LIVERPOOL FC: KAMPIOENSCLUB ZONDER FRANJE EN IDOLEN

Liverpool Football Club 1892-1992. The Official Centenary History door Stan Liveredge (met een voorwoord van Bob Paisley) 224 blz., Hamlyn 1991, f 54,45 ISBN 0 600 57308 7

Hoewel ik uit volle overtuiging verslaafd ben aan Engels voetbal, vind ik de speelstijl van de kampioensploeg Liverpool FC niet echt aantrekkelijk. Liverpool huldigt de zogenaamde continentale en super-collectieve aanpak. Onwillekeurig associeer ik het spel van de club met de werking van een lopende band: oerdegelijk en een tikje saai, maar door het hoge en onverbiddelijk tempo toch vaak succesvol. De duidelijkste exponent van dit Liverpoolse voetbal is Ian Rush, de vleesgeworden degelijkheid, die zijn goals zelden van overbodige franje voorziet. Het paste geheel in de lopende band-stijl van Liverpool FC dat John Aldridge, de "stand-in' van Rush tijdens diens Italiaanse periode (en zelf inmiddels al weer naar Real Sociedad vertrokken), wat betreft fysionomie en speelstijl angstwekkend veel op Rush leek.

Het is geen wonder dat mij dan ook zo snel geen echt Liverpools voetbalidool te binnen schiet. Voor de echte kleurrijke voetballers, zoals George Best, Bobby Charlton of Sir Stanley Matthews, moet je bij andere clubs zijn. Toch was er tijdens mijn grand tour afgelopen zomer door Groot-Brittannië maar één bestemming zeker: Anfield Road, het roemruchte stadion van Liverpool.

Het waarom van mijn bedevaart is te vinden in het zojuist verschenen Liverpool 1892 - 1992. The Official Centenary Yearbook, het jubileumboek van de FC. Lezing van dit prachtig geïllustreerde standaardwerk maakt duidelijk waarom het allemaal draait. Rond Liverpool FC hangt ondanks de uitermate professionele organisatie nog steeds de ambiance van een amateurclub. Het voelt allemaal als in de boeken van J. B. Schuil. Net als in De AFC'ers proef je dat het naast prestaties toch vooral gaat om kameraadschap, onderling respect en clubtrouw. Het gaat om dat metafysische voetbal-oergevoel - in Nederland verbleekt maar in Liverpool nog heel gewoon.

Dat blijkt ook uit het feit dat Liverpool FC in zijn honderd-jarige geschiedenis slechts dertien managers heeft gehad. Terwijl in Nederland elke onverwachte nederlaag tot een nieuwe technische staf leidt, zijn het in Liverpool voornamelijk de managers zelf die het op een gegeven moment voor gezien houden. Zo hielden de drie succesvolste managers van de laatste tijd, Bill Shankly (1959-1974), Bob Paisly (1974-1983) en Kenny Dalglish (1985-1991), allen de eer aan zichzelf.

SCHOKEFFECT

Daarbij was vooral de opvolging van media-lieveling Shankly door de rustige Paisly opmerkelijk. De laatste, ooit een gewaardeerd middenvelder van Liverpool, was al ruim tien jaar de rechterhand van Shankly. In tegenstelling tot het in ons land veelal gepropageerde schokeffect, koos men in Liverpool dus voor continuïteit en binding met de club. Niet voor niets is een belangrijk verschijnsel bij de technische leiding van Liverpool de zogenaamde "back-roomstaff', een groepje voormalige spelers van de club die functioneert als ondersteuning van de manager.

Het "Liverpool gevoel' wordt treffend samengevat in het door de supporters geadopteerde "You'll never walk alone' van Garry and the Pacemakers, ongeveer de getoonzette climax van de Liverpoolse Mersey-beat. Volgens mij bestaat er geen betere muziek om een team tot grote hoogte en eensgezindheid te brengen dan juist dit nummer. Een dergelijke beleving tref je in Nederland zelden meer aan. Volgens de voormalige voetbal-coryfeeën Ton van der Linden en Hans Kraay werd dit Engelse sfeertje nog het meest benaderd door het Utrechtse DOS en Velox van zo'n dertig jaar geleden. Inmiddels zijn wijkbinding, clubtrouw en kameraadschap in de Nederlandse context echter volledig vervangen door harteloze stichtingen.

In Liverpool bestaat het leven nog volop uit voetbal en voetbal alleen. In de stad aan de Mersey ben je óf voor Liverpool FC óf voor de concurrerende club Everton en het uitspreken van je voorkeur leidt al bij de plaatselijke VVV tot verhitte discussies met de oudere dames aldaar. De geschiedenis van beide voetbalgrootmachten uit Liverpool is overigens op een merkwaardige manier met elkaar verweven. Everton ontstond in 1884 uit de St Domingo Football Club en speelde aanvankelijk op Anfield Road, het huidige stadion van Liverpool. De eigenaar van het stadion was John Houlding, een adellijk heer en vroegere burgemeester van Liverpool, beter bekend als "King John of Everton'.

Na een financieel conflict met King John vertrok de gehele club echter met medeneming van de naam naar nieuwe velden op Goodison. John Houlding bleef achter met een complex zonder spelers. Samen met voetbalvriend W. E. Barclay besloot hij daarop een nieuwe club op te richten die op 15 maart 1892 het licht zag als Liverpool Association Football Club.

In dit boek is te lezen hoe het vanaf toen verder ging. Behalve sfeer biedt het boek veel feiten en een berg aan cijfermateriaal, zodat je nog even kunt naslaan wanneer de befaamde mistwedstrijd in Amsterdam tussen Ajax en Liverpool (5-1) plaatsvond (7 december 1966) en hoe de uitschakeling van AZ'67 voor de Europa Cup door Liverpool in 1981 zich voltrok (dramatische goal in de laatste minuut van Alan Hansen).

GROTE RAMPEN

De schrijver van dit eeuwboek, Stan Liversedge, is al meer dan negentien jaar redacteur - en dat is ook typisch Brits - van de Anfield Review (de officiële Liverpool wedstrijdprogramma-boekjes). Iets dergelijks zullen we bij ons zelden aantreffen. Als een Nederlandse profclub al een programma heeft, dan wordt dit ofwel door kille PR-bureaus verzorgd, ofwel door goedwillende amateurs, meestal passanten op weg naar een betere functie.

Zoals veel jubileumboeken ontkomt ook Liverpool 1892-1992 niet aan een zekere hagiografische oppervlakkigheid. Bij de grote rampen uit de recente geschiedenis van Liverpool, die in het Brusselse Heizel stadion en de tribuneramp op Hillsborough, volstaat het boek met vermelding van staaltjes van kameraardschap en internationale solidariteit, maar meldt het opvallend weinig over oorzaken, slachtoffers en achtergronden van de tragedies.

Evenmin wordt iets opgehelderd over het mysterieuze vertrek van Kenny Dalglish. Deze stapte midden in het seizoen 1990-1991 plotseling op als manager en liet een elftal, een club en een hele stad in staat van shock achter. Dalglish beëindigde als bij donderslag een uitermate succesvolle veertienjarige periode als speler, manager en trainer-speler. Liverpool stond op dat moment bovenaan en verspeelde na het vertrek van "Mister Liverpool' alsnog het kampioenschap, maar ook het eeuwboek komt niet verder dan dat het Dalglish ""allemaal te veel werd''.

Toch doet deze oppervlakkigheid, net zomin als de enigszins ongelukkige thematische opbouw met nogal wat herhalingen, weinig af aan het boek, dat ruikt naar omwoeld gras en gonst van tribunegeruis. De liefhebber van het echte Engelse voetbal moet aan dit werk voldoende hebben om zich door de continentale winterstop heen te slaan.