Dienstplicht is een systeem uit vervlogen tijden

De dienstplicht dient te worden afgeschaft, zowel om financiële als maatschappelijke redenen, aldus twee direct betrokken deskundigen.

De discussie over de afschaffing van de dienstplicht is in alle hevigheid losgebarsten nu de Tweede Kamer dit onlangs nadrukkelijk aan de orde stelde. De voorstanders van afschaffing van de dienstplicht wijzen vooral op de grote onrechtvaardigheid van het feit dat slechts drie op de tien jongens "voor hun nummer moeten opkomen'. Daarnaast stamt het fenomeen dienstplicht uit de tijd van prins Maurits en past het niet meer in deze tijd. Ook zou de krijgsmacht militair gesproken in de toekomst zonder dienstplichtigen kunnen opereren. Zij is namelijk bezig zich om te vormen van een groot staand leger naar een kleiner en gespecialiseerder leger. De opleiding van de dienstplichtige is gewoonweg te kort om het vereiste technische niveau te bereiken. Daarom zouden beter beroepsmilitairen kunnen worden aangetrokken, al dan niet voor onbepaalde tijd.

De tegenstanders wijzen juist op het feit dat bij afschaffing van de dienstplicht het democratisch gehalte binnen de krijgsmacht in gevaar komt. Het gevaar van een krijgsmacht als staat in de staat dient huns inziens te allen tijde te worden vermeden.

De discussie heeft zich echter tot op heden vooral toegespitst op de sociale aspecten. Een analyse van de maatschappelijke kosten en opbrengsten van de afschaffing van de militaire dienst is tot op heden niet of nauwelijks gemaakt. Deze analyse is belangrijk omdat in de politiek het financiële aspect tegenwoordig een buitengewoon belangrijke rol speelt. De beslissing over de afschaffing zal in de regel op politieke doch zeker ook op financiële argumenten zijn gebaseerd. Er dient echter voor te worden gewaakt dat zuiver wordt gekeken naar de departementale begroting van Defensie. Juist de maatschappelijke kosten en opbrengsten zijn van veel groter belang dan alleen een begroting. Maatschappelijke kosten van de dienstplicht kunnen worden gedefinieerd als die kosten die direct dan wel indirect verband houden met de dienstplicht. Dit is dus niet alleen de soldatenhelm maar ook de verspilling aan talent en de leegloop.

Voorbeelden van leegloop en verspilling zijn er talloos. Deze zijn in de afgelopen jaren door de Algemene Vereniging Nederlandse Militairen (AVNM) met onderzoeken diverse malen aangetoond. Vijftig procent van de dienstplichtigen doet twee uur per dag niets. Een derde van de dienstplichtigen doet vier uur per dag niets. Is de samenleving wel gebaat met zich vervelende soldaten? Tevens is de verspilling aan talent ongekend. Slechts twintig procent van de dienstplichtigen vervult een functie op zijn eigen niveau. De overige tachtig procent moet derhalve genoegen nemen met een functie tot ver onder zijn niveau. Dat betekent dat jaarlijks ruim 30.000 jongens arbeid verrichten met een lage graad van voldoening.

Daarnaast lopen niet alleen de betrokkenen schade op, maar ook de maatschappij in zijn geheel. De maatschappelijke schade als gevolg van de dienstplicht is groot. Een groot deel van de 40.000 jongens die jaarlijks in militaire dienst zitten wordt onttrokken aan het arbeidsproces. Het verlies aan produktiviteit is aanzienlijk te noemen en vele malen groter dan de kosten van afschaffing van de militaire dienst. Door de vergrijzing van de bevolking zal de vraag naar jonge arbeidskrachten alleen maar toenemen. De handhaving van de dienstplicht frustreert juist het aanbod van jongeren op de arbeidsmarkt en leidt tot een vertraging van de studie van ten minste één jaar. Indien de dienstplicht halverwege een studiejaar moet worden vervuld, kan de vertraging oplopen tot twee jaar.

Er is sprake van een zeer onrechtvaardige verdeling van de werklast onder de mannelijke bevolking, terwijl de doelstelling van de politiek juist is alles zoveel mogelijk rechtvaardig te verdelen. Deze onrechtvaardige verdeling is niet alleen sociaal maar ook economisch ongewenst. Een ongelijke verdeling van welvaart is economisch gezien ondoelmatig.

De maatschappelijke opbrengsten zijn per saldo negatief. De economische meerwaarde van het volgen van een verkorte militaire opleiding is slechts weggelegd voor twintig procent van de dienstplichtigen.

De vraag kan worden gesteld of de huidige maatschappij nog wel bereid is zich zeer grote offers te getroosten om een onrechtvaardig systeem als de dienstplicht te handhaven dat zowel direct maar vooral indirect erg veel geld kost. Mijns inzien is het heel goed mogelijk de huidige krijgsmacht in een aantal jaren om te vormen tot een beroepsleger bij dezelfde militaire inspanning.

Ondanks hogere directe kosten die drukken op de departementale begroting, zullen de maatschappelijke kosten daarentegen dalen. En deze zullen sterker dalen dan de meerkosten van de afschaffing van de dienstplicht en de daaraan gekoppelde herstructurering van de krijgsmacht. Dit laatste argument pleit derhalve ontegenzeggelijk voor de afschaffing van een systeem uit vervlogen tijden.