Geen evenwicht in Europa zonder Atlantische component

Het Europa 1992 is aangebroken, maar de afgelopen zes maanden hebben geleerd dat de invloed van kleinere lidstaten kleiner wordt naarmate Europa groter wordt. De afgelopen jaren is Europa voor België, Nederland en Luxemburg een steeds groter begrip geworden. Na de oorlog was de Benelux model voor Europese samenwerking: de nucleus van de EG. De drie kleine landen gaven voorbeelden, grotere mogendheden volgden. Ook in de EG van de Zes was de invloed nog groot, dignitarissen uit Benelux-landen vervulden hoge posten. In de EG van de Twaalf is hun relatieve gewicht sterk verminderd, en deze wordt minder naarmate de EG zich uitbreidt.

De EG van vijftien of meer staten zal draaien om de as tussen Berlijn en Parijs (met zijtakken naar Rome en Londen), de vele kleine lidstaten mogen meedansen in het concert der Groten. Het nemen van besluiten wordt in een grote EG steeds moeilijker, dus zullen grote staten van tevoren de route uitzetten. In de kwantitatieve verandering van de Europa schuilt ook een kwalitatieve. Het zwaartepunt van de EG verschuift van Frankrijk naar Duitsland. Vóór de Duitse vereniging was Frankrijk het kernland van Europa, vaak samengevat met het adagium: La France c'est L'Europe, en omgekeerd. Duitsland was een rijk, maar een politiek gehandicapte staat want Duitsland was gedeeld. Bonn zocht voor zijn Ostpolitik - en het lot van zijn Landsleute in de "DDR' - steun in West-Europa. Die tijd is definitief voorbij. Duitsland is verenigd, zelfbewust en dus niet meer die twijfelende Bondsrepubliek van voorheen. Bonn erkent als eerste Slovenië en Kroatië. De vroegere Bondsrepubliek zou terugschrikken voor wat de buren zouden zien als een Alleingang.

Duitsland zal steeds meer optreden als mogendheid met belangen. Economische macht zal Duitsland ook meer politieke macht brengen. Nu is het al zo dat de munteenheden van de buurlanden zijn gekoppeld aan de D-mark. In België is dat officiële politiek. In Nederland ook, al zegt men liever dat "de gulden de D-mark volgt'. In feite ontstaat er een D-markzone die voortdurend groter wordt. In een versnipperd Oost-Europa zullen de valuta van Tsjechoslowaken, Hongaren, Polen, Kroaten, Slovenen et cetera zich enten op de D-mark. Naarmate het Oosten van Europa verder uiteenvalt, zal het politieke gewicht van Duitsland toenemen. Duitsland is de motor van Europa: het zorgt voor de wielaandrijving. Een ecu zal er pas komen als de Duitsers zeker zijn dat deze identiek is aan hun D-mark. In het Europa van morgen is Duitsland de eisende partij.

De ratio van deze redenering is niet het oproepen van oude spookbeelden, of het aanwakkeren van anti-Duitse sentimenten. Het Europa van de Jalta-orde, met zijn overzichtelijkheid, zijn IJzeren Gordijn en ideologische confrontatie bestaat niet meer. Het oude continent trilt op een breukvlak der tijden waarin het oude verdwijnt zonder dat het nieuwe klaar is. De EG is een huis dat half af is, zijn bewoners zijn vaak besluiteloos terwijl Oost-Europa verbrokkelt, balkaniseert en verzinkt in economische misère.

In dit mozaïek is Duitsland een groot deel van de puzzel, zijn economische motor is onmisbaar. Oost-Europa komt niet uit het dal als het radarwerk tussen Rijn en Elbe (over enkele jaren tussen Rijn en Oder) hapert. Ook voor de Lage Landen zou dat funest zijn. Zij leven van de Duitse economie, zij voeren af en aan. Nederland en België zouden ontwikkelingslanden zijn als Duitsland een woestijngebied zou zijn geweest. Europa is ondenkbaar zonder Duitsland: wie terugvalt op ressentimenten leeft met de rug naar de toekomst. Dit betekent niet dat het verleden tot voetnoot wordt verklaard. Juist in het verleden heeft Duitsland getoond moeite te hebben met het hanteren van zijn economische macht. Daarom moet Duitsland een "Europese bedding' hebben, in de EG. En daarom moeten de Verenigde Staten betrokken blijven bij de veiligheid in Europa.

Het Europa van morgen - en dat is een Europa gedomineerd door grotere lidstaten - heeft zijn "checks and balances' nodig. Een bestel waarin macht wordt beperkt door tegenmacht, een bestel waarin Duitsland kan werken, maar niet ontsporen. In Europa kan niemand om de VS heen, de enig overgebleven supermogendheid. De VS kunnen matigen als Europa het zelf niet meer kan. De Amerikaanse invloed is nodig als die van "Europa' tekortschiet. Een evenwicht in Europa is ondenkbaar zonder Atlantische componenten.

Wie het Europa van nu wil begrijpen, moet zijn geschiedenis van voor de Tweede Wereldoorlog kennen. Dan worden de lijnen zichtbaar die nu weer scheiden of verenigen. Dan is ook duidelijk dat de Lage Landen min of meer weer in hun historische politieke positie liggen: tussen Engeland, Frankrijk, Duitsland (en niet meer het gehandicapte West-Duitsland). Tussen drie grote naties met een sterke cultuur, identiteit en herkenbare belangen. De EG betekent dat zij samenwerken: zij zijn invloedrijke lidstaten, maar ze gaan niet samen. Sommige belangen lopen parallel, maar andere niet. De Lage Landen moeten hun belangen behartigen temidden van de driehoek. Ze zijn draaischijf van handel, vervoer en dienstverlening. Op de interne markt moeten zij hun voordelen behouden, maar op politiek niveau worden zij steeds kleiner.

In die positie is het goed voorzichtig te zijn met het supranationalisme. Tot voor kort was dit een geloofsartikel: hoe meer bevoegdheden naar de EG, hoe beter. In het denken van Nederland en Belgie waren belangen van kleine landen veilig in de supranationale EG-structuren. Dat gold in het Europa van de Zes, niet meer in de EG van Twaalf of meer. In deze EG moet subsidiariteit voorop staan: de EG doet alleen wat lidstaten afzonderlijk niet kunnen.

Vooral Nederland is door het EG-voorzitterschap ontnuchterd. Lange tijd heeft Nederland in de waan geleefd door grotere landen te worden gezien als gelijke. Maar dat is niet zo: het EG-voorzitterschap was een nuttige les. Duitsland kijkt tegen Nederland aan, zoals Nederland aankijkt tegen Luxemburg. Nederland heeft nu ondervonden hoe grote lidstaten hun wil doordrukken. Het vreest nu terecht dat ook zijn sociale of culturele flora onder de grasmachine van de EG komt.

Nauwe samenwerking in Benelux-verband op het terrein van buitenlands beleid is dringend nodig. Belgie, Nederland en Luxemburg zijn te klein om nog apart te worden gehoord. Samenwerking in Benelux-verband heeft historie gemaakt, ooit sprak Paul Henri Spaak voor allen. Het is weer nodig, want in het Europa van na de Jalta-orde zullen de Lage Landen snel over het hoofd worden gezien als zij politiek profiel missen. Kleine landen kunnen de koers ten hoogste bijsturen, echter niet bepalen. Maar één die spreekt voor drie kleinen staat sterker dan drie kleinen die spreken voor zichzelf.

In Europa staan grotere belangen op het spel dan die waar kruidenierende politici benoorden de Moerdijk zich druk om maken of die waar Walen en Vlamingen zich blind op staren. Wie in Europa steeds wordt overstemd, verliest meer dan dan enkele centen of procenten. Wegkruipen in de schulp van de handelsnatie is niet mogelijk als handel een Europese zaak is, en over de quota in Brussel wordt beschikt.

Nederland-van-na-het-voorzitterschap zal een continentale zwaai moeten maken, en denken in termen van macht. Nederland kan zich niet terugtrekken achter de lijn Lobith-Wuustwezel: het zal in zijn politieke blikveld veel sterker naar het Oosten moeten kijken. De Benelux is daarbij belangrijker dan Nederland jarenlang vermocht in te zien. De Benelux kan een basis bieden om meer gewicht te krijgen dan de geografie van de Lage Landen doet vermoeden. Bijvoorbeeld om ambassades te kunnen financieren in de vele nieuwe staten die Oost-Europa telt. Wie in het Europa van morgen geen acte de presence geeft, geeft zijn bestaansrecht op.