Iers Schrijversmuseum nog bijna leeg

In Dublin is onlangs een nieuw schrijversmuseum geopend. Levende schrijvers worden geweerd: “Dat zou maar jaloezie uitlokken”.

Dublin Writers Museum, 18-19 Parnell Square North, Dublin is geopend van 10-17 u., zon- en feestdagen 14-18 u.

“Dit is mijn bijdrage aan de expositie,” zegt de conservator Robert Nicholson (37) niet zonder ironie als ik met hem door de tentoonstellingsruimte van het Dublin Writers Museum loop. We staan voor de vitrine die is gewijd aan de Ierse Nobelprijswinnaar Samuel Beckett. Ik heb zojuist een piepklein met de hand geschreven correspondentiekaartje ontdekt en zie aan het bijschrift dat dit stuk is uitgeleend door Robert Nicholson. Is hij in dit geval de weldoener? Inderdaad.

Het door hem uitgeleende kaartje is helaas niets bijzonders, laat de conservator echter meteen al weten. Beckett moet tijdens zijn leven vele duizenden van dit soort kaartjes hebben geschreven. Nicholson: “Hij was een gentleman. Iedereen die hem iets vroeg, kreeg antwoord.” De conservator heeft het kaartje al weer meer dan tien jaar, sinds de tijd dat hij de Bloomsday-herdenking van 1981 voorbereidde. Nicholson had aan Beckett geschreven dat er iemand langs zou komen om materiaal op te halen, en Beckett schreef, zoals hij gewend was, een paar vriendelijke woorden terug.

Het kaartje mag misschien niet veel over Samuel Beckett zeggen, het zegt wel iets over het onlangs geopende Dublin Writers Museum. Het kaartje van de conservator ligt niet voor niets in Becketts vitrine. Het is het enige handschrift dat er van hem is. Het schrijversmuseum heeft nog bijna niets. Volgens Nicholson hoeft dat eigenlijk ook nog niet. Het museum is net open. Ontstaan andere letterkundige musea doorgaans als er een grote en belangrijke collectie is die moet worden bewaard en getoond, in Dublin gaat het, zo hoor ik, precies andersom. Eerst was er het idee dat er een letterkundig museum moest komen, en nu dat er is, kan over de collectie worden nagedacht.

Het schrijversmuseum is een particulier museum. De drijvende kracht achter de oprichting is de Ierse toeristenorganisatie Bord Failte. Veel toeristen die naar Dublin komen doen dat de laatste jaren vanwege de sporen die hier te vinden zijn van de Ierse literatuur en Bord Failte wilde in de eerste plaats voor hen iets doen. Het is ook de toeristenorganisatie die voor de belangrijkste financieën zorgt. Iedereen die in Dublin in een hotelbed slaapt betaalt zo mee aan het onderhoud. De overheid betaalt niets. Nicholson: “De Irish Arts Council geeft zijn geld, geloof ik, liever aan levende schrijvers.” Hij legt uit dat zijn museum zich principieel beperkt tot schrijvers die al dood zijn. Nicholson: “Een schrijver krijgt pas na zijn dood een plaats in de literatuurgeschiedenis. Bovendien: als je levende schrijvers opneemt wekt dat alleen maar de jaloezie op van schrijvers die niet vertegenwoordigd zijn.”

Het schrijversmuseum is gemaakt op de groei. Een paar documenten die onmisbaar waren om iets van de vroegste Ierse literatuur te laten zien, zijn kort voor de opening aangeschaft, een paar boeken werden in bruikleen ontvangen, onder meer van Trinity College en Bolton Library, maar de rest komt, als het goed gaat, later. Nicholson: “We hebben drie boeken van Jonathan Swift, de eerste belangrijke schrijver van Ierland, maar geen van die drie is een eerste druk. We hebben ook geen manuscripten van hem, zelfs geen brief.” De 2,5 miljoen Ierse pond waarover het museum bij de oprichting kon beschikken (ruim 7,5 miljoen gulden) zijn vrijwel geheel opgegaan aan de verbouwing en renovatie van het statige achttiende-eeuwse pand aan het Parnell Square.

“Zo gaat dat toch meestal”, zegt Nicholson opgewekt als ik voorzichtig enige verbazing laat blijken. Hij heeft er alle vertrouwen in dat de door hem gewenste collectie er komt. “Als het publiek eenmaal weet dat er een museum is, komen de spullen meestal vanzelf.” Hij vertelt over de dertien jaar dat hij, eveneens in dienst van de toeristenorganisatie, even ten zuiden van Dublin het James Joyce Museum beheerde. Ook toen kreeg hij aan de lopende band materiaal aangeboden. “De James Joyce Toren is een vrij bekend museum en ik heb gemerkt dat mensen daar graag iets aan schenken. Ik heb nooit naar iets hoeven zoeken. De aanwinsten stroomden toe.”

Ik denk dat het al eens eerder is opgemerkt, Robert Nicholson heeft zelf iets weg van James Joyce. Als hij mij ontvangt draagt hij een oudmodisch pak met vest, hij heeft een dun snorretje, en hij kijkt, denk ik, op dezelfde manier uit zijn ogen als zijn idool. Hij vertelt me dat hij enkele jaren Engelse literatuur heeft gestudeerd aan Trinity College, maar hij is nooit verder gekomen dan een B.A. “Joyce is ook nooit verder gekomen”, voegt hij er meteen aan toe. Bij toeristen is Nicholson al enige jaren een begrip vanwege zijn The Ulysses Guide, een populair gidsje over het Dublin van James Joyce. Hij schreef het eigenlijk uit luiheid: “Er kwamen elke dag mensen in mijn museum met vragen over de locaties van Ulysses, zodat ik het allemaal maar heb opgescheven. Dat was makkelijker.”

Hoe schamel de collectie van het Writers Museum voorlopig ook is, voor wie toch in Dublin is, is het zeker een bezoek waard. In de eerste plaats is er nu tijdelijk een deel van de collectie uit het James Joyce Museum te zien, dat door personeelsgebrek gedurende de wintermaanden gesloten is. Onderaan de trap staat de Petrof-piano te pronken die Joyce in Triëst bespeelde. En in een vitrine in de achterkamer is het fraaie vest van James Joyce uitgestald, een kleurig door zijn oma geborduurd vest met hertjes en hondekopjes, geschonken door Samuel Beckett.

Ook de objecten die te maken hebben met de andere grote namen uit de Ierse literatuurgeschiedenis zijn interessant. In de vitrine van Brendan Behan ligt zijn contributiekaart voor de schildersvakbond, de hoge Underwood van Sean O'Casey is te zien, enkele brieven van Lady Gregory, twaalf van de dertien nummers van Kavanagh's Weekley, het eigenzinnige weekblaadje dat werd volgeschreven door Patrick Kavanagh. Er is de Remington en de vliegbril van de dichter Oliver St. John Gogarty, en de bril, pijp en vulpen van de Ierse verhalenschrijver Frank O'Connor.

Een verzameling Dracula-boeken en brieven van de Ierse auteur Bram Stoker uit het bezit van de Ier Leslie Shephard vormt de eerste grote deelcollectie die het museum inmiddels heeft verworven. Misschien duurt het nog even voor het museum compleet is, het begin is er.