'EZ frustreert hulp Oost-Europa'

De Nederlandse hulp aan het vroegere Oostblok is mager, de subsidieregels van Economische zaken zijn allesbehalve eenduidig. Menig ondernemer raakt gefrustreerd.

AMSTERDAM, 4 JAN. Een beoordelingsfout noemt Freek ten Herkel de afwijzing van het ministerie van economische zaken, dat uit de PSO-pot (Programma samenwerking Oost-Europa) geen geld beschikbaar stelde voor zijn Star Apple Project. Vijftig Tsjechische topmanagers liet Ten Herkel, directeur van Ten Herkel Consulting, vorig jaar in samenwerking met de Praagse Economische hogeschool een cursus geven. Nederlandse managers reisden ervoor naar de Tsjechische hoofdstad, waarna de Tsjechen veertien dagen naar Nederland gehaald werden voor de finishing touch. Tot de deelnemers behoorde het topmanagement van de grootste Tsjechische automobielfabriek Skoda Plzen. Het project had de zegen en de handtekening van president Vaclav Havel. Zestig procent van de managers kreeg na afloop van de cursus in Tsjechoslowakije een hogere baan, tachtig procent liet zich zeer lovend over de cursus uit.

Ten Herkel had vast gerekend op overheidssteun, maar zijn aanvraag werd niet gehonoreerd. Omdat hij zijn cursus al klaar had, vroeg hij steun bij het Nederlandse bedrijfsleven en zo lukte het hem toch ergens tussen een half en een heel miljoen gulden bij elkaar te sprokkelen en het project tot een goed einde te brengen.

Ten Herkel: “Het formele argument voor de weigering heb ik nooit te horen gekregen, wel kregen we na afloop van het project een bemoedigende brief van staatssecretaris Van Rooyen, die ons feliciteerde met ons succes.” Ten Herkel heeft inmiddels een tweede project op de plank liggen, The Art of Management, maar geld is er niet en van Economische Zaken zal het ook deze keer niet komen. “Tijdens ons eerste project waren er weinig richtlijnen. Deze keer kreeg ik te horen dat managementcursussen niet onder de bilaterale overeenkomst met Tsjechoslowakije vallen.”

Ten Herkel zit nu in de problemen. De Nederlandse bedrijven, die op zijn vorige verzoek positief hebben gereageerd, verwijzen inmiddels naar de subsidiemogelijkheden van de overheid. Economische Zaken heeft tot nu toe weinig of geen belangstelling getoond voor het Star Apple Project. Ten Herkel is er wat moedeloos van geworden. Zijn tweede cursus zal waarschijnlijk op de plank blijven liggen.

Ook professor P.J.D. Drenth, president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, heeft namens de KNAW een project ingediend voor het PSO-fonds. Voor vijf ton op jaarbasis wil de Academie gepromoveerde wetenschappers stage laten lopen in Nederland. Het hoeft niet veel te kosten, 10.000 à 15.000 gulden per persoon, en de Academie zorgt voor de opvang. De wetenschappers zouden niet alleen inhoudelijke bijscholing krijgen, maar ook opgeleid worden in project-management en research planning. Anderhalf jaar wacht de Academie nu al op antwoord uit Den Haag.

Drenth: “Het is een uitstekend programma, voor weinig geld veel output. We beschikken over alle contacten, we hebben alleen geen geld. Onze "gewone' reguliere uitwisseling met wetenschappers bestrijkt maar twintig dagen per jaar, dat is de moeite niet.”

Pag 4:

"Totale hulp Nederland absurd'

Professor Drenth signaleert bezorgd een massaal wegtrekken van de goede wetenschappers uit het voormalige Oostblok en de Sovjet-Unie. “In Amerika is een gigantisch gebrek aan professionals. Daarvan gaat een enorme aantrekkingskracht uit. Institutioneel gezien is dat een ramp. Het is van het grootste belang dat het intellectuele niveau in het Oostblok gehandhaafd blijft, want met name de vroegere Sovjet-Unie glijdt snel af naar het peil van de ontwikkelingslanden.”

Naast gezamenlijke injecties in EG- en NAVO-verband geven de meeste Europese landen op eigen houtje bilaterale hulp aan het voormalige Oostblok. Ze doen dat al naar gelang het belang dat ze hechten aan goede betrekkingen met de oosterburen. In 1991 trok de Nederlandse overheid daar 200 miljoen gulden voor uit, waarvan zestig miljoen via het PHARE-programma van de EG wordt besteed. De jaarlijkse contributie voor de Europese bank voor samenwerking en ontwikkeling bedraagt 43 miljoen gulden. Van het budget van ontwikkelingssamenwerking is 25 miljoen afkomstig en dat bedrag mag dan ook uitsluitend gebruikt worden voor projecten in de Derde wereld, die door het wegvallen van financiële steun uit het voormalige Oostblok stil zijn komen te liggen.

Slechts 64,9 miljoen is uitgetrokken voor directe bilaterale hulp en dat geld is sinds mei 1990 ondergebracht in het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO), waarin bijna alle ministeries samenwerken om de Oosteuropese staten te steunen bij de omschakeling naar de democratie en de vrije markt. Bedrijven en instellingen kunnen hier projectvoorstellen indienen voor trainingen, beurzen en uitwisseling, maar, zo stelt het ministerie van economische zaken met nadruk, PSO is geen subsidieregeling voor eigen commerciële activiteiten van het Nederlandse bedrijfsleven, maar een "beleidsinstrument' van de overheid.

Vorig jaar besloot de regering namelijk tot een beleidsombuiging. Met zes Oosteuropese landen zijn beleidsprogramma's uitgewerkt, waarin de betreffende landen zelf aangeven welke hulp op welke terreinen het hardste nodig is. “Dit betekent dat aan eigen initiatieven van Nederlandse ondernemingen en instellingen relatief minder aandacht zal worden besteed”, aldus een beleidsnotitie van het ministerie van buitenlandse zaken van begin 1991. Van deze ombuiging is het Star Apple Project het slachtoffer geworden: managementscursussen komen niet in het beleidsprogramma voor Tsjechoslowakije voor en kunnen dus op formele gronden worden afgewezen.

Ten Herkel is het er niet mee eens. Bij de overgang naar een vrije markteconomie gaat het, zo betoogt hij, juist om bevordering van de contacten op basisniveau en van privé-initiatief van bedrijven. De nieuwe regeling stimuleert die initiatieven niet. Ook professor Drenth is over het nieuwe beleid niet erg te spreken. Het bevordert de bureaucratie, want de contacten verlopen nu hoofdzakelijk van ministerie tot ministerie. De president van de Hongaarse Academie van wetenschappen heeft al zijn beklag gedaan over de bureaucratische gevolgen van die contacten op ministerieel niveau, aldus Drenth.

Niet bekend

De kritiek op het PSO wordt niet gedeeld door het NCW (Nederlands Christelijk Werkgeversverbond), dat in samenwerking met "zusterorganisatie' VNO al twaalf jaar geleden het zogenaamde PUM-project (Programma Uitzending Managers) opzette. Gingen de "grijze managers' (het NCW heeft 130 gepensioneerde managers in de kaartenbak) oorspronkelijk naar ontwikkelingslanden, sinds 1989 werken ze ook in Oost-Europa. Daar richten zij zich meestal op de overdracht van managementervaring en op privatiseringsprogramma's. Het NCW kreeg vorig jaar 1,1 miljoen gulden van het PSO, voor volgend jaar is om 2,5 à 3 miljoen gevraagd. Er zijn 200 missies gepland.

“Het NCW helpt privé-bedrijven of staatsondernemingen in de overgang naar de markteconomie”,zegt C.L. Deelder, medewerker van het PUM-programma. “Het grootste probleem is de knop die om moet. Vaak weet men wel hoe het moet, maar durft men het niet en daarom is het van belang dat er per bedrijf meer mensen worden opgeleid. Ze mogen niet alleen komen te staan, dan krijgen ze niks voor elkaar”. De bestaande werkgeversorganisaties in Oost-Europa noemt Deelder "rare clubjes', "sprokkelhout', ze zijn soms per regio georganiseerd, soms per branche, maar veel heb je er vooralsnog niet aan. De PUM-missies leveren voor de partners veel nieuwe handelscontacten op en dat is volgens Deelder na de ineenstorting van de COMECON-markt van het grootste belang. “Wij controleren onze missies twee keer, aan de hand van rapporten die de bezochte bedrijven inleveren. De reacties uit Oost-Europa zijn vaak laaiend enthousiast.”

Deelder heeft wel begrip voor de kritiek op het ministerie van economische zaken. “Vergeleken met het ministerie van ontwikkelingssamenwerking gaat de samenwerking met EZ behoorlijk moeizaam. Zij moeten dezelfde infrastructuur opbouwen die bij Pronk allang bestond. Ze missen ervaring. Zo betaalt Pronk altijd vooruit, terwijl wij nu steeds met een gat in de begroting moeten werken. Voor volgend jaar willen we dan ook een kwartaalvoorschot.”

Naast het geld voor PSO is nog eens twee miljoen van de tweehonderd miljoen gulden gereserveerd voor scholingsprogramma's van Nederlandse politieke partijen voor partijen-in-opkomst in het Oostblok. Het CDA is tevreden over de mogelijkheden die de regeling de partijen biedt. Net als de meeste andere partijen heeft het CDA een speciale stichting in het leven geroepen om hulp te bieden aan Oost-Europa. Die stichtingen ontvangen geld op basis van het aantal Kamerzetels van hun partij. Het CDA kreeg vorig jaar zo'n l.600.000 gulden. De Eduardo Freistichting van het CDA, bedoeld voor hulp aan landen uit Midden- en Oost-Europa en Latijns-Amerika, richt zich uitsluitend op zusterpartijen. “Wij werken alleen voor partijen die lid zijn van de Europese Unie van Christen-Democraten”, aldus Joost Gielen, beleidsmedewerker voor Midden- en Oost-Europa. Zo organiseerde de stichting een paar weken geleden in Nederland een conferentie voor christen-democraten uit Midden- en Oosteuropa. In Boedapest heeft de stichting een christendemocratisch vormingsinstituut helpen opzetten en in Tsjechoslowakije seminars georganiseerd over campagnevoering en omgang met de pers.

De PvdA, die vorig jaar ongeveer een half miljoen gulden van het ministerie kreeg, moet noodgedwongen een ander beleid voeren. “De PvdA richt zich niet alleen op de sociaal-democratische zusterpartijen”, aldus B.J. van den Boomen, directeur van de Alfred Mozerstichting (PvdA) en dat is gezien de geringe populariteit van het socialistische gedachtengoed in het voormalige oostblok geen opmerkelijke uitspraak. “Onze gebruikelijke links-rechts indeling gaat in het Oosten niet op. Veel van onze oude dissidente contacten hebben niet voor de sociaal-democratie gekozen. Wij achten op dit moment de opbouw van de democratie belangrijker dan de opbouw van de sociaal-democratie.”

In Polen is de belangrijkste partner de Democratische Unie, in Tsjechoslowakije de Burgerbeweging, in Hongarije de Vrije Democraten. De Mozerstichting steunt geen nationalisten of populisten en eist van de partner een behoorlijk minderhedenbeleid, een oriëntatie op het Westen en een sociaal-economisch beleid dat in de buurt van dat van de PvdA komt.

De Mozerstichting organiseerde vorig jaar verkiezingscampagnetrainingen voor de centrale campagnestaf van de Poolse Democratische Unie en een training voor de gemeenteraadsverkiezingen in Bulgarije. Vijf landbouwspecialisten van de Bulgaarse sociaal-democratische partij kregen een rondleiding langs Nederlandse landbouwbedrijven. Van den Boomen moet toegeven dat er behoorlijk langs elkaar heen gewerkt wordt door de verschillende politieke partijen in den lande. Tot nu toe wordt alleen met D66 samengewerkt, volgend jaar wil de PvdA ook contact met het CDA.

Bij haar trainingen stuit de stichting steeds op dezelfde problemen. “Men is niet gewend om politieke meningsverschillen te hebben en toch samen te werken in het landsbelang. De politiek bestaat vaak uit vetes tussen personen en dat leidt tot eindeloze versplintering. Bovendien bedrijft men een volstrekt verouderde vorm van politiek, autocratisch, met veel retoriek. Men grijpt daarbij terug naar het pre-communistische model van 1948 en dat slaat bij de jeugd niet aan. Tot slot kampt men met grote passiviteit.” Van den Boomen vindt dat er vanuit Nederland veel te weinig hulp geboden wordt. “De totale hulpinspanning is absurd. Nederland wil weer eens op een koopje meedoen.”

Ondanks de magere hulpinspanning is Nederland volgens R.H. Jones van Instituut Clingendael bij de Oosteuropese staten heel populair. Nederland is klein en de Oosteuropeanen voelen zich hier minder verloren dan in een land als Duitsland. Het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael kreeg vorig jaar via het ministerie van buitenlandse zaken uit de PSO-pot 650.000 miljoen gulden voor diplomaten- en ambtenarencursussen. Vijfentwintig mensen uit Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije en Bulgarije volgden lezingen over de Europese gemeenschap, internationale economie, Europees recht en sociale markteconomie. Een conferentie over de resultaten van Maastricht werd gevolgd door een tweeweekse rondreis langs de Europese hoofdsteden.

Voor volgend jaar heeft Clingendael seminars op het programma staan in Boekarest, Boedapest en Riga. De Diplomatic Academy in Wenen is begonnen met een inventarisatie van de verschillende diplomatentrainingen die in Oost-Europa gegeven worden, want het is hoog tijd om de versnipperde hulpacties te coördineren, zegt Jones. Het enthousiasme voor de Clingendael-cursus is groot en de deelnemers zijn geen mensen van de oude stempel. Jones signaleerde wel een lichte teleurstelling bij de Oosteuropeanen, die erop gerekend hadden dat ze heel snel tot de Europese gemeenschap zouden worden toegelaten. “De landen selecteren zelf wie ze ons sturen. Het moeten jonge mensen zijn, die een paar jaar ervaring hebben met werken op de ministeries. Men heeft ons geen apparatsjiks gestuurd, de kloof is beslist niet onoverbrugbaar.”