De portefeuille van het gezin

Wie bewust spaart of belegt voor later, kan met zijn geld de bekende kanten op: sparen, verzekeren, beleggen in aandelen, obligaties of een eigen huis. De kans dat na verloop van jaren het verwachte rendement ook werkelijk behaald zal zijn, hangt vooral af van het risico van de gekozen vorm(en) van sparen of beleggen, de persoonlijke belastingdruk en de vermindering van de waarde van het geld, de inflatie.

Sinds 1 januari is het niet meer mogelijk om met een speciale verzekering of vergelijkbare constructie de belastingdruk, bij premiebetaling nu of uitkering in de toekomst, naar hartelust te verminderen. De overheid dicht steeds meer gaatjes in het schepnet van de belastingontvanger, behalve voor belangrijke zaken als een eigen huis of oudedagvoorziening.

Verzekeraars en financiële instellingen hebben nog geen nieuwe fiscaal aantrekkelijke produkten aangekondigd die andere mazen in het net benutten om mensen over te halen een verzekering af te sluiten en jaarlijks honderden miljoenen aan premies af te dragen. Iedereen die iets met zijn geld wil doen, moet dus zelf een weggetje zien te vinden.

Zelf actief beleggen in aandelen blijft een aangewezen weg om met onbelaste koerswinsten een vermogen op te bouwen zonder dat de belastingdienst allerlei beperkende regels hanteert, zoals bij verzekeringen. Ook de geldontwaarding kan je op die manier iets compenseren, hoewel een verband tussen koerswinst en inflatie moeilijk aan te tonen is. Zelfbeleggers lopen het risico dat zij allerlei fouten maken. Je moet dus weten wat je doet of een goede gids bij een bank of commissionair hebben.

De koop van een huis in een prima buurt, belangrijker dan de kwaliteit van het huis, is een belegging met weinig nadelen: de waardestijging bij verkoop is onbelast, de hypotheekrente aftrekbaar van het belastbare inkomen en het verband tussen waarde en inflatie inniger dan bij aandelen. Ook profiteer je van het woongenot. Te weinig kopers van een eigen huis zien die aanschaf als een belegging. Je moet kopen met de ogen van iemand die dat huis later wil kopen. Met andere woorden: een huis kan de basis zijn van een solide beleggingsportefeuille. En als de waarde flink oploopt, is er niets op tegen om winst te nemen op het beste moment (te verkopen) en uit te kijken naar een ander aantrekkelijk object, beter toegesneden op de misschien intussen gewijzigde gezins- en werkomstandigheden.

Spaarders en houders van obligaties hoeven niet zo veel te weten als beleggers in aandelen en lopen nauwelijks risico's. De opbrengsten zijn navenant: de opbrengst aan rente is bijna bekend, de fiscus verleent een beperkte vrijstelling van duizend gulden per persoon per jaar en de inflatie snoept voortdurend iets van het kapitaal af. Een rustige en zekere belegging.

Wie zekerheid wil en toch een beetje spanning, kan in zijn portefeuille wat premie obligaties opnemen. Het Nederlands Kanker Instituut (NKI) heeft in 1988 een obligatielening van 275 miljoen gulden (275 duizend stukken van 1000 gulden) uitgeschreven die in de looptijd van tien jaar (tot 1998) geen rente aan de houders uitbetaalt. De door het NKI bespaarde rente wordt voor een deel als prijs aan de houders uitgekeerd. Eens per maand trekt een notaris het nummer van een obligatie waarop een prijs van een miljoen gulden valt. De meeste dagbladen vermelden dat nummer. De houder van ten minste één obligatie dingt mee naar die prijs.

Tot de aflossing van de lening in 1998 trekt de notaris nog bijna 80 keer een miljoen. De winnaar krijgt daar maar 550 duizend gulden van in handen, want de prijs valt onder het bijzondere belastingtarief van 45 procent.

De markt houdt rekening met de beperkte kans op een gunstige loting en waardeert de obligatie lager dan de oorspronkelijke prijs van 1000 gulden bij uitgifte. Uit het koersoverzicht van de obligaties in deze krant blijkt een prijs van 870 gulden; koers 87. Je betaalt nu dus 870 gulden (zonder kosten) en ontvangt bij aflossing (als er tussentijds geen prijs op valt) 1000 gulden. Het verschil van 130 gulden blijft onbelast. Dat bedrag komt ongeveer overeen met een onbelaste jaarrente van 14,80 gulden of 1,7 procent.

Het Rode Kruis heeft een premielening die 4 procent belaste rente betaalt en daarnaast ieder jaar half november één prijs van een half miljoen en vijfhonderd prijzen van duizend gulden uitloot. De kans op succes is veel groter dan bij de NKI-lening. Deze Rode Kruis-lening doet ongeveer 1000 gulden.