DIERENBOEK

Pregnant Bears & Crawdad Eyes. Excursions & Encounters in Animal Worlds door Paul Schullery 176 blz., geïll., The Mountaineers 1991, f 37,50 ISBN 0 89886 292 2

U hebt het vast wel eens gezien. Zo'n wolk spreeuwen die als op commando van een onzichtbare macht naar links of naar rechts zwenkt. Hoe is het mogelijk dat die duizenden vogels alles synchroon doen, dat er niet minstens een paar tegen elkaar opbotsen? Er zijn in de loop van deze eeuw heel wat verklaringen geopperd, variërend van elektromagnetische pulsen tot telepathie. Een paar jaar geleden kwam Wayne Potts van de universiteit van Washington met een aardige theorie. Hij maakte met een hogesnelheidscamera opnamen van vluchten bonte strandlopers. Analyse van de beelden onthulde een fenomeen dat we in voetbalstadions kennen als de "wave'.

Het werkt als volgt. Als een vogel aan de rand naar binnen zwenkt, doen de vogels het dichtst bij hem hetzelfde, al was het maar om een botsing te vermijden. Dit is het begin van de "wave'. De vogels vlak in de buurt zijn aangewezen op hun reactiesnelheid, maar vogels verderop in de groep, zelfs die op grote afstand van de bron, zien het aankomen en veranderen daardoor sneller van koers dan wanneer ze zouden reageren op de vogels in hun onmiddellijke nabijheid. Op die manier verspreidt de wave zich razendsnel door de hele vlucht. En is ook geen sprake van leiderschap. Wanneer de vlucht van richting verandert, bevinden de vogels aan kop zich opeens aan de rand of in de achterhoede. In een school vissen gebeurt hetzelfde; daar is evenmin een leider die de richting aangeeft. Was dat wel het geval, dan zou de school nooit snel van richting kunnen veranderen, maar traag als een mammoettanker een wijde bocht moeten uitvoeren. Het is ook zinvol, want stel dat een rover de achterhoede aanvalt. Voordat de dieren reageren op een signaal van de leider, zijn ze waarschijnlijk dood voordat de leider in de gaten heeft dat er wat aan de hand is.

Potts doopte zijn observatie de "chorus-line hypothese', omdat andere studies hadden aangetoond dat een manoeuvre die aan één kant van een rij dansers begint (een been omhoogsteken bijvoorbeeld) in het verloop van de rij twee keer zo snel gebeurt als de reactiesnelheid van elke individuele danser(es) zou toelaten. Dat kan omdat een danser niet wacht tot de persoon naast hem de beweging uitvoert, maar er al aan begint wanneer de beweging nog een paar dansers van hem verwijderd is. Een kwestie van anticiperen dus.

Prachtig. Maar, vraagt Paul Schullery in zijn stuk over schoolvorming zich af, hoe komt het dat als ik mijn achterdeur open de spreeuwen in de appelboom allemaal tegelijk wegvliegen? En wie beslist waarheen? Want ze schijnen altijd allemaal precies te weten waar ze naar toe moeten. Hij stelt in zijn boek veel van dit soort vragen en geeft ook de antwoorden die de wetenschap intussen meent te hebben gevonden. Dat doet hij perfect, in een stijl en op een toon die buitengewoon aanstekelijk werkt. Schullery is geen wetenschapper; hij was onder andere curator van het Amerikaanse museum voor vliegvissen en ranger in Yellowstone Park, en zijn eigen observaties in het veld spelen op de achtergrond altijd mee.

Zijn boek is een bundeling van artikelen die Schullery schreef voor de Amerikaanse periodieken Country Journal en Backpacker. Die tijdschriften mogen zich gelukkig prijzen met zo'n medewerker. Een mooie schrijfstijl, veel leesplezier en een hoog informatiegehalte, de ideale combinatie, kortom. In de Nederlandstalige "groene' lectuur is die combinatie nogal schaars. Al te vaak gaat men gebukt onder een teveel aan wetenschappelijke kennis, wat bloedeloos proza oplevert, of men lijdt juist aan het Jac. P. Thijsse-syndroom, waardoor de natuur van de jaren negentig (of wat daarvan over is) nog steeds lijkt op die van rond de eeuwwisseling. Daarom is dit boek van Schullery voortreffelijk studiemateriaal voor iedereen die over biologische onderwerpen schrijft of wil gaan schrijven.