wielrennen gaan doen, als ik een aanbieding had gekregen. Maar de ploegen zitten vol.”

De ex-renner wil niet stil zitten. “Vanaf mei ben ik al thuis. Vrij plotseling en met lege handen. Er was eerst niets waarin ik me kon vastbijten. Niets om me te motiveren. Een vreemde gewaarwording, die eerste weken. Ik was even een halve zombi. Nu het fietsen voorbij is ben ik op zoek naar mijn artistieke talenten. Van huis uit is mijn familie heel creatief. Kleurpotloden, papier, verf en klei, alles was er vroeger altijd in overvloed. We konden ons vrij ontwikkelen. Ik heb vroeger dingetjes gemaakt, die de kenners zeiden te waarderen. Een zusje heeft de kunstacademie af, een ander moet nog één jaar. Ik heb me in september aangemeld voor de Vrije Academie, die als voorbereiding op de kunstacademie kan worden beschouwd. Met krijt werk ik bijvoorbeeld aan kleurcontrasten. En ik maak allerlei stukjes. Je bouwt zo wat op, later wordt dat dan weer beoordeeld en besproken door docenten van de academie. Heb ik de capaciteiten, dan kan ik op dit gebied misschien ooit werk vinden. Lukt het niet, dan moet ik iets anders zoeken. Daar ben ik niet te beroerd voor.”