Een leven tussen rozenkransen en "observerend drinken'

Jan Hanlo, en die man ben ik zelf, zondag, Ned.3 22.27-23.12.

Jan Hanlo beschrijft in zijn stukje Snelheid is betrekkelijk, zoals veel een komische situatie op de snelweg. Hij zit op zijn motor en rijdt achter een auto waarin twee kleuters naar hem kijken. “De wagen kon blijkbaar niet harder maar ik passeerde rustig het kamertje op vier wielen rechts van me. En onvergetelijk zijn de vier ogen, de twee dromerig-verblufte snuitjes van die tweeling(?).” De verfilming van deze scène door Hanlo's achternicht Barbara is voor de kijkers die Hanlo niet gelezen hebben evengoed interessant omdat zij precies past in de moeizaam bevochten onbevangenheid die in Jan Hanlo, en die man ben ik zelf aan de orde wordt gesteld.

Jan Hanlo (1912-1969) debuteerde in 1947 ongeveer gelijktijdig in twee literaire tijdschriften met dezelfde gedichten. Of deze handelwijze op de alomtegenwoordigheid gericht was, valt moeilijk te zeggen maar wel werd hij in datzelfde jaar in een psychiatrische inrichting opgenomen. Het verslag van deze overgang van normaal in abnormaal die uitmondde in een psychose, schreef hij twee jaar later op onder de titel Zonder geluk valt niemand van het dak. Barbara Hanlo neemt dit in 1972 gepubliceerde boek als uitgangspunt om het kunstenaarschap van een dichter die poëzie als vakantie van de filosofie beschouwde, op een geraffineerde wijze in beeld te brengen.

Daartoe toont ze bijvoorbeeld een café waar mensen lachend een drankje nuttigen. De ober serveert op een lege tafel een glas bier en een glas melk, het zijn de attributen waarmee de dichter zich aan het "observerend drinken' zette. Na de consumptie legt iemand een rozenkrans op tafel. Er rijpten bij Hanlo een paar eigenschappen die maar moeilijk met elkaar te rijmen waren: dichterschap, pedofilie en godsdienstwaanzin. Om het onmogelijke toch voor elkaar te krijgen, zette hij zich heftig aan het experimenteren. Zo transformeerde hij Willem Kloos' beroemde dichtregel: “Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten” naar de prozaïsche wereld waar de zwaartekracht zonder aanzien des persoons geldt. “Ik sprong, niet onelegant misschien. Toen ik een beetje pijn bemerkte, nam ik dit God een klein beetje kwalijk. Ik had zo goed gesprongen.” Porgy Franssen leest het zonder al te veel nadruk voor terwijl een wit papier (een ziel?) naar beneden dwarrelt. Misschien was God wel in Hanlo gevaren want behalve een beetje pijn was hij niet gewond na zijn sprong van het dak.

Barbara Hanlo maakt een camerazwaai van een sombere Amsterdamse straat waar iemand een vuilnisbak buitenzet naar een kleurige wereld van mooie jongetjes en mystieke slangenbezweerders. In 1969 maakte Hanlo een lange reis naar Marokko. Ik Marraksch ontmoette hij de twaalfjarige "fak fak fanaatje' Mohamed. Volgens Hanlo een lui en verwend jongetje maar in de grond van zijn hart een engel. Hanlo beijverde zich om hem een "voyage éducatif et touristique' van een paar maanden of langer in Nederland te bezorgen. Na een verblijf van een week stuurde de vreemdelingenpolitie hem terug. Een maand later verongelukte Hanlo toen hij met zijn motor tegen een tractor botste. Snelheid bleek niet betrekkelijk te zijn, zoals veel.