Met mos begroeide vazen en kannen die elkaar omhelzen

Expositie: Keramiek van Alison Britton en Claudi Casanovas. Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. T-m 2 feb, di-za 10-17u, zo 11-17u.

Als we twee keramisten uitnodigen voor een gezamenlijke expositie, zorgen we voor zo groot mogelijke contrasten. Die gedachte heeft Boymans-van Beuningen ertoe gebracht de vrolijke, kleurige en ongecompliceerde objecten van Alison Britton (Harrow, 1948) te combineren met de stemmige en zwaarmoedige keramiek van Claudi Casanovas (Barcelona, 1956), die hiermee zijn Nederlandse debuut maakt. Alison Britton is al jaren een goede bekende in Nederlandse galeries en musea, maar toont nu voor het eerst in ons land zo'n compleet beeld van haar bijna twintigjarige loopbaan als keramiste.

Britton vouwt van beschilderde, bestempelde, gestippelde en ingedrukte plakken klei meestal kan-achtige vormen. Een van de vroegste werken, een schitterende witte schaal uit 1973, is alleen al door zijn vorm opvallend. De kom lijkt samengeflanst te zijn uit vier rechthoeken, elk met een eigen randje en ”betekend' met een typisch Britton-figuurtje, een ontbrekende schakel tussen mens en dier. De vier voorstellingen op de kom (een vogel met een gestreepte broek, een leeuw met menselijke voeten, een geschift vrouwspersoon en een mannetje met konijne-oren) komen op de kleurrijke kannen uit de jaren zeventig steeds terug. Deze zoölogische parade wordt opgevrolijkt door struiken, tulpen en andere gewassen.

De figuratieve voorstellingen maken in de jaren tachtig plaats voor een abstracter patroon met woeste zigzaggen, vierkanten en ovalen. Wat wèl blijft, is een vaag herkenbare kan- of potvorm, soms geaccentueerd door een tuit, een soort snavel of bek. De kannen hebben niet langer slechts een enkele voor- en achterkant: ze zijn opgebouwd uit verschillende vlakken, de moeite waard om vanuit verschillende gezichtspunten te worden bekeken. Dat kan ook in de museumruimte, want ze staan op tafels uitgestald, zodat je er omheen kunt lopen.

Een paar jaar geleden ontstond er iets moois tussen Brittons solitaire kannen. Ze groeiden naar elkaar toe, gingen naast elkaar staan en omhelsden elkaar. Uit die toenadering resulteerde een serie dubbelkommen, waarvan het museum een exemplaar in diep donkerblauw laat zien.

Ook al zijn de latere afmetingen zeer fors, mogelijke associaties met echte sculptuur wijst Britton resoluut van de hand. Daarvoor zijn de eigenzinnige versieringen (het woord beschildering doet aan de vaak reliëfachtige patronen geen recht) op de al even eigenzinnige kannen te prominent. Het is juist de hiërarchieloze harmonie tussen object en decoratie die Alison Britton tot een pottenbakster maakt. Maar wel een heel uitzonderlijke.

De zestien grote objecten die Claudi Casanovas exposeert, maken op het eerste gezicht een veel ”natuurlijker' indruk. Neergelegd in een herfstbos vallen ze geen enkele passant op. De kleuren: weinig wit, grijs - van licht tot bijna zwart -, beige in alle schakeringen en een vaal rose versterken de sfeer van verval en verwering die Casanovas' keramiek typeert. De huid van de oorloze langgerekte vazen, die mooi tot hun recht komen op de roestige metalen sokkels, is met mossen overwoekerd of door corrosie in agressieve punten afgeschilferd. Een van de vazen heeft min of meer evenwijdige lijnen op de wand, de sporen van een langdurig verblijf in stromend water. Een groot rechthoekig bord lijkt afkomstig uit de aslade van een reusachtige cokes-oven: het heeft de bruinzwarte kleur en de poreuze steenachtige substantie van sintels of slakken.

Het beste tot zijn recht komt Casanovas' intrigerende oppervlaktebehandeling in de simpele vazen of borden. Zodra hij zijn keramiek een pretentieuzer vorm geeft, boet het aan zeggingskracht in. Dat is het geval bij twee langwerpige golvende schalen: de vermoeide, afgetakelde huid correspondeert niet met de ”drager'. Die is te elegant.