Een goed mens

Vader Usman is een goedhartige man, maar dat is niet altijd een voordeel in de jungle die Jakarta heet. Zijn buren in de kampung respecteren hem om zijn zachtmoedigheid en hulpvaardigheid, maar menigeen maakt misbruik van zijn goede wil. Zo heeft Het Geluk, dat hij als boerenzoon uit Midden-Java in de hoofdstad zocht, hem achtereenvolgens toe- en uitgelachen.

"Mas Us' (mas is een Javaanse aanspreektitel voor jonge mannen) was pas twaalf jaar toen hij met zijn oom naar Jakarta trok. Daar vond hij werk als bordenwasser in het eethuis van een Chinees. De baas had schik in de ijverige en vriendelijke jongen en waakte over hem als een tweede vader. Na drie jaar ging Usman voor het eerst terug naar zijn kampung in de bergen. Hij verloofde zich met een meisje van veertien, dat zijn vader voor hem had uitgezocht. Eenmaal terug in Jakarta kreeg hij van zijn baas een extra steuntje in de rug; Usman mocht zijn tuin verzorgen en leren autorijden.

De Chinees stelde zijn beschermeling voor aan een goede vriend, een generaal, die onder Soekarno een blauwe maandag minister was. Hij kwam net als Usman uit Midden-Java en nam de jongeman aan als privéchauffeur. De generaal besloot Mas Us verder te helpen. Hij had een schoonzoon bij de afdeling personeelszaken van het Departement en die trof een "regeling'. Usman belandde op de loonlijst als fulltime chauffeur, maar hij hoefde alleen op zondagen te rijden, als anderen een vrije dag hadden. Voorwaarde was dat hij zijn salaris (groep 1, 45 gulden in de maand) om de maand afdroeg aan de schoonzoon van de generaal.

Zo bracht Usman maandelijks afwisselend 75 of 120 gulden mee naar huis, waarvan hij trouw een deel afdroeg aan zijn familie en bijdroeg in het schoolgeld van zijn vele neefjes en nichtjes in de kampung. Zijn vader kocht grond en liet een aantal sawah's en cassavetuinen aanleggen.

Aan het eind van de jaren zestig ging de generaal met pensioen. Hij kon zich geen chauffeur meer veroorloven en deed Usman over aan een vriend, ingenieur bij een staatsonderneming. De zondagsbaan ten departemente kon hij houden, daar zorgde de schoonzoon wel voor.

In die jaren werd Usman verliefd op een Soendanese uit Bandung, een mooie vrouw, maar een dominante persoonlijkheid. Toen de oude Chinees stierf, liet hij zijn voormalige bordenwasser en tuinman een klein kapitaaltje na, waarvan Usman een huis liet bouwen in de Bangka-buurt van Jakarta. Hij zag af van zijn toegewezen Javaanse verloofde en vroeg de Soendanese ten huwelijk. Zij accepteerde en begon met een deel van de erfenis een winkeltje in frisdranken.

Door zijn chauffeursbanen beschikte Usman over goede persoonlijke contacten met de generaals en hoge ambtenaren. Op een dag werd hij benaderd door een medewerker van het staatsbedrijf, die hem vroeg voor hem en een vriend een onderhandse lening af te sluiten bij een van zijn invloedrijke kennissen. Usman stemde toe en tekende voor het hele bedrag, waarvan hij eenderde zelf hield. Binnen enkele maanden waren zijn beide "partners' met de noorderzon vertrokken en moest Usman de volledige (hoge) rente betalen. Dat hield hij slechts een jaar vol, daarna zag hij zich gedwongen zijn huis te verkopen en de hele schuld in een keer af te lossen.

De familie nam haar intrek in een stenen huurhuisje in een van de kampungs van Jakarta-Zuid. Zijn vrouw, die haar winkeltje was kwijt geraakt, kon het statusverlies niet verkroppen en bleef tegenover haar nieuwe buren de grote mevrouw uithangen. Usman begon wat bij te scharrelen als calo (tussenpersoon) in de onroerend goed-handel. Intussen overleed zijn oude vader en nam zijn zwager, een mislukte transmigrant, het huishouden in de Javaanse kampung over. De man bleek een verwoed gokker. Usmans demente moeder tekende onder druk de overdracht van de familiebezittingen aan haar dochter en schoonzoon. Binnen een jaar waren alle sawah's en cassavetuinen verkocht ter delving van speelschulden. Begin dit jaar werd Usmans baas, de ingenieur, door het staatsbedrijf wegens grove corruptie ontslagen en kwamen ook diens naaste medewerkers en chauffeur op straat te staan. De andere ontslagen ondergeschikten tekenden met succes protest aan. Zo niet Usman. Hij accepteerde een aanbod van het Departement om fulltime te gaan werken en brengt nu maandelijks nog maar honderd gulden mee naar huis, zeer tot ongenoegen van zijn spilzieke vrouw.

""Usman'', vroeg ik hem laatst, ""waarom heb je dat ontslag geaccepteerd? Waarom heb je niet geprocedeerd toen je zuster en zwager jouw grond verpatsten?'' ""Oom,'' antwoordde Usman, ""dat is niet goed. Als anderen jou onrecht aan doen, moet je je kalmte bewaren en geen drukte maken. Hoe kan ik mijn bloedeigen zuster voor de rechter slepen? Ik zou in de ogen van mijn familie voorgoed hebben afgedaan.''

Usman is een orang baik (een goed mens). Dat betekent groot aanzien op Java en zo'n goede naam zet je niet op het spel. ''Drukte maken'', is in Jakarta heel gewoon, maar daar wil Usman nu eenmaal niet begraven worden.