Hello again

"Nee', zei de man met het manke been, ""dat zal moeilijk worden.''

""Maar'', zei ik, ""gisteren hadden we de auto besteld, via de goud- en zilverwinkel. Hij zou morgen om tien uur klaar staan, een Peugeot 504 pick-up (dat Peugeot had ik wel kunnen weglaten - 90 procent van Egypte rijdt in een Peugeot).''

Nee, die was jammer genoeg al aan iemand anders meegegeven. ""Maar luister 's, waar gaat de reis naar toe?''

""Naar Luxor. Drie dagen.''

""Luxor? Dan neemt u toch gewoon een auto met chauffeur? Da's veel goedkoper ook nog.'' Hij rekende het voor.

""Ok'', zei ik, ""met chauffeur dan. Laat hij ons maar komen ophalen in ons hotel.''

""Nou'', zei de man, ""dat is beter van niet. U weet hoe hotels zijn. Nee, komt u maar gewoon om tien uur. Hier.''

De volgende ochtend werden we aan twee mannen voorgesteld. De eigenaar van de auto, tevens tolk, plus de chauffeur, zijn broer. De eigenaar was een slungelige jongeman met een dazzling smile, althans de eerste minuut. De broer was donker, zwijgzaam en heel groot. Hij droeg een leren jack.

""Eerst even langs het postkantoor'', beval ik, want de Nederlandse PTT geeft daar, via de blauwe kaart, Egyptische ponden af. Ik liep eerst de afdeling sorteren binnen waar ik hartelijk begroet werd. ""Kom verder!'' Maar de bijrijder haalde me terug. Andere ingang. Rij loketten. Ik woof naar een lokettiste met de girobetaalkaart. Daar in de hoek, wees ze. In een apart getralied vertrek zat een mevrouw achter 100 vellen postzegels. Ze instrueerde me wat ik moest invullen en gaf daarna het biljet plus paspoort plus pasje aan een chef achter een nog hogere stapel. De chef pakte een verfomfaaid stapeltje uit een la, met een elastiekje erom. Dit waren 500 EL. ""Geef me 30 piaster'', zei hij. Ik gaf 50 en kreeg twee postzegels van tien terug. Kleine biljetten en munten zijn schaars in Egypte. Ik telde na. Allemaal tien pond-biljetten. Ik dankte allen, pakte de boel bijeen en ging naar buiten. Bij de auto zag ik dat ik mijn girobiljet nog had. Omdat ik in den vreemde de ambassadeur van Nederland ben, keerde ik terug. Men was opgetogen.

We reden eerst langs de kust zuidwaarts. De bijrijder keerde zich vrolijk om. Hoe we heetten. Nu hadden we dat gedoe al eerder gehad. Alle winkeliers roepen eerst Hello, Excuse me, Come in please, Where you from, en ten slotte, als je een van die vragen hebt beantwoord, What your name. In het begin denk je: ach wat aardig en je zegt je naam, maar het is louter bindmiddel om je langer in de winkel te houden, liefst op een stoel met thee, fez op je hoofd, dus we waren gewaarschuwd. We gaven zelfs verkeerde namen op.

Na tien minuten verdomde ik het verder te converseren in de trant van "Amstèrdam?' (de s na de m kan niet worden uitgesproken: dus ook Rammeses). Amstèrdam good city? Big? Many people? Good weather? What you do? You like Egypt? En als je dan ja zei, kwam er "senks!' Je moet, kortom, nogal bot zijn, anders zit je de volle drieëneenhalf uur naar Luxor te kwaken.

De benzine bleek niet duur: 65 cent de liter. Wel laag octaan, want de auto pingelde flink, een bijna vergeten geluid. Bij Qena kwamen we de eastern desert uit en de Nijlvallei in, precies als verwacht: groen, weelderig, veel mensen. ""You like?'' vroeg de bijrijder. ""Yes''. ""Senks''. ""Die man wordt binnenkort vermoord'', zei ik tegen mijn reisgenoot.

Vlak na Qena was er een wegomlegging vanwege een ongeluk. We moesten rechtsaf, het kanaal over. Een jongetje van een jaar of twaalf regelde het verkeer. Hij legde de chauffeur uit wat er was en keek even door de achterruit tijdens de uitleg. Een enorme glimlach trok een moment over zijn gezicht toen hij ons ontwaarde, zo stralend dat hij me nog lang zal bijblijven. Het gezicht van Egypte is vrolijk.

In Luxor vervoegden we ons bij het "Summer and Winter Palace', zoals de bijrijder het noemde. Er was nergens plaats. Ik legde een biljet op de balie en vroeg een klerk wat rond te bellen. De desk manager werd erbij gehaald. Hij belde één hotel, maar schoof het geld terug. Of we even konden wachten, op de bank. Zo konden we even rondkijken in dit fantastische hotel uit het Britse imperium. Wachters in rode tunieken, dragers in de gele djellabbah, obers in zwart met goud.

Even later verliet de manager de desk en riep me terzijde. ""Ik heb een flat'', zei hij. ""Clean, in the middle of town. You want?'' We deden het en reden achter zijn zoon aan, die ons op de fiets kwam halen. Het was in een oude wijk zuid van het station en de rails. Hier nergens meer toeristen, maar alleen een kakofonie van ezeldrijvers, koetsjes, motorfietsen met wel zes man erop en handkarren. Smederijen, schoenmakers, strijkerijen, drukkers, alles op straat. ""You like Luxor?'' ""Yes''. ""Senks.''

Die avond naar de son et lumière in Karnak en de volgende dag, na gewekt te zijn door vier soorten straatventers, naar de Koningsvallei, koningsgraven bezoeken. Op de berg tussen de twee valleien staan verkopers die de vermoeide toerist pakken als hij uitgeput van steen op steen stapt. ""You like scarabee? Not expensive. Twenty pounds yes? No? How much you say? Where you come from? Excuse me? Hé! Hello!'' De scarabee van twintig pond is later in Luxor te koop voor 50 piasters, veertig keer zo weinig. Afdingen hoort hier, maar het is niet gemakkelijk. Er hoort doorlopen bij en geen antwoord geven. Hoewel veel kinderen om baksjisj vragen - met een wijsvinger in de andere handpalm krabbend: geld - zijn ze opgewekt en zeggen ook veel Hello, waarbij de toerist als Hello-automaat gebruikt wordt. Je gooit er Hello in en je krijgt er Hello uit, een eeuwig en onderhoudend spel voor de jeugd hier. De beste groet, vooral tegen ouderen, is Salaam Aleikum, waarbij de rechterhand omhoog wordt gebracht naast het hoofd, vrijwel in een militaire groet, zoals generaals groeten. Het kapt tevens Excuse me etc. af.

Wat steeds opvalt is de vrolijkheid en de vriendelijkheid in Egypte. Goed, ze proberen je soms af te zetten, tien pond voor een koetsrit van een pond, maar ze zijn aardig. We keken bij een bakkerij binnen en kregen een vers rond brood voor niets. Ook vaak thee. Vrijwel iedereen loopt in authentieke kleding, jurk, hoofddoeken, sloffen. Waardige en mooie gezichten.

Op de terugweg deden we Qena wat langer aan. Ik bezocht er een barbier, om me te laten scheren, en we aten een straatbroodje, met groente en falaffel. Live dangerously. Eenmaal in de woestijn viel ons weer op hoe de militaire posten gecamoufleerd waren: hardgeel of oranje. Mijlenver zichtbaar. Het toeteren wat iedereen hier doet - onze toeter zat op de een of andere manier vast aan de achterruit want bij elke claxonstoot leek het of er iemand op de achterruit tikte met een steen - maakte in het donker plaats voor knippen met de lichten, waarbij zowel de tegenligger als jezelf om beurten groot licht geeft en het licht volledig dooft, soms met de knipperlichten aan. In bochten vaak een spookhuis-kermiseffect.

In Hurghada vroeg de bijrijder om baksjisj, en of de chauffeur goed reed. Nee dus. ""Yes'', zei ik, om er af te zijn. ""Senks!''