Hoge topsalarissen in gevolg Bush wekken ergernis in Japan; Extra probleem voor Amerikaanse president bij zijn bezoek aan Tokio; Het salaris in Japan wordt juist verlaagd als het slecht gaat met het betrokken bedrijf

De Amerikaanse topmanagers die president Bush volgende week vergezellen op zijn reis naar Japan hebben veel reden tot klagen, maar één ding waarover ze niet mogen mopperen is hun salaris.

Dat doen de Japanners wel. Er gaan 21 zakenmensen mee, onder wie twaalf president-directeuren van grote Amerikaanse ondernemingen variërend van American Express tot de drie grootste autofabrieken, en hun aanwezigheid zal ongetwijfeld leiden tot hernieuwde aandacht voor de hoge topsalarissen in de VS, een zaak waar Japan zich al langer bezorgd over maakt. De twaalf president-directeuren kregen vorig jaar samen 25 miljoen dollar betaald, gemiddeld meer dan twee miljoen dollar per persoon. Ter vergelijking: een Japanse president-directeur verdient drie- à vierhonderdduizend dollar per jaar - dus ongeveer één zesde van het gemiddelde van de twaalf in het gevolg van president Bush. Bovendien betalen de Japanners veel meer belasting.

Helaas betekent dit enorme verschil een extra politiek probleem voor president Bush, die dinsdag met zijn entourage in Tokio aankomt na een bezoek aan enkele andere Aziatische landen. (Functionarissen in Azië en de Pacific hopen dat behalve de handel, het veelbesproken hoofddoel van de reis, ook enkele algemene kwesties aan bod zullen komen, zoals de Amerikaanse militaire en economische rol in de regio.) De Amerikaanse delegatie zal haar beklag doen over oneerlijke concurrentie. Maar het feit dat de salarissen van Amerikaanse topmensen zo hoog blijven terwijl de ontslagen steeds massaler en de verliezen steeds groter worden, heeft in Japanse ogen een bedrijfscultuur gecreëerd die buiten de economische werkelijkheid staat. Als in Japan een bedrijf in moeilijkheden raakt, wordt van een topmanager verwacht dat hij vrijwillig zijn salaris verlaagt - en regeringsfunctionarissen wijzen er nadrukkelijk op dat dit in de Verenigde Staten zelden voorkomt. In Japan wordt het salaris van de directeur verlaagd voordat er ontslagen vallen, zegt een ambtenaar van het ministerie van financiën. In Europa zijn de topsalarissen lager dan in de Verenigde Staten, maar hoger dan in Japan. Tot nu toe is het geen punt van discussie geweest in de handelsbesprekingen tussen de Europese Gemeenschap en Japan.

Japanse regeringsfunctionarissen stelden het salaris van Amerikaanse topmanagers voor het eerst aan de orde in mei, tijdens de besprekingen over het verlagen van de strcuturele handelsbarrières in beide landen. De Japanners waren van mening dat overbetaalde Amerikaanse directeuren zich vooral bezig hielden met resultaten op de korte termijn en daarmee de Amerikaanse concurrentiepositie verslechterden. Als het inkomen van de directeur vele malen hoger is dan dat van de rest van de werknemers in een onderneming, heeft dat “niet alleen een nadelig of zelfs averechts effect op het moreel van de werknemers. Het beïnvloedt de besparingen in de hele sector”, zei de toenmalige staatssecretaris van Internationale Financiën Makoto Utsumi. “De Amerikanen moeten zich afvragen of dat produktief is.” Koichi Hori, plaatselijk directeur van de Boston Consulting Group in Tokio, zegt dat Amerikaanse topmanagers een kwart of een derde zouden moeten verdienen van wat ze nu krijgen. “Er is geen enkele reden waarom een directeur honderd keer meer zou moeten verdienen dan een secretaresse”, zegt hij. “Alle werknemers voegen waarde toe aan een bedrijf.”

President Bush lijkt zich niet al te veel zorgen te maken over de controverse over de inkomens. “Het is goed dat deze mensen meegaan”, zei hij tijdens een persconferentie op de dag voor zijn vertrek. Hij verdedigde zijn entourage “ongeacht de hoogte van hun salaris”.

Nog voordat een begin was gemaakt met de organisatie van de reis naar Azië vestigde Graef Crystal, een Amerikaanse salarisexpert, de aandacht op de enorme discrepantie. In zijn pas verschenen boek "In Search of Excess' zegt Crystal dat veel Amerikaanse topdirecteuren zwaar overbetaald worden en honderdzestig keer zoveel verdienen als de gemiddelde werknemer: in Japan is dat maar zestien keer zoveel. (Andere salaris-specialisten bevestigen dat zijn schattingen ongeveer kloppen). Erger nog, schrijft Crystal, Amerikaanse topmanagers verdienen in goede jaren een fortuin, en “in slechte jaren zoniet een fortuin, dan toch nog een riant bedrag”. Dit werpt een heel ander licht op de klachten van de VS over het jaarlijkse tekort van 41 miljard dollar op de handelsbalans met Japan. Het gaat vooral om de grote bazen van de auto-industrie die de president vergezellen. Driekwart van het handelstekort komt voor rekening van auto's en auto-onderdelen. De Japanners begrijpen niet waarom de auto-industrie steen en been klaagt en tegelijkertijd de top rijkelijk blijft belonen, al gaat het nog zo slecht.

Het pensioen van 1,2 miljoen dollar per jaar van de voormalige president van General Motors Roger Smith is bijvoorbeeld vele malen hoger dan het inkomen van de meeste werkende managers in de auto-industrie in Japan. De opvolger van Smith, Robert Stempel, verdiende vorig jaar in totaal 2,18 miljoen dollar - en heeft nu de leiding over een afslankingsoperatie die General Motors tot een schim van zichzelf moet terugbrengen. Eenentwintig fabrieken en 74.000 arbeidsplaatsen moeten binnen drie jaar verdwijnen. “In Japan zou iemand in Stempels positie zijn ontslag ingediend hebben”, zegt Peter Drucker, auteur en goeroe op het gebied van bedrijfsorganisatie. Stempel was niet bereikbaar voor commentaar.

Hoewel de top in Detroit nu al veel minder extraatjes krijgt, beschouwen de meeste Japanners de hoge salarissen nog steeds als een verspilling. In Japan zijn topmanagers niet verplicht hun salaris openbaar te maken, maar er bestaan wel wat algemene cijfers. De zesendertig hoogste functionarissen bij Honda verdienden vorig jaar in totaal slechts 1,29 miljard yen (ongeveer 10,2 miljoen dollar). Omdat in Japan over inkomsten boven 20 miljoen yen 65 procent belasting moet worden betaald, hielden de meesten waarschijnlijk minder dan 150.000 dollar schoon over. Bij Nissan verdienden de achtenveertig hoogste functionarissen gemiddeld nog minder. Toyota publiceert geen salarisgegevens.

Het verschil met het salaris van de bestbetaalde Amerikaanse managers is nog groter, en de onbetwiste leider in het reisgezelschap van president Bush is Lee Iacocca van Chrysler. Iacocca, al heel lang mikpunt van de Japanse kritiek, steekt zijn eigen kritiek op Japan ook niet onder stoelen of banken. Hij vindt dat de import van de Japanse auto's aan banden moet worden gelegd. Behalve zijn eigenlijke salaris, dat vorig jaar in totaal 4,65 miljoen dollar bedroeg, krijgt hij, als hij tot het nieuwe jaar aanblijft, per kwartaal 62.500 aandelen Chrysler (ter waarde van ongeveer 718.000 dollar). Uit de publikatie van zijn gegevens door Chrysler bleek dat zijn bedrijf, ondanks zware verliezen en ontslagen, twee van zijn huizen (in Boca Raton, Florida en in een buitenwijk van Detroit) heeft aangekocht, omdat hij ze niet kon verkopen voor de prijs die hij ervoor wilde hebben. Toen hij onlangs op CNN verscheen in het programma "Larry King Live', gaf Iacocca in honkbaltaal toe dat hij het inkomen van een slagman met sterstatus had, terwijl hij de afgelopen twee jaar toch beneden de middelmaat had gescoord. Koichi Hori van de Boston Consulting Group in Tokio vindt dat president Bush er verkeerd aan doet Iacocca mee te nemen. “Iacocca slaat alleen maar onsamenhangende taal uit en krijgt daar een enorme hoop geld voor”, zegt Hori. “Dat wekt ergernis in Japan.” Maar Iacocca is klaar voor de strijd. “Hij heeft die vragen al eerder gehoord en wil er best antwoord op geven”, zegt Steve Harris, woordvoerder voor Iacocca. “En dan mogen de Japanners antwoord geven op alle vragen die hij hun wil stellen.”

In het gevolg van Bush bevindt zich ook Harold Poling van Ford Motor Company, die vorig jaar in totaal 1,29 miljoen dollar betaald kreeg. Gene Koch, woordvoerder voor Ford, zegt dat het salaris van Poling “geen onderwerp van discussie is geweest, behalve misschien op cocktailparty's. Dat soort dingen wordt meestal als een persoonlijke zaak beschouwd tussen het bedrijf en de betrokkene.” Desondanks is het topsalaris een netelige politieke kwestie geworden in de Verenigde Staten. De Democraten hebben het al aangegrepen als een typisch voorbeeld van economisch onrecht onder de Republikeinse regering. Mario Cuomo, de democratische gouverneur van New York, zei tijdens de persconferentie waarop hij bekendmaakte dat hij zich niet kandidaat zou stellen voor het presidentschap, dat hij het “echt een dom idee” vond om de top van de auto-industrie mee te nemen naar Japan. Cuomo vatte de boodschap die Amerikaanse topmanagers in Tokio uitdragen als volgt samen: “Hoor eens, vorig jaar heb ik maar 20 miljoen dollar binnengesleept. Het moet nou maar eens uit zijn met die concurrentie, want ik wil meer verdienen.” Cuomo zei dat de president niet moet opkomen voor rijke directeuren maar voor ontslagen arbeiders en voor de armen. De democratische gouverneur van Arkansas, Bill Clinton, die presidentiële aspiraties heeft, had in zijn toespraak over economische politiek eveneens stevige kritiek op Bush, die toestaat dat “topmanagers die alleen maar aan zichzelf denken een economie opbouwen met papier en premies in plaats van met personen en produkten.” Vice-president Dan Quayle heeft het zijne aan de kritiek toegevoegd, misschien omdat hij aanvoelt hoe kwetsbaar de regering door de aanhoudende recessie op dit punt is. Vorige maand maakte hij tijdens een lunch met de pers aanmerkingen op de “buitensporig hoge salarissen van sommige topmanagers die op geen enkele manier verband houden met de produktiviteit.” Hij zei dat hij de zaak misschien zou laten onderzoeken door de Concurrentieraad van het Witte Huis, waarvan hij voorzitter is.

De ondernemingen die op de reis van Bush zijn vertegenwoordigd, nemen het op voor hun bazen. Ze voeren aan dat het algemeen gebruikelijk is dat er hoge salarissen worden betaald en dat de topdirecteur van een gigant enorme verantwoordelijkheden heeft, die in tijden van tegenspoed alleen maar groter worden. Maurice Greenberg, de directeur van de American International Group in New York, kreeg vorig jaar een salaris van 1,75 miljoen dollar. Een woordvoerder zegt: “De vergoeding die hij ontvangt komt vrij goed overeen met zijn positie, het bedrijf, zijn prestaties en zijn succes.” Het bedrijf is het onder Greenberg veel beter gaan doen, dus eigenlijk wordt hij onderbetaald, voegt hij er nog aan toe.

In de delegatie met de hoge inkomens zitten ook C. J. Silas, president-directeur van Philips Petroleum, die vorig jaar een salaris kreeg van meer dan vier miljoen dollar. James D. Robinson III van American Express, met een totaalsalaris van bijna 3,5 miljoen dollar, president-directeur B. F. Dolan van Textron, die 2,59 miljoen verdiende, Dexter Baker, president van Air Products & Chemicals, die 1,09 miljoen dollar kreeg, en de president van TRW, Joseph Gorman, die een basissalaris kreeg van 1,09 miljoen dollar en daarmee drie procent achteruit ging. Verder zijn er nog een aantal voormalige topmensen die nog een vorstelijk inkomen overhouden aan hun commissariaten, een paar minder hoge managers, en wat vertegenwoordigers van privé-ondernemingen.

In Japan krijgen managers voor een deel minder betaald omdat ze meestal van binnen het bedrijf komen en er belang bij hebben dat de verschillen in salaris niet al te groot zijn. In de Verenigde Staten gaat dat anders. Topmanagers zitten in elkaars raad van bestuur en doen volgens sommigen niets anders dan elkaars zakken vullen met geld van de aandeelhouders. “Hoe brutaler je bent, hoe meer je in de Verenigde Staten verdient”, zegt Ralph Whitworth, voorzitter van de in Washington gevestigde Bond van Verenigde Aandeelhouders. Onder druk van deze bond, in 1986 opgericht door T. Boone Pickens, die enkele vijandige overnames op zijn naam heeft staan, hebben sommige bedrijven hun beleid gewijzigd zodat de salarissen nu de prestaties van zowel directeur als bedrijf weerspiegelen. Maar niet iedereen vindt dat Amerika hierin de kant van Japan op moet gaan. Omdat hun salaris laag is, verwachten Japanse topmanagers vaak een extravagante onkostenvergoeding en dure cadeaus. Sommigen laten zich zelfs verleiden tot het aannemen van steekpenningen van leveranciers, of regelen iets met aandelen.

Bijna iedereen is het erover eens dat de verschillen in beloning het gevolg zijn van culturele verschillen. De Japanners met hun zin voor maatschappelijke harmonie hebben “het altijd ongepast gevonden dat iemand die deel uitmaakt van een groep veel meer verdient dan de rest”, zegt Gerald Williams, manager van de Japanse vestiging van Towers Perrin, een personeelsadviesbureau. Maar in de Verenigde Staten probeert ieder voor zich het goud te veroveren. “Daarom is er hier particulier initiatief”, zegt Mark Abramson, voorzitter van de Raad voor Superieur Bestuur, een organisatie die ijvert voor het verkleinen van salarisverschillen tussen ambtenaren en werknemers in het bedrijfsleven. “Dat heeft dit land groot gemaakt.”

© The Wall Street Journal

Foto: Zittend van links naar rechts in het Witte Huis aan de vooravond van president Bush' reis naar het Verre Oosten: Lee Iacocca (ChryslGalvin (Motorola) en Robert Stempel (General Motors). (Foto EPA)