Andrea en Artan in Shqipëri (II); "Het is ijs. Alles is ijs geworden.'

De rechtbank van Den Haag, woensdag 11 december 1991, kwart over negen. In een schimmenwereld vecht Artan voor zijn leven.

""Wilt u uw pleitnota overleggen?'' ""De Staat kent die produkties ook allemaal?'' Twee advocaten in toga, een vrouwelijk rechter, een griffier en een klein zaaltje op de vijfde verdieping, drie toeschouwers, tien lege stoelen tegen de achterwand. ""Volgens het dossier van de Gemeentepolitie Rotterdam hebben we te maken met Metogu Artan, gezinscode-subcode 061277.000, geboortedatum 23-08-58, nationaliteit Albanese, adres Dordtselaan, Rotterdam.'' Op tien januari moet hij volgens het ministerie van Justitie terug naar Albanië, en dit korte geding is zijn laatste kans.

""Overwegende dat het verlenen van een vergunning tot verblijf aan eiser in strijd zou zijn met het algemeen belang...'' ""Mijn cliënt is onmisbaar voor de Albanië-campagnes van de Stichting Underground Evangelisme en van de Stichting Mensen in Nood.'' ""Gezien de afwijzende beslissing van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 8 juli 1991, no 502910331.....''

Artan heeft een oranje voetbaldas aan met daarop: "Holland, Holland'. Een week eerder was hij nog met een VPRO-ploeg meegeweest, even terug naar Albanië. Daarvoor werkte hij voor de BBC - ""Niet is gebleken dat eiser door opleiding of beroepservaring kan worden beschouwd als een gekwalificeerde tolk-vertaler'', schreef het Centraal Bureau Arbeidsvoorziening - de KRO, de Vara, de NOS en hij heeft een vast contract bij een tweetal evangelisatiegenootschappen. Voor de VPRO hadden ze een paard gefilmd, dat bezig was te verdrinken in een gat van modder en olie. Iedereen in Nederland had Artan daarna gevraagd wat er met dat paard gebeurd was. Niemand had gevraagd naar hem.

Tirana, najaar 1991, zomaar een zaterdagavond. In het centrum van de Albanese hoofdstad is het doodstil. Het grote theater is al maanden dicht. Voor de glazen voorgevel staan planken en stukken karton. De meeste ruiten zijn gebroken. Voor het enige verlichte raam staan vier mannen en een paar jongetjes met de neus tegen het glas. Binnen is een bruiloft aan de gang. Drie mannen fiedelen erop los, en zeker tachtig mensen zitten aan tafel, trommelend met handen en voeten. Ze zingen het lied van de soldaat, die tijdens een weekendverlof verliefd werd: ""Nu is zij alleen nog maar herinnering, herinnering''. Er is ontzettend veel eten te zien: knakworstjes, karbonades, gehakt, gevulde eieren, kazen, salades en alle tafels staan vol flessen: wijn en oorverdovend sterke raki.

Het lijkt een degelijk gearrangeerd huwelijk - mogelijkerwijs op basis van het feit dat de bruid familie in Amerika heeft, een onuitputtelijke bron van vreugden en visa. Zij is slank en stralend, in haar smalle witte jurk, en telkens weer danst ze in het rond, terwijl de gasten haar papiergeld tussen de vingers schuiven. Het gezicht van de bruidegom, een jongen nog, is asgrauw. De rest van het gezelschap klapt en juicht.

De enige andere plek waar iets te beleven valt is het restaurant van het hotel. Daar vinden zich de extremen: rijke emigranten die heimweetochtjes maken, een tiental snelle jongens en meiden van een Franse hulporganisatie, smokkelaars uit Kosovo, een Canadese bibliothecaris die het nationaal bibliotheekbezit inventariseert, een paar zakenlieden, een zeer zorgelijke Portugese EG-expert die de zuiverheid van het drinkwater bekijkt, een handvol hoge ambtenaren en de Hulk, een nog jonge ex-moordenaar van twee meter in het vierkant die, zo horen we, dit voorjaar met alle andere criminelen is vrijgelaten. Nu loopt hij zoekend naar zijn morfine-dealer door het restaurant, gekleed in een voor dit land hypermoderne uitrusting: een gigantisch, lichtgroen en blauw nylon zeilpak. Zo is daar in het hotel een bizarre sociëteit gegroeid van goed, rijk en kwaad, en de achtergrond is simpel: het is vrijwel de enige plaats in de stad waar je - zij het voor veel geld - nog enigszins kunt eten.

Op straat is er na twaalven niemand meer, op Nysea en haar twee broertjes na. Nysea is een jaar of dertien en ze beweegt met grote vaart op haar krukken over het trottoir. Ze mist een been, dat is ooit een keer onder een trein gekomen. Haar ouders zijn verongelukt. Ze bedelt haar geld bij elkaar voor de deur van de twee internationale hotels van de stad. Ze is wonderbaarlijk fier en opgewekt en ze lacht veel om onze onbegrijpelijke woorden. Samen zitten we de stoep te kijken naar de enorme torren die nu uit alle hoeken en gaten tevoorschijn komen en bij tientallen over het plaveisel kruipen. Pas later in de nacht komen de katten, zegt Nysea. Haar broertjes zijn mager en blijven met kleine zeurgeluidjes om ons heenhangen, totdat ze in slaap vallen. Ze legt ze naast zich, half onder haar rok, als een grote kloek.

In het hotel wordt de laatste raki geschonken, verdund met water, maar met een beetje as erin wordt toch nog een aardig alcoholisch effect bereikt.

In dit land waart een virus door de straten, en iets anders dan een virus is het niet: iedereen wil weg, iedereen wil de zee en de bergen over, de sloepen in. Het land is bijna letterlijk een schip dat op zinken staat. Meer dan de helft van de mensen werkt niet meer, bijna niemand denkt erover hoe het land op te bouwen, iedereen is alleen nog maar bezeten van één ding: hoe hier weg te komen.

In het zuiden is een exodus gaande van de laatste koeien. De boeren verkopen ze voor belachelijk lage prijzen aan Griekse handelaars, in ruil voor wat drachmen en dollars. Deze zomer kochten ze er nog Swatch-horloges en sloffen Marlboro voor, nu gaat het hen om niets anders dan brood en nog eens brood.

Met Artan en zijn vrienden praten we daar veel over. Iemand vertelt dat er bij hem was ingebroken. Na twee uur kwam één hijgende agent de trap oplopen. Hij was anderhalf uur onderweg geweest omdat er geen benzine meer voor de politieauto's was. Hun politiehond, vertelde hij, was ziek van ondervoeding. Zijn eigen maag knorde zo verschrikkelijk dat ze hem maar een bord van hun laatste macaroni gaven: hij at alsof hij dagen niet gegeten had. ""Stuur alle drie miljoen inwoners naar Hawaï. Zet er dan een miljoen Duitsers, laat die vijf jaar hun gang gaan, en laat iedereen dan weer terug komen. Dat is de enige manier om hier de boel weer overeind te krijgen,'' roept Artan.

""We hebben nooit anders dan onder despoten geleefd, wat weten de mensen hier van democratie,'' zeggen zijn vrienden. Zelfs gewone, half-illegale handeltjes, het schemergebied waar op dit moment het halve Oostblok op drijft, het is hier vrijwel afwezig. ""Niemand heeft wat, niemand heeft geld.'' ""Iedere buitenlandse zakenman vertrekt hier weer binnen een week: niets is zeker, niemand is ergens verantwoordelijk voor, geen bank kan deviezen wisselen, de winst die je eventueel maakt krijg je niet eens het land uit.''

Op een ochtend moesten we een paar zaken regelen op de Duitse ambassade, die ook de Nederlandse honneurs waarneemt. Een oase van rust, schone gangen, geölied sluitende deuren, echte koffie en gladgestreken, witte overhemden. Voor het hek stonden vele tientallen mensen, hun gezicht tussen de spijlen, alleen maar te wachten en te kijken. We spraken met een vrouw uit een dorp in het noorden van het land, een rit van zes uur met de bus. Ze had geen paspoort, niets. Zo nu en dan ging ze toch een dag voor het hek staan, voor haar zoons.

Altijd hadden bergen, rotsblokken en muren van papier het land omringd. Jarenlang was het een van de meest geïsoleerde gebieden van Europa. Met de revolutie van dit voorjaar was het land in één klap democratisch geworden, maar het effect was, nu de rollen omgekeerd waren, hetzelfde. Nu mocht iedereen eruit, maar niemand kon eruit. Nu mochten alle buitenlanders overal komen, maar er waren helemaal geen buitenlanders meer - op een paar na, die 's avonds nauwelijks nog het hotel uit durfden omdat hun tickets, dollars en paspoorten van hen wandelende juwelenkisten hadden gemaakt.

Eén keer, jaren geleden, had Artan op het punt gestaan het land uit te glippen, hij werkte toen als bosbouwingenieur in een perceel bos vlak bij de grens, en één run was voldoende geweest. Alleen de gedachte aan de sancties die zijn ouders boven het hoofd hingen deed hem nog twijfelen. Pas toen zijn maat riep: ""Artan, merk die boom, dertig centimeter'' schrok hij wakker, terug in de gewone realiteit. ""Weggaan wordt een obsessie als je niet weg mag. Jarenlang hadden we geen idee hoe de wereld eruit zag, maar we wilden het weten, Engeland, Frankrijk, Italië, we stierven van nieuwsgierigheid.'' Artan vertelt van de dromen die hij en zijn vrienden vroeger bijna allemaal wel eens hadden: lopend over de grens naar Griekenland, of op de boot naar Italië. Nachtmerrie's. ""Opeens werd je dan met een schok wakker: mijn God, ik ben er nog, en mijn ouders hoeven niet gedeporteerd te worden.''

""Wij zijn de eenzame, schitterende ster van Europa,'' had de Leider vaak gezegd, en bij veel van zijn landgenoten vielen die woorden in een oude, vruchtbare akker van eigenzinnigheid en islolationisme. Nu een halve eeuw later de ramen en de deuren opengaan is het land de oude vrijster van Europa geworden, door niemand meer gekend, door geen enkele band met de rest van Europa verbonden. Niemand lijkt zich meer voor de "ster van Europa' te interesseren, inclusief de bewoners zelf.

Er zijn twee grote uittochten geweest, en van de jongens en meisjes van rond de twintig die 's avonds op het Skanderbegplein massaal flaneren kan bijna iedereen het verhaal haarfijn vertellen. Artan had uiteindelijk kunnen vertrekken tijdens de eerste exodus, op 2 juli 1990. De hele dag al waren er rond de ambassadewijk kleine oploopjes geweest, maar 's avonds posteerden de duizenden jongens en meisjes die anders over het Skanderbegplein liepen te flirten zich nu opeens voor de hekken van de Duitse ambassade. De stad was doodstil, er was geen geluid, enkel vanonder de jassen werden V-tekens gemaakt. Rondom tien uur gingen de echte nozems onder hen - de "alabaks', lastposten, een woord dat in de weken daarna met vertedering zou worden uitgesproken - met een ware doodsverachting over tot bestorming van de hekken. Het leger en de veiligheidsdienst reageerden met kogels, elektrische knuppels en jeeps die met razende snelheid door de massa heenreden. Niemand heeft ooit het aantal slachtoffers geweten.

De volgende dag gebeurde opeens het ongelofelijke: de hekken van de ambassades gingen open, en de flanerende jeugd werd door een nieuwe koorts bevangen: inpakken en wegwezen, zo snel mogelijk, waar dan ook heen. Binnen de kortste keren zaten de tuinen van de ambassades stampvol. Sommigen bedachten zich omdat ze er een vriend of geliefde niet aantroffen, gingen naar een ander "land', bedachten zich weer en kwamen terug met verhalen over wat er in de rest van de wereld gebeurde - dat wil zeggen, in de tuinen van de andere ambassades. Buiten de hekken zaten snikkende ouders die hun kinderen smeekten om terug te keren, of die hen kleren en bagage brachten.

Ondertussen vond uitgebreid diplomatiek overleg plaats. Het regime capituleerde. In de daarop volgende nacht werd de jeugd uit deze piepkleine hoofdstad weggevoerd. Meer dan vijfduizend jongeren reden in donkere bussen door de stille straten van de hoofdstad, terwijl enorme troepen van ouders en vrienden radeloos als blinden door de stad trokken in de hoop nog een glimp van de bussen te zien te krijgen. ""Het was alsof honderdtwintigduizend jonge mensen Parijs verlieten, of tweehonderdduizend Moskou,'' zou de schrijver Ismaïl Kadare later over die dag noteren. De volgende ochtend werden overal langs de route briefjes gevonden met adressen en telefoonnummers, met foto's, afscheidswoorden, en soms wat geld.

De tweede uittocht vond de afgelopen zomer plaats. Het standaardverhaal daarover hoorden we van Iglia, een werkloze, afgestudeerde mechanicus, die we op het Skanderbegplein ontmoetten. Op een zomermiddag, om twaalf uur, had hij van de moeder van een vriend het gerucht gehoord dat in de havenstad de hekken opengooid waren en dat er twee schepen lagen, klaar om naar Italië te varen. Om half één was hij al op weg. De halve stad leek leeg te stromen, richting haven, een veertigtal kilometers verderop. De treinen waren afgeladen. Van zijn laatste geld kocht hij een buskaartje voor vijfhonderd lek - een klein maandsalaris. De weg was vol afgepakte vrachtwagens, ze zaten op karren, op paarden, op tractoren, met z'n tweeën op een fiets, jongens en meisjes, trappend zo hard ze konden over de lange, met bomen omzoomde weg naar de zee. Voor iedereen onder de dertig was het duidelijk: dit was de bel voor de laatste ronde.

In de haven was de chaos totaal. De soldaten lieten iedereen door voor wat geld of een horloge - later zouden er hardnekkige geruchten gaan dat de veiligheidsdienst van de oude dictatuur deze hele uittocht had georkesteerd om het democratische bewind te destabiliseren. Toen Iglia eindelijk bij de haven stond, met nog duizenden anderen, was het laatste schip al honderd meter van de kade. Nu brengt hij het grootste deel van de dag door op de stoepen rond het beeld van Skanderbeg, de meeste van zijn vrienden die toen mee wisten te varen - zelfs in de masten waren ze geklommen, nog nooit was een boot zo afgeladen geweest - zijn ook al weer teruggestuurd door het westen en het enige wat ze nu nog kunnen doen is praten en wachten. In de krant hadden ze gelezen dat het westen "specialisten' zou sturen om het land te helpen opbouwen. ""Bent u specialist?'' vragen ze ons, telkens weer.

In één kwestie is het land de afgelopen twee jaar wel aktief bezig geweest: met het omverhalen van standbeelden, het verwijderen van muurschilderingen en het oververven van leuzen. Met grote overgave zijn alle vignetten en namen weggebikt, alleen op een afgelegen, landelijk bruggetje is hier en daar in de gietijzeren leuning nog een rode ster zichtbaar. Op het hoofdkwartier van Artan's voormalige werkgever, een bosbouwbedrijf, zijn op de wanden van het modderige binnenterrein nog steeds leuzen zichtbaar als: ""Leve het grote, nooit aflatende werk van kameraad...'' - volgt de weggebikte naam van de Leider. Of: ""Laat ons vervullen de plichten van het jaar 1990, het laatste jaar van de vijf wachtwoorden: arbeid, mobilisatie, discipline, organisatie en waakzaamheid!''

De directeur weet niet meer precies wanneer hij het portret van de Leider uit zijn kantoor weghaalde. ""Het was geen plotselinge impuls. Er ging een lange periode aan vooraf waarin ik steeds duidelijker zag wat er eigenlijk met het land gebeurd was.'' Vooral zijn vader, een trouwe communist, was er kapot van. Al zijn harde werken, zijn leven lang, hij had er niets bij gewonnen. Het was allemaal voor niets geweest. ""Nu heerst het kwaad alom, een duivel die het karakter van dit land misvormt, de armoede.'' Ja, hij had het portret eigenhandig weggehaald. Daarna was hij naar huis gegaan en hij had tegen zijn vrouw gezegd: ""Ik heb het gedaan''.

De meeste activiteiten van het bedrijf voltrekken zich ver weg in de bossen, helemaal achterin de bergen. In het bosbouwdorp waar Artan als ingenieur was gedetacheerd en waar hij bijna tien jaar van zijn leven doorbracht werken 190 mannen en 10 vrouwen. Het bestaan in deze uithoek van Europa is zodanig dat het dorp onder het oude regime zelfs werd afgekeurd als deportatieoord. Van december tot april kan er, wegens de sneeuwval, geen mens komen. De bewoners graven dan tunnels van hun flats naar de dorpskantine en in de kale, onverwarmde ruimte brengen ze vervolgens de dag door met het drinken van raki, dampend in hun dubbele truien en jekkers, schreeuwend en vloekend, het enige vertier in die donkere maanden. Alleen is sinds kort de raki op, en hoe het nu moet weet niemand.

We besluiten zelf te gaan kijken. ""Ik ga op reis naar Ioannina,'' zingt onze chauffeur, terwijl we door een godverlaten maanlandschap van enorme kuilen, half ingezakte, onderaardse meren en honderden meters diepe ravijnen rijden. ""Ik verliet het huis van mijn familie. En begon de strijd om het brood in een vreemd land.''

Op een berghelling galoppeert een jongetje op een ezel ons met adembenemende snelheid tegemoet, stijf rechtop, bolle, rode wangen. Even verderop komen we een meisje van een jaar of veertien tegen, met één koe. De andere zes die ze ooit hadden zijn dood, zegt ze. Eerst wil ze niet veel vertellen, maar dan komt ze los: ""Kom maar bij ons kijken, er is helemaal niets meer. Weg? Wie wil niet weg uit zo'n leven!'' Ze heet Dechirra, wat Verlangen betekent.

Het bosdorp waar Artan zijn dagen sleet - uitgezonderd de paar maanden dat hij als toeristengids werkte - heet Biza. Het bestaat uit een paar flats van drie etages, enkele tientallen lage, houten huizen met daken van golfplaat en een paar grote varkensschuren. Ganzen lopen snaterend in het rond, de vrouwen slepen met water, de mannen staan te wachten op vrachtauto's die nog maar zelden komen. Het kappen is grotendeels gestaakt omdat het hout niet meer afgevoerd kan worden, wegens het tekort aan benzine en reserveonderdelen. De gezichten zijn mager en ingevallen, als frontsoldaten in 1918. Sinds mensenheugenis is hier geen westerse bezoeker meer geweest, op een Franse bosbouwingenieur na, tien jaar geleden, en ooit tijdens de oorlog een verdwaalde Italiaanse soldaat, wiens graf de bewoners desgevraagd nog graag willen tonen.

Als Artan opeens uit een auto stapt, en in hun midden staat, wordt dat algemeen als een mirakel beschouwd. ""Artan, Artan, jij geluksvogel, dat je uit dit vervloekte oord hebt weten weg te komen, wij zijn hier levend dood.''

Artan laat ons het dorp zien. De geluiden: hanen, geitebellen, een zaag, een kind, pratende vrouwen. De geuren: rook en melk. Er is een bar en een Paleis der Cultuur, met een televisie waarmee je op sommige uren Tirana kunt ontvangen. Op het veld komen we een groep vrouwen tegen, als lastdieren gebogen onder enorme takkebossen die ze op de rug dragen. Ja, ze hebben hier één keer hulp uit het Westen gehad, vertellen ze: twee liter olijfolie voor iedere familie. Ze beginnen verschrikkelijk te lachen als we vragen wat ze willen, nu er democratie is. ""Ik wil eindelijk wel eens de bar van binnen zien!'' roept een vrouw met een half gebit. ""Net als de mannen!'' ""We willen alleen maar gelijkheid, niet meer,'' zeggen de anderen. ""Maar we zullen de mannen niet zo kwellen als zij ons gedaan hebben. Gelijkheid, dat is voldoende.''

Op het kerkhof liggen acht graven, geen ervan draagt zelfs maar een kruis of een naam. Er komt een oude boer op een ezel voorbij. Hij heeft brood gehaald: drie uur heen, drie uur terug, de broden steken uit zijn versleten zadeltassen. ""Het gaat slecht,'' zegt hij. ""Ja, het gaat slecht, mijn leven is slecht omdat ik zo verschrikkelijk arm ben.'' Hij had bij de laatste verkiezingen op de communisten gestemd, in zijn dorp hadden ze niet geweten dat er ook andere partijen waren. ""Het is een schande, en wij verrekken,'' roept hij woedend. ""Het is ijs hier, alles is ijs geworden.''

""Hoe is het leven in het westen?'' vragen zijn oude dorpsgenoten Artan telkens opnieuw. Hij vertelt ze er iets over, ook hoe moeilijk het is om er te komen en te blijven, maar dat vinden ze maar onzin. In de praktijk heeft bijna niemand van hen de mogelijkheid om weg te kunnen. Een enkeling zal misschien Tirana halen, en dat is al heel wat. Maar de meesten zijn hier geboren, en zullen hier ook sterven. Artan laat ons zijn oude kamer zien: vier ijzeren bedden, een plaatijzeren kachel, een grijs bestoft raam en een muur met vier spijkers erin. ""Hier lag ik om tien uur 's avonds op de BBC-Worldservice te wachten. Stiekem natuurlijk allemaal. De muziek zit nog in mijn hoofd. Ik was zo eenzaam.'' Tussen de kale muren fluit hij opnieuw de tune.

In de kantine is het koud. Van het plafond hangt een kaal peertje, de ramen hebben tralies. We hebben bergcognac meegenomen uit het dal, en iedereen is in opperbeste stemming. De mannen praten over jagen, sport, politiek en over vrouwen, heel veel over vrouwen. Onder elkaar spreken ze in termen van ""die bruine kip pak ik vanavond''. Medgit, de grootste versierder van het dorp, drinkt ons toe ""Op de glorie van onze zonen!''. Hij heeft alle vrouwen gehad, beweert hij, ""in de stallen, op het dak, in de bomen, tegen de sneeuwhopen...'' Niemand heeft hem ooit betrapt - anders had hij hier niet meer gezeten - en dus geniet hij zelfs enig respect (zij het gemengd met een zekere onrust). Heb je ooit in je leven aan iets anders gedacht, Medgit, vragen we. ""Nooit. Nooit. Het is altijd hier!'' zegt hij, bonkend op zijn hoofd.

Voor de burgemeester hebben we een pakje Marlboro, een blocnote, een aansteker en een ballpoint meegenomen, en nu zijn we zijn gast, samen met de dokter en de ingenieur. We eten voor dorpsbegrippen een godenmaal: kip met boter en reuzel, stukken grof brood, kaas en uien. De dokter is een zorgelijke man. Er is tot nu toe weinig kindersterfte geweest, maar hij heeft wel een aantal gevallen van Engelse ziekte. Peniciline en antibiotica zijn er vrijwel niet. Voorbehoedsmiddelen? ""In dit land is geen seksualiteit meer sinds Artan vertrokken is,'' grapt de ingenieur, maar de dokter blijft ernstig. Het water in deze streek, zegt hij, is seksueel stimulerend voor vrouwen, maar het maakt de mannen suf en impotent. ""Daarom drinken de mannen hier op donderdag, vrijdag en zaterdag geen drup water, dan kunnen ze nog iets doen, hopen ze.'' Ze zijn gewoon te moe en te dronken, dat is het, zegt Artan. Maar de dokter en de ingenieur houden vol: het ligt aan het drinkwater. Ondertussen worden de restanten kip zorgvuldig weggezet. De kantinebeheerder komt bij ons staan: ""Weten jullie dat Artan hier gewoond heeft? Dat hij één van ons was?'' - hij knuffelt hem ondertussen - ""En hij is weg, hij is eruit gekomen! Weg! Ongelofelijk, niet?''

De krant komt binnen. Het papier is grauw als gort. De hele voorpagina wordt in beslag genomen door één artikel, getiteld: "Bij het volk en zijn zorgen'. Het beschrijft het bezoek van de partijleider aan een naburig district. Maar er is meer nieuws. Een delegatie van het ministerie van onderwijs is naar Engeland vertrokken. De minister van cultuur is naar Zwitserland vertrokken. De president van de republiek heeft een telegram gestuurd aan de president van de republiek Vietnam.

Dan begint Medgit opnieuw te schreeuwen - hij is nu volkomen doortrokken met drank, als een plumpudding: ""Er is er maar één hier in dit dorp die kan neuken! Ja, maar één! En dat ben ik!'' Ja, hij wil ook dolgraag naar het westen, maar vooral om daar met al die vrouwen hetzelfde te doen, oh ja, ""in de bomen, op het dak, boven op de sneeuwhopen...''

De glazen worden omgespoeld. Een man rochelt in de afwasbak.

In de nacht zwerven de wolven en de vossen rond het dorp. In het maanlicht zijn beren te zien, die aardappels uit de tuinen halen. Iedereen kent elke beer, ze hebben namen en bijnamen.

De volgende dag. Een kalf stond in de deur van een flat. Een soldaat gooide een steen naar een hond - het leek de hond niet veel uit te maken. Een kip had een muis gevangen. Een stokoude vrouw liep voorbij, geheel gehuld in grijze doeken en dekens. Een paar geiten liepen de weg over. Twee kale jongetjes staken, de armen om elkaar heen, hun tenen in een plas. De hele dag was er al geen elektriciteit meer, en het begon langzaam te regenen. Dit was het dorp van het grote wachten.

We lagen nog steeds in bed - wat viel hier anders te doen? Eén van ons had een droom gehad: zijn deken was verschoven, het was donker, de helft van zijn lichaam was koud, en hij wist opeens: dit is de reden waarom ze hier nooit iets anders zullen stemmen. Iedere beweging maakt het alleen maar erger, en als je niet meer weet hoe het licht aanmoet is stilliggen nog het beste.

Terug in het hotel bleek de bewaking opgeheven te zijn. De kale, zeurende broertjes van Nysea en nog twintig andere bedelkinderen renden schaterend over de trappen. 's Avonds trok de penose van Tirana de eetzalen binnen. Op de gangen brandde slechts hier en daar nog licht, omdat steeds meer lampen gestolen werden. Op straat waren er messengevechten tussen gangs van verwilderde jongeren. Na negenen wilde geen taxi meer rijden, na tienen durfde niemand meer naar buiten. 's Nachts klonken pistoolschoten in de straten, en soms het vuren van een automatisch geweer. De paar buitenlandse gasten die nog over waren begonnen dromerig hun tickets te bekijken. Het was duidelijk dat we weg moesten, en gauw ook.

Zoals gezegd, Artan is vlak voor de Kerst nog een keer teruggeweest. Zijn ouders bleken al drie dagen niet gegeten te hebben. Zelf kon hij ternauwernood ontsnappen aan drie jongens met pistoolmitrailleurs, die het op zijn paspoort en zijn dollars hadden gemunt. Het hele land zit nu letterlijk op water en brood. Voedselvoorraden worden geplunderd. Omdat er geen hout meer voor de kachels is hebben veel mensen primitieve elektrische kacheltjes gemaakt van spiralen van ijzerdraad. Daardoor is het stroomnet van Tirana overbelast geraakt, transformatoren zijn doorgebrand en omdat er geen deviezen meer zijn om ze te vervangen zit de stad telkens weer zonder stroom, soms dagenlang. De industrie staat grotendeels stil omdat er geen grondstoffen meer zijn. ""Iedereen vervloekt het feit dat hij ooit kinderen heeft gekregen,'' zeggen Artan's vrienden nu. Nysea, het meisje met één been, hangt nog steeds rond voor het hotel, maar ze verliest met de dag de waardigheid en de openheid die ze ooit had.

Bij zijn laatste bezoek had Artan op een lijnbus had staan wachten. Na een uur - er had zich ondertussen een kleine menigte op de halte verzameld - kwam er eindelijk eentje aanrijden. Toen iedereen was ingestapt draaide de bus en reed een heel andere kant op. De chauffeur wilde zijn vriendin opzoeken, die in een uithoek van de stad woonde. ""Straks breng ik jullie naar huis.'' De mensen schreeuwden, maar de deuren bleven dicht. ""Dit is democratie,'' zei de chauffeur, en beide geliefden praatten eindeloos, terwijl de passagiers riepen en bonkten tegen de gesloten deuren.

Het is een zonnige, koude ochtend. De Haagse rechter trommelt met haar vingers op tafel. ""Ik kan direct wel mondeling vonnis vellen,'' zegt ze. ""Het ministerie van Sociale Zaken heeft verklaard dat betrokkene geen diploma's of getuigschriften heeft kunnen overleggen...'' - ""Als ik terugmoet naar Albanië, I'll kill myself,'' zegt Artan - ""Klemmende redenen van humanitaire aard zijn, als ik het zo zie, ook niet aanwezig...'' - ""Dat is even au,'' fluistert de advocaat - ""Zijn werk is ook niet direct in het Nederlands belang...'' - buiten vliegen twee meeuwen - ""Ik beslis dat de eis van Artan Metohu om zijn uitzetting uit Nederland op te schorten wordt afgewezen en dat hij wordt veroordeeld tot de kosten van het geding''.

De hamer valt en Artan trekt wat aan zijn voetbaldas.