Het requiem van Verdamme

Een fatsoenlijk man sterft als een kat - in stilte. Hij trekt de dekens over zijn hoofd, blaast zijn laatste adem uit en laat de rest aan God over.

Dit schreef de meest fameuze columnist van Nederland op zekere dag in zijn krant. Hij noemde me een armzalige kankerlijder, een huilerige broodschrijver. Hij kende me niet, hij wilde me niet kennen, hij wenste van mijn intimiteiten verschoond te blijven. Mijn dood liet hem even onverschillig als de kwaliteit van mijn ontlasting. Mijn dood leek hem minder tragisch dan het verzuipen van de eerste de beste boer bij een wervelstorm in de Golf van Bengalen. Mijn dood, voorspelde hij, zou de mensheid niet beroeren.

Verdamme Verdamme, had hij boven zijn stukje gezet. Dat vond ik natuurlijk ontzettend geestig.

Nu barst het in Nederland van de columnisten en ze moeten allemaal wat te doen hebben. Verscheidenen van hen hadden met de meest fameuze nog een rekening te vereffenen. En met hèn hadden weer anderen nog een rekening te vereffenen. Dus binnen de kortste keren zinderden de media van lof en verguizing. Al gauw bereikte de discussie de staat van hysterie, die in Nederland het allerhoogste intellect activeert. Bij ons wordt een zaak pas serieus genomen als ze voldoende kenmerken vertoont van een dorpsrel - dergelijke dingen bedacht ik om mij in dit geweld staande te houden.

Het spreekt vanzelf dat deze mannen niets anders dan hun eigen roem voor ogen stond, maar al doende vestigden ze de mijne. En natuurlijk spekten ze door hun eigen bankrekening te spekken vooral die van mij; in deze periode kwam de eerste uitgever op de proppen met het aanbod mijn afscheid van deze wereld in boekvorm te gieten. Wat allemaal niet wegnam dat het nogal zeer deed. Er vlogen over mij en mijn manier van verscheiden allerlei opvattingen over tafel waarop ik totaal geen greep had. Jezus, dat tuig ging er met mijn verhaal vandoor!

De oplossing was eenvoudig. Ik hoefde, in wielertermen gesproken, alleen maar een tandje bij te zetten. Dit was het moment voor een flitsende demarrage. Zo werd me althans te verstaan gegeven door Guus Liguster.

Hij zette een fles kostbare cognac op tafel, hing zijn regenjas over een stoel en wreef zich in zijn handen alsof hij ze stond te wassen. Daarbij keek hij me listig aan. ""Hoe is het hier?'' vroeg hij.

""Best hoor. En bij jullie?''

""Ook best. Boven verwachting eigenlijk. De losse verkoop gaat met sprongen vooruit en dat is helemaal aan jou te danken...'' Guus grijnsde. Hij kneep zijn ogen toe, nam me nog eens keurend op en besloot toen maar met de deur in huis te vallen. ""Het moet anders, Verdamme!''

""Anders?''

""Want dat je een kleuter bent geweest'', zei hij, ""dat je een pappie en een mammie hebt gehad, dat je misschien wel wat moois van je leven had willen maken, dat je het werkelijk niet kunt helpen dat je de klootzak bent geworden die je geworden bent, dat weten we nou allemaal wel. Nou willen we pijn, Verdamme. Pijn, bloed, stront, het kan niet verdommen wat, als het maar met de dood te maken heeft. Je moet ophouden met sterven in schoonheid, Verdamme. Als ik een stervende zwaan wil zien, ga ik wel naar de schouwburg. Van jou wil ik werkelijkheid. Alsof er een kogel door je donder gaat. Alsof er een bajonet in je maag gestoken wordt. Alsof het vel van je kop wordt gestroopt. De werkelijkheid, Verdamme. Pijn! Je hebt toch wel ergens pijn, mag ik hopen?''

""Natuurlijk wel'', zei ik, terwijl ik zwakjes over mijn maag wreef.

Diezelfde dag nog ben ik in de boekwinkel Sterven aan huis gaan halen, een handleiding voor de laatste verzorging van onze dierbaren.

(wordt vervolgd)