Het moorse erfgoed en de Spaanse identiteit; Dromen van al-Andalus

Eergisteren was het precies vijfhonderd jaar geleden dat de laatste Arabische stad van Spanje weer in christelijke handen viel. De verovering van Granada luidde een nieuw tijdperk in. Daarna ging het snel: de verdrijving van de joden, de ontdekking van Amerika, de inquisitie, de vestiging van een wereldrijk. Maar aan het begin van het herdenkingsjaar 1992 treurt men in Zuid-Spanje vooral om het verlorengaan van al-Andalus.

Wie met de auto uit het noorden komt en Granada binnenrijdt, kan het niet missen. Aan zijn linkerhand, terwijl de weg scherp daalt in de richting van de stad, ligt een nieuwe villawijk die blikkert in de winterzon. Zo wit als de sneeuw van de Sierra Nevada in de verte. Zo duur dat alleen degenen die het meest geprofiteerd hebben van Spanjes economische boom er één van de honderdvijfendertig geschakelde huizen kunnen betrekken. En voorzien van koepeldaken, boogvensters en minaretten alsof het geen 1992 maar vijf eeuwen vroeger is.

"Wij maken uw geheime dromen waar', adverteert de bouwonderneming die de nieuwe wijk neerzette. Het project is bijna uitverkocht. Vijfhonderd jaar nadat de katholieke koningen de laatste stad van christelijk Europa op de heidenen heroverden, droomt Granada niet van Engelse mist, Parijse bohème, Brussels lof of Amsterdamse spruitjeslucht maar van zijn eigen, Arabische verleden. Van een tijdperk waarin kunst en wetenschap bloeiden en joden, moren en christenen in harmonie samenleefden onder het milde schijnsel van de halve maan.

Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië zouden vanuit hun praalgraven niet zo tevreden naar het plafond staren, als ze wisten hoe gemengd de gevoelens zijn waarmee tegenwoordig in Andalusië over hun grootse onderneming wordt gedacht. Eergisteren was het 2 januari, de dag waarop koning Boabdil hun de sleutels van de stad overhandigde. Als gebruikelijk marcheerde er een delegatie van burgerlijke en militaire hoogwaardigheidsbekleders in optocht naar de kathedraal om er eer te bewijzen aan het koninklijk paar, dat in 1492 niet alleen de reconquista voltooide, maar nog in datzelfde jaar een decreet uitvaardigde dat de verdrijving van de joden uit Spanje beval en Columbus wegstuurde om een nieuwe route naar Indië te ontdekken.

Eeuwenlang is 2 januari als een feestdag beschouwd. Sinds een jaar of tien zijn de besturen van staat, provincie en gemeente echter nogal beducht voor de datum geraakt. Wethouders weigerden er bij aanwezig te zijn, immigrantenorganisaties hekelden het racistische karakter van de historische gebeurtenis. "Drie volkeren, drie culturen', is dan ook het wel heel voorzichtige motto dat Granada dit jaar voor de onvermijdelijke activiteiten rond het vijfde eeuwfeest heeft bedacht. In maart gaat binnen de muren van het Alhambra een grote tentoonstelling open die de rijkdom van de Arabische wereld in al zijn facetten moet tonen. De overwinning op de islam wordt niet meer gevierd als het begin van een nieuw tijdperk, waarin Spanje een wereldrijk zou worden. Zij wordt vooral betreurd als het einde van een kostbare bloeiperiode in de geschiedenis van Andalusië, als de teloorgang van al-Andalus.

De stemming was dan ook ronduit grimmig in de autobus die eergisteren in alle vroegte uit Madrid vertrok om Granada opnieuw voor de christenheid op te eisen. "Géén schuldgevoelens!' was het motto waaronder de extreem-rechtse vereniging Bernal Diaz del Castillo (genoemd naar een edelman die deelnam aan de verovering van Amerika) had opgeroepen tot een grootscheepse demonstratie in de straten van Granada. De "positieve aspecten' van de reconquista moesten daarbij naar voren worden gehaald en de "onwaardige houding van de autoriteiten ten aanzien van ons verleden' aan de kaak gesteld. De vereniging spreekt in pamfletten en folders haar afschuw uit over ""de bekrompen politici, degenen die verliefd zijn op alles wat vreemd is en die onze eigen cultuur ontkennen''. Bij aankomst in Granada werd het kleine clubje rechtse patriotten, niet meer dan een man of vijftig, opgewacht door een op alles voorbereide politiemacht. Niet zozeer omdat de gemeente een rechtstreeks treffen vreesde, maar vooral om hen uit de buurt te houden van andere demonstraties.

Ook de islamitische Andalusiërs, verenigd in de Yama Islamica al-Andalus, waren namelijk de straat opgegaan om hun eigen accent aan de dag te geven. Zij betoogden tegen het verloren gaan van de tolerantie die het Arabische bewind zou hebben gekenmerkt en tegen de overal in Europa, en dus ook in Andalusië, toenemende vijandigheid tegenover immigranten uit Noord-Afrika.

De nationalistische actiegroep Identidad Andaluza, waarin verschillende politieke stromingen vertegenwoordigd zijn, legde eveneens de nadruk op de tolerantie als kenmerk van het moorse bewind en daarmee van de Andalusische nationale identiteit. Zij had een sobere plechtigheid met een lezing door een bekend historicus georganiseerd op de plek, even buiten de stad, waar Ferdinand en Isabella de sleutels in ontvangst hebben genomen. Dank zij de inzet van de machtige arm bleven incidenten achterwege.

Stempel

Al lang voor de argeloze reiziger bij het naderen van Granada het witte dorp heeft gezien, moet hem duidelijk zijn geworden dat bijna acht eeuwen Arabische heerschappij een stevig stempel op Andalusië hebben gedrukt. Ook het noorden van Spanje is moors geweest, maar niet zo lang. Karel Martel in Zuid-Frankrijk en de mythische koning Pelayo in Asturië hadden al halverwege de achtste eeuw de opmars gestuit van de Arabische legers, die in 711 op het Iberische schiereiland waren geland en in het wankele Westgotische rijk aanvankelijk een makkelijk slachtoffer hadden gevonden. In een stad als Madrid (al-Majrit) is van moorse invloed tegenwoordig al even weinig te merken als in Burgos, Santiago of San Sebastian. Maar in het noorden van de huidige provincie Andalusië zijn de huizen nog steeds witgekalkt zoals in Noord-Afrika en heten de dorpen Medina en Iznataraf, precies zoals ze ten tijde van de moren werden genoemd.

Zijn faam dankt het moorse rijk, dat tot halverwege de dertiende eeuw de hele zuidelijke helft van Spanje omvatte, aan een culturele bloei die tot uiting kwam in de vertaling van klassieke teksten uit het Grieks, de beoefening van de wiskunde en de astronomie, de bouw van paleizen en steden die om hun schoonheid in de hele wereld roem genoten. De Arabieren introduceerden irrigatietechnieken die tot in deze eeuw werden gebruikt en ze vestigden een economie die op het geldverkeer was gebaseerd en niet, zoals voorheen, op de afdracht van goederen en op ruilhandel.

Voorzover ze van godsdienstige smetten vrij waren, namen de christelijke heersers de vernieuwingen van hun voorgangers gewoon over. Het katholieke Andalusië is, soms letterlijk, op de fundamenten van de islamistische cultuur gebouwd. Of er middenin, zoals in het geval van de mezquita van Cordoba: een vrijwel intacte moskee die met relatief eenvoudige ingrepen in een kathedraal is veranderd.

De islamieten zelf overkwam iets dergelijks. Aanvankelijk werd hun na de val van Granada nog enige vrijheid gegund, zoals ook Boabdil niet verjaagd en vernederd werd, maar nog bijna twee jaar in de buurt van zijn voormalige residentie woonde voor hij, uit vrije wil, zijn laatste bezittingen verkocht en met zijn hof naar Marokko overstak. De achtergebleven islamieten werden eerst gedwongen zich te bekeren en, na een mislukte opstand, vanaf het jaar 1500 in kleine groepen over de rest van Spanje verspreid. Daar zijn ze nog lang als moriscos nagewezen en gediscrimineerd. De huizen en landerijen die ze hadden moeten achterlaten, zijn door immigranten uit het noorden overgenomen. De huidige Andalusiërs zijn dan ook geen afstammelingen van de Arabieren. Wanneer regionale nationalisten hun identiteit nu aan het Arabische verleden ontlenen, heeft dat meer met identificatie dan met bloed en bodem van doen.

Geschiedschrijving

Een vereenzelviging met de hoofdfiguren en hun doeleinden heeft niet alleen de politieke en maatschappelijke denkbeelden over "1492' ingrijpend beïnvloed, maar ook de geschiedschrijving. Hoewel al honderd jaar na dato een boek werd gepubliceerd dat geschiedkundige pretenties had en de val van Granada uit het perspectief van de moren trachtte te beschrijven - Guerras civiles de Granada van Gines Perez de Hita - gingen de meeste Spaanse historici er tot voor kort van uit dat de verdrijving van de islamistische bezetters niet alleen onvermijdelijk maar ook zeer wenselijk was geweest. De verheerlijking van het Arabische verleden lieten ze over aan de dichters van volksliedjes en aan romantische literatoren uit het buitenland - zoals Chateaubriand, Hugo, Merimée, Musset en Washington Irving. Vreugde om de eenwording en herkerstening van Spanje bepaalde het perspectief.

Het hoge peil van beschaving dat Andalusië onder de Arabieren bereikte, werd intussen niet ontkend en is zeker de laatste honderd jaar ook ijverig bestudeerd. Maar tegelijkertijd deed de theorie opgeld dat het niet aan de vreemdelingen maar aan het land zelf en zijn oorspronkelijke bewoners te danken was geweest dat de cultuur er zo'n hoge vlucht kon nemen. Zuid-Spanje zou in al die eeuwen niet geïslamiseerd zijn. Integendeel: het waren de Arabieren die hispaniseerden zodra ze er voet aan wal hadden gezet. Het bewijs? Eenmaal terug in Afrika hebben ze op het gebied van de wetenschap, de kunsten of de staatsinrichting nooit meer iets gepresteerd dat ons versteld heeft doen staan. Hun beschaving raakte in verval, terwijl de Spanjaarden een nieuwe wereld gingen ontdekken.

Deze stelling sloot uiteraard uitstekend aan bij de opvattingen van de geestelijke en wereldlijke heersers in Spanje, van de kerk en de autoritaire staat. Dat onafscheidelijke tweetal verloor echter een groot deel van zijn invloed met de dood van generaal Franco, de dictator die, paradoxaal genoeg, met behulp van zijn Arabische troepen de macht veroverde en daarmee het cliché van de wrede moorse krijgsman weer even nieuw leven inblies. Claudio Sanchez-Albornoz was vermoedelijk één van de laatste grote geleerden die een intense belangstelling voor de islamitische beschaving in Spanje wisten te verbinden met een strenge afwijzing van de islam. Vlak voor zijn dood schreef hij een klein boekje dat als een woedend uitroepteken fungeert achter de vuistdikke delen van zijn verzamelde cultuurhistorische beschouwingen, die nog altijd worden gelezen en herdrukt. Het in 1983 verschenen De la Andalucia islamica a la de hoy is een schotschrift waarin de 89-jarige mediaevist een dam probeert op te werpen tegen de "islamisering van Andalusië' die hij tot zijn afgrijzen constateert.

Sanchez-Albornoz richt zijn woede vooral op de Andalusiërs die zich ""laten verleiden door het islamitische verleden van hun geboortegrond en hun Spaansheid in twijfel trekken''. Niet alleen hebben de Arabieren de rijkdom van de romaans-Westgotische cultuur vernietigd, wanneer zij aan de macht waren gebleven zou Andalusië nu net zo achterlijk als de Maghreb zijn. De kaliefen hadden immers geen enkel begrip voor de rechten van de individuele mens, die beslissend zijn geweest voor de opkomst en bloei van de christelijke beschaving.

Dat de kaliefen tegenwoordig alom wegens hun tolerantie worden geroemd was wellicht de grootste doorn in het oog van de hoogbejaarde geleerde, die kort na de publikatie van zijn hartekreet overleed. Sanchez-Albornoz wijst op de wrede onderdrukking van opstanden, de gewoonte om de hoofden van overwonnen tegenstanders als versiering voor straat en tuin te gebruiken, de slavernij, de onderworpen positie van de vrouw en de algemene verbreiding van ""perversiteiten zoals de homoseksualiteit''. De Granadijnse koning Abd Allah bekende zelfs dat hij zeker tien keer per dag de liefde moest bedrijven. ""Vrouwen van het Andalusië van vandaag, zouden jullie werkelijk lustobject in de harem van een kalief willen zijn? Willen jullie terug naar de slavenmarkt?'' vraagt de schrijver aan zijn ""vriendinnen die de islam zo zeggen te waarderen''.

Niet meer interessant

Sanchez-Albernoz was geen slecht wetenschapsman, maar zijn visie doet vandaag de dag nauwelijks meer terzake. ""De vraag of de maatschappij van al-Andalus nu wel of niet tolerant was, wordt in wetenschappelijke kring niet meer interessant gevonden. De politiek heeft zich van dat thema meester gemaakt en het komt de politici op dit moment het beste uit om de vraag met "ja' te beantwoorden.'' Dr. Antonio Vallejo zegt het niet zonder ironie, maar ook enigszins afwezig. Hij heeft wel iets anders aan zijn hoofd. Vallejo is directeur van het paleis van Medina Azahara, een complex even buiten Cordoba waar al vanaf 1911 opgravingen worden verricht, en organiseert jaarlijks een groot congres voor specialisten op het gebied van de islamistische geschiedenis. De belangstelling voor die geschiedenis groeit enorm.

""We hebben de conjunctuur mee en, natuurlijk, ook het politieke klimaat'', zegt Vallejo. Het debat over islamisering versus hispanisering flakkert nog wel wat na, maar is toch wel grotendeels in het voordeel van de eerste optie beslist. De Arabieren werden niet door Spanje geabsorbeerd, de Spanjaarden assimileerden eerder de cultuur van hun overheersers. Wat ons nu echter veel meer interesseert zijn zaken als de verhouding tussen stad en land of het beeld dat de macht in het dagelijks leven van zichzelf gaf. Pas als we betrouwbare gegevens hebben over de manier waarop de samenleving was georganiseerd, kunnen we weer proberen een antwoord te geven op de grote vraag: waarom heeft een maatschappij, die belastingen en andere vormen van geldverkeer introduceerde, zich niet in de richting van het kapitalisme ontwikkeld, terwijl onze feodale middeleeuwen dat wel hebben gedaan?''

Vallejo's eigen Medina Azahara, dat in 936 door Abdelrahman III werd gebouwd, komt slechts gedeeltelijk tegemoet aan de wensen van de moderne onderzoekers. De omstandigheid dat het al vroeg werd verwoest en verlaten, heeft het behoed voor de eindeloze verbouwingen die van het Alhambra niet veel authentieks meer hebben overgelaten. Maar het bouwwerk geeft slechts één kant van het verhaal, dat van de machthebbers. ""Medina Azahara was het eerste grote symbool van het nieuwe bewind, zoals de moskee van Cordoba het eerste symbool van de nieuwe godsdienst was'', zegt Vallejo. ""Symbolen zijn natuurlijk waardevol, maar ze maken onze nieuwsgierigheid naar de werkelijkheid waarin ze een rol speelden alleen maar groter.''

Wind mee

Ergens tussen de wetenschap en de politiek ligt de benadering van het in Madrid gevestigde Instituut voor de Islamitische Cultuur, dat tien jaar geleden werd opgericht door enkele Spaanse intellectuelen, onder wie de antropoloog Julio Caro Baroja. Het is een instelling die zich ten doel stelt de rijkdom van het islamitische verleden onder de aandacht van de hedendaagse Spanjaard te brengen en heeft dus de wind in ieder opzicht mee. Dat blijkt uit donaties van banken, gemeenteraden, de nationale overheid, de Europese Gemeenschap, de Europese Commissie en de Verenigde Naties.

De Golf-oorlog heeft de nieuwsgierigheid naar de Arabische wereld alleen maar groter gemaakt, net als de financieringsbereidheid bij een overheid die hoopt door culturele toenadering weer iets aan de onder druk gezette betrekkingen met het Midden-Oosten te kunnen verbeteren. Dat meent althans prof. Cherif Jah Abdelrahman (geen familie, voorzover bekend), die directeur is van het instituut. De wetenschappelijke congressen en publikaties die hij bevordert, maar vooral de op een groter publiek gerichte uitgaven dienen niet in de eerste plaats een kritische benadering van het verleden. Een boekje over de gastronomie van al-Andalus eindigt bijvoorbeeld met de conclusie dat ""de geest van tolerantie, die zo vreemd is aan onze tijd, voor het grootste deel te danken was aan de regels van de islam'' en dat ""deze vruchtbare periode in de geschiedenis'' werd gekenmerkt door ""politieke en economische vooruitgang, liefde voor het leven en alle goede dingen die de natuur ons te bieden heeft, maar vooral een respectvolle acceptatie van de ander, ondanks zijn anders-zijn.''

""Ik geloof niet dat we de zaken idealiseren'', meent nochtans prof. Abdelrachman. ""Maar het zou kunnen zijn, dat we gezien het onrecht dat ons eeuwenlang is aangedaan af en toe te veel ons best doen de zaken in het juiste licht te zetten. We beseffen dat het huidige klimaat, waarin afwijkende meningen en levensopvattingen weer een kans krijgen, geheel en al te danken is aan het sociaal-politieke fenomeen van de vreedzame overgang naar de democratie in Spanje. Het land is op grond van zijn historie en zijn cultuur voorbestemd om als middelaar te dienen tussen Europa en de Arabische wereld. De vredesconferentie van Madrid was slechts een eerste stap.''

"Ontdekkingen'

Als een eerste stap, zo zag ook de huidige Spaanse regering die vredesconferentie. De vraag is alleen, in welke richting. Was het werkelijk de bedoeling om meer toenadering tot de Arabieren te krijgen? Of ging het erom het respect van de Westerse wereld te verwerven? Diezelfde vragen kunnen gesteld worden ten aanzien van een groot aantal herdenkingsactiviteiten die in het zojuist begonnen jaar worden georganiseerd, zij het dat dan een enkele keer het woord "Arabieren' door "Latijns-Amerikanen' vervangen moet worden. De Wereldtentoonstelling van Sevilla heeft als thema "Ontdekkingen', maar koketteert in haar aankleding ook met het oosterse verleden van de stad. Bij de opening zal in ieder geval de burgemeester naar dat verleden verwijzen. Hij is tenslotte vertegenwoordiger van de nationalistische Partido Andalucista, een partij die volgens hardnekkige geruchten onder meer met geld uit Libië en Saoedi-Arabië is gefinancierd.

Maar terwijl overal in Andalusië bungalows en flatgebouwen in "moorse stijl' verrijzen en geen snackbar of biljartvereninging het meer kan stellen zonder een "authentieke' Arabische naam, is vorig jaar de visumplicht voor bewoners van de Maghreb-landen ingesteld en liep op 10 december de periode af waarin illegale gastarbeiders de kans hadden hun verblijf in Spanje alsnog te legaliseren.

Spanje heeft zich hechter dan ooit sinds 1492 in Europa verankerd en aanvaardt zonder morren zijn taak als bewaker van de grens met Afrika. Franco kon beter met Nasser overweg dan Gonzalez met Mubarak. Dat tegelijkertijd de nostalgie naar het moorse verleden zo'n bloei doormaakt, is daarme slechts schijnbaar in tegenspraak. Ze past zelfs wel in het pragmatische tijdperk van de anti-ideologie. De droom van al- Andalus is er een zonder Arabieren, en dus zonder gevaren. Het is een utopie die in het verleden ligt.