Nieuwe zakken

Wie dezer dagen een nieuw blad in het leven roept, moet vooral aan de vormgeving veel aandacht besteden. Een op A-4-formaat gestencild en verticaal doormidden gevouwen pamflet kan niet meer; de verpakking is nu net zo belangrijk als de boodschap. Daarvan getuigt de fraaie verzorging van De Democratie, een politiek weekblad in oprichting, dat onlangs voor het eerst is verschenen.

Het blad is ontstaan vanuit de veronderstelling, dat de kloof tussen de politiek en de kiezers steeds groter wordt. Het individu wordt volgens de makers van het blad gemangeld tussen de democratie op micro-niveau en de supra-nationale democratie. Bovendien houden politiek en parlementaire pers elkaar navelstarend in stand. Het blad zet vraagtekens bij het verschijnsel democratie; welke bezwaren kleven aan dit minst kwade aller maatschappelijke systemen? Een schrijven bij nummer 1 maakt in kreupel proza gewag van “een politiek weekblad wat de politiek behandelt vanuit het perspektief van de kiezer” en “wat zich bezighoudt met alledaagse problemen en die op een politiek relevante wijze onder de aandacht probeert te brengen”.

Het blad bestaat uit drie elementen: één politieke prent waarvoor uitgever Menno van de Koppel steeds een andere tekenaar wil vragen, één artikel waaruit een andere dan gebruikelijke visie op politieke of maatschappelijke zaken blijkt en één fotoreportage waarin de modale kiezer wordt geportretteerd. In het proefnummer tekenen hiervoor respectievelijk Ralph Steadman (met een oude tekening), Theo van Gogh (met een niet-stemverklaring) en Ad Nuis (met een serie over eeneiïge tweelingen).

De uitgever van het blad wil dat De Democratie een eigentijdse variant wordt van de zeepkist of het pamflet. Uit de advertenties moet ook maatschappelijke betrokkenheid blijken, zoals dat in het eerste nummer met die van het Wereld Natuur Fonds en het Aidsfonds het geval is. Het initiatief is sympathiek te noemen, maar met de huidige koers weinig levensvatbaar. Publicaties van Van Gogh zijn immers ook elders te lezen, fotoseries van Nuis ook elders te zien.

Een ander publicitair curiosum is Flux, de nieuwe versie, “Het meest succes gewenste blad van de jaren negentig”. Een verzorgd blaadje op liggend half-A-4-formaat dat ingaat op subculturele ontwikkelingen. Twintig jaar geleden zou het tot de "Underground pers' gerekend worden, maar nu is de verzameling modieuze en niet altijd even heldere bijdragen verpakt in glimmend papier en keurig gekapt en opgemaakt. Oude wijn in nieuwe zakken.

Met “schrijver, dichter, reiziger en cultuurfilosoof” Hans Plomp, een te Ruigoord woonachtig jaren-zestig-rudiment, wordt in Flux een vraaggesprek gevoerd over geestverruiming en de eindeloze trips die hij maakte op paddestoelen, LSD en hasj. Deze Koos-Koets-variant ziet weinig in “techno-hippies” want een synthesizer is “op zich leuk als je daar muziek mee kan maken, maar wat moet je ermee als straks de atoomcentrale de lucht in gaat”. Zelf rekent Plomp zich tot de aanhangers van de "Mad Wisdom', waartoe behoren “freaks, dropouts, clowns, kunstenaars”.

Volgens een commentaar in het derde nummer is het de redactie begonnen om “ongesegmenteerde fascinatie voor het leven” door “de zelfstandig denkende mens”. Het hart van Flux wordt in beslag genomen door bijdragen over "de kus' in de vorm van op transparant papier gedrukte teksten en illustraties en een opgevouwen poster. Er staan reportages in over brainmachines en over McDonald's; dat laatste artikel verschaft een boeiend kijkje in de keuken van de wereld van de drie C's, “Communication, Cooperation and Coordination” door een medewerker die er een blauwe maandag werkte.

Het fraaist vormgegeven blad is zonder twijfel Mediamatic, Volume 6, een tweetalig (Nederlands-Engels) blad op het breukvlak van nieuwe media, filosofie en beeldende kunst. Voor de vormgeving ervan is dan ook gebruik gemaakt van het Apple-programma Painter, waarmee men kan “schilderen in virtuele realiteit”. De artikelen worden begeleid door foto's van een gebarentaal "sprekende' acteur van het Gebarentheater.

In Mediamatic komen de door Plomp zo verfoeide techno-hippies aan het woord, maar ook kunstenaar en criticus Paul Groot, die de vloer aanveegt met schrijver en filmmaker Eric de Kuyper. Het vertrek van De Kuyper uit de leiding van het Filmmuseum geeft Groot weinig hoop, want “wij blijven voorlopig opgescheept met de fnuikende kostschoolsfeer van die der Kuyperianen”. Hoe mooier het blad, des te krakkemikkiger de inhoud.