Zwaard dat de zon doorvlijmt; Marsman op het eiland Hiddensee

Een van Marsmans stedengedichten in zijn debuutbundel Verzen gaat over het eiland Hiddensee in de Oostzee. Hoe komt het eiland aan die merkwaardige naam en hoe raakte de jonge Marsman daar in 1921 verzeild? Door de Duitse eenwording is het eiland Hiddensee sinds kort weer toegankelijk. “Het is moeilijk voor te stellen dat Marsman hier die "volstrekt schoonste plek aan zee' vond.”

In de zomer van 1921 reisde Hendrik Marsman naar het eiland Hiddensee voor de Duitse kust ter hoogte van Berlijn in de Oostzee. Hij was net geslaagd voor zijn gymnasiumdiploma en zou enkele maanden later in Leiden rechten gaan studeren. Ook in die tijd voelde hij zich al het meest aangetrokken tot de Duitse cultuur en hij had veel gelezen in de klassieke en moderne Duitse letteren. Het was zijn bedoeling om na Hiddensee ook Berlijn en enkele andere Duitse steden te bezoeken.

Tien jaar geleden dwaalde ik oostelijk van Lübeck, waar de wereld toen nog ophield. Sperrgebiet, Minen. Een wal van wilgen, paadjes met verroeste verbodsborden: de grens. Daarachter, onbereikbaar, moest ergens het eiland met de mysterieuze naam Hiddensoe liggen, waar Marsman zo'n prachtig gedicht over schreef en dat ik graag eens zou willen zien.

"Hiddensoe' staat in Verzen (1923), Marsmans eerste bundel. Samen met gedichten over plaatsen als Berlijn, Potsdam, Delft, Weimar en Amsterdam hoort het bij zijn stedengedichten. Dit expressionistische werk (Marsman noemde het vitalistisch) heeft vandaag nog niets van zijn kracht verloren. Ook op scholen wordt het nog veel gelezen. De stedengedichten ontlenen hun aantrekkelijkheid voor een groot deel aan hun toegankelijkheid. Er is een eenvoudig te volgen beschrijving van indrukken die de stad bij Marsman oproept. Daarachter bevindt zich een tweede laag, waaruit een abstracter beeld spreekt. De gedichten hebben iets geheimzinnigs, dat je nooit helemaal begrijpt, maar waarvan je weet dat het prachtig is. Door de stijl met korte regels zonder rijm of interpunctie zijn ze ook voor de moderne lezer nog goed te genieten.

Tussen de andere gedichten in Verzen heeft "Hiddensoe' me steeds getroffen als anders. Het is natuurlijk het enige stedengedicht dat niet over een stad, maar over een bijna onbewoond eiland gaat. Alleen is dat niet meer dan een constatering. De echte verklaring moet in zijn verblijf op Hiddensee te vinden zijn.

De Duitse eenwording heeft Hiddensee eindelijk weer bereikbaar gemaakt. Waar voorheen de wereld nog ophield, rijd je nu zonder erg de neuen Bundesländer binnen. Eindelijk op weg naar Hiddensee om te zien wat Marsman heeft gezien en om zijn beelden met de werkelijkheid te vergelijken.

Hiddensee ligt zo'n tien kilometer voor de Duitse kust, naast het veel grotere eiland Rügen. Het is langgerekt (17 km) en grotendeels niet breder dan een paar honderd meter. Het noorden van het eiland wordt gevormd door een groep pleistocene heuvels van een paar kilometer lengte en breedte, de rest van het eiland is zo vlak als Vlieland. Vanaf de toppen van de heuvels zie je Hiddensee zich bijna recht uitstrekken naar de kust van het vasteland. Het eiland is smal, de Oostzee klotst aan beide zijden.

Een jaar na het neerlaten van het ijzeren gordijn is het er erg rustig. De voormalige Oostduitsers en andere Oosteuropeanen komen hier kennelijk niet meer en het Westen heeft zijn eigen stranden. Via de oude havenstad Stralsund rijd je naar een dorpje op Rügen, van waar een voetveer je in drie kwartier overzet. Auto's zijn verboden op Hiddensee en samen met vijfendertig jaar communisme heeft dat het oorspronkelijke karakter van het eiland goed geconserveerd. 1921 is hier dichtbij.

Hauptmann

Waarom kwam Marsman naar Hiddensee? Het eiland was in die tijd van beperkt toerisme amper bekend. Jaarlijks trok het niet meer dan een paar duizend bezoekers. Misschien heeft Marsman er bij de toneelschrijver- dichter Gerhard Hauptmann over gelezen, die er in 1921 al sinds vele jaren de zomers doorbracht en dat zou blijven doen tot zijn dood in 1946. Hauptmann was er ook tijdens de weken van Marsmans verblijf. Iets dat de Nederlandse dichter geweten moet hebben, maar hij heeft Hauptmann niet ontmoet. Anders had hij daar in zijn correspondentie met zijn vrienden Arthur Lehning en Roel Houwink zeker melding van gemaakt. Naast Hauptmann vonden ook andere beroemdheden hun weg naar het Oostzee-eiland. Er is een anekdote over Hauptmann en Thomas Mann die in 1924 in pension Haus am Meer de etage boven Hauptmann bewoonde. Verstoord door langdurige huldezangen die de plaatselijke jeugd zijn collega bracht, kwam Mann aan het raam en joeg ze met een korte toespraak op de vlucht. De verontwaardigde Hauptmann wist zich geen raad met het optreden van Mann en de verhouding tussen beiden bleef lang verstoord. In later jaren verbleef ook Einstein regelmatig in hetzelfde pension Haus am Meer.

De verklaring voor Marsmans keuze om naar Hiddensee te reizen is prozaïscher. In zijn woonplaats Zeist had Marsman de Duitser Walter Pritzkow ontmoet, de begeleider van een groep kinderen die in Nederland na de oorlog kwam aansterken. Pritzkow schreef gedichten en correspondeerde sinds hun kennismaking met Marsman. Het was op uitnodiging van hem dat Marsman eind juni 1921 per trein naar Hiddensee vertrok. Daar bestond het gezelschap verder uit Theo Kellner, Slawa Weyna en een Nederlandse leerlinge van Pritzkow. Slawa Weyna was de vriendin van Theo Kellner, maar hun verhouding bleek ruimte te laten voor amoureuze betrekkingen met Marsman. Zij is het meisje dat Marsman in zijn vaak bijgewerkte roman Vera vereeuwigde. Toen Arthur Lehning later enige tijd op Hiddensee verbleef, vermengde Marsman in een brief aan hem zijn liefde voor het eiland met die voor Slawa: “Ik weet jou nu in het mooiste land dat ik ooit zag, waar lucht en aarde wind en zee mede lijf waren van Slawa ("de eerste der vrouwen') - ik weet jou daar nu - maar zonder de daagsche verrukkingen van zon en kussen, maar zonder de nachtsche streelingen, maar zonder vriend en zonder vrouw.”

Marsmans verblijf op Hiddensee was zijn eerste buitenlandse vakantie. Hoe hij met zijn vrienden de dagen doorbracht, heeft hij een paar jaar later beschreven in een artikel over Trakl in De Gids (6 juni 1923): “ Ik verbleef enkele maanden - veel te kort! - op een klein eiland in de Oostzee. (-) Ruim en krachtig stroomde de zoute wind, die bloeide van kruidenreuk, en achter de ruischende heuvlen der waatren waren de hemelen een paarlen schelp. Overdag zeilden wij: wuivende tochten door een diep-blauwe wereld - en door het gedurig onstuimige water trokken wij, zwemmend, den lenigen slag onzer leden, als schietende spoelen, blinkende visschen in zacht kristal (-) Een koelen avond rond middernacht - slaap beving reeds in zacht omarmen de zinnen der andren, minder dan ik met de feesten der zon en aarde vertrouwd - zat ik nog wakker in het bloeiend priëel van den nacht: de kamer was laag, balken streepten somber den zolder, de wanden waren droomend met schaduw bekleed - over de tafel stroomde het goud der lamp: daarnaast lagen, zag ik, aanschuivend tot lezen, de verzen van Trakl...”

Badkamerdeur

In de jaren twintig kunnen er niet veel verblijfplaatsen voor toeristen op het eiland zijn geweest. Zou Marsman ook in Haus am Meer gelogeerd hebben? Ontmoeting voor de badkamerdeur met Hauptmann: “Ich bitte Ihnen Herr Marsman, gehen Sie erst.” Arthur Lehning is er in zijn boek De vriend van mijn jeugd (Amsterdam 1954) duidelijk over: Marsman woont met zijn vrienden in de vuurtoren van Kloster. Het is nog steeds dezelfde toren, leert een bezoek aan de oudheidkamer van Kloster (alleen de lamp is in 1928 vervangen). Hij is kort en grijs, met een rode bolle top. Aan de zijde die het eiland zuidwaarts overziet, zijn boven elkaar met zo'n drie meter tussenruimte vier boogramen. Aan de achterzijde is op halve hoogte een enkel raam en aan de voet is in de heuvel een kelder gebouwd. Daarin een paar brede deuren, maar geen ramen. Het ziet er onbewoonbaar uit. De ruimtes moeten wel hoog en behoorlijk groot, maar vooral donker zijn. Het is moeilijk voor te stellen dat Marsman hier die “volstrekt schoonste plek aan zee” vond. En Marsman schrijft over een "lage kamer'. Een werkende vuurtoren als vakantiehuisje huren, klinkt ook onwaarschijnlijk. Wel zeker is de schoonheid van deze plek. Glooiende heuvels met prachtig uitzicht op de zee rondom en op het eiland Rügen aan de horizon. Bij helder weer moet ook het Deense Mön zichtbaar zijn. Nabij zijn de steile zandklippen van Toter Kerl, die dertig meter hoog honderden meters goudgeel boven de zee uit torenen. Is goud te fel en is de kleur eerder brons zoals het dorre gras op de heuvels?

Aan de voet van de heuvel waarop de vuurtoren staat, ligt op een ruim erf tussen bomen een blok van drie huizen. Ik spreek een bewoner aan die me vertelt dat hier vroeger de torenwachters met hun gezinnen woonden. Waarschijnlijk heeft Marsman samen met zijn kennissen bij een van hen onderdak gevonden. Tegenwoordig wordt het blok bewoond door eilanders met andere werkzaamheden en een van de woningen is het tweede huis van een gezin uit Erfurt. Het is zeventig jaar geleden dat Marsman hier verbleef en de oudste van de huidige bewoners is vijftig, te jong om zelfs maar een idee van die tijd te hebben. Maar hij kent de vuurtoren van binnen en weet zeker dat Marsman daar onmogelijk verbleven kan hebben. Maar bij een van de wachtergezinnen lijkt hem heel waarschijnlijk. Ze zullen gedurende de zomermaanden in de tijd van inflatie geprobeerd hebben een paar extra marken te verdienen met het verhuren van kamers. De huizen zijn van binnen nog even primitief als toen. Naast de stoep van het middelste huis is de kraan met stromend water en in de tuin staat het schuurtje met de eveneens gedeelde sanitaire voorziening. Heel landelijk en oorspronkelijk. “Sober de kamer en vierkant de balken zolderen laag.” Die beschrijving uit een brief van Marsman aan Roel Houwink (afgedrukt in Op zoek naar een bezield verband van J. Goedegebuure, Amsterdam 1981) klopt nog steeds. Ik vraag de bewoner naar een verklaring van Marsmans schrijfwijze van de naam van het eiland. Maar het is geen dialect, de eilanders noemen het gewoon Hiddensee. Wel is Hiddensee eeuwenlang van Zweden geweest en Marsman heeft de Zweedse naam Hiddensoe ("ö' betekent eiland) overgenomen, maar waarom hij dat gedaan heeft, is niet te achterhalen.

Vlug en veerkrachtig

In een brief geeft Marsman een precieze beschrijving van de ligging van het vuurtorenwachtershuis. “Hangend het huis aan de bronzen helling der duinen; slank en gespannen de lijn van de heuvel gewrichten en de geledingen glad en verglijdend; rondingen snel en diep deinend, ademen schaduw (-) Maar de sprong van de hoogten is vlug en veerkrachtig en de toren die groeit uit hun top: zwaard dat de zon doorvlijmt (-) (maar bij de avond, als de wereld verkantelt: pijler met ruim).”

De zee rondom is een bijzonder gezicht. Vanaf een heuvel (waar de nazi's later een uitkijkpost bouwden, die nu weer verdwijnt) zie ik de zon in de zee ondergaan. Het schuine licht verscherpt de contouren van de klifkust, zodat het eiland zich als een strakke grafieklijn afzet tegen het vlakke water. Hier zittend is het perspectief als dat vanaf de brug van een schip: water aan alle zijden en meeuwen in de lucht. Dat is het beeld waarop Marsman zijn "Hiddensoe' schilderde: de bronzen boot. Daar gaat het niet over, maar het is de ondergrond van de abstractere betekenis. In een brief aan Houwink van 24 juli 1921 zie je het gedicht ontstaan: “(-) hecht en vijandig dit eiland, een vesting der wereld; het oneindige splintert daar aan. Schip, soepel gesneden, glad en behendig dat het heelal bevaart, nachten en dagen vangt in het omarmende zeil. En uit zijn masttop (den toren vermoedt ge) land in het zicht: de kusten van Rügen en Mön.” Hier op de heuvel dringt het beeld zich aan je op. In de oudheidkamer hangt overigens een aquarel van een nachtelijk Hiddensee voorzien van mast en want.

Het prachtige beeld van het eiland als een boot moet voor Marsman op zichzelf al een goede reden zijn geweest om het gedicht in Verzen op te nemen. Andere stedengedichten werden niet gebundeld en "Hiddensoe' is zelfs door Marsman opgenomen in zijn Verzameld Werk (1936). Naast de kracht van het beeld moeten zijn persoonlijke herinneringen aan het eiland een rol hebben gespeeld. Een eerste buitenlandse reis, een menage à trois, wekenlange nachtelijke gesprekken over zijn lievelingsonderwerp: de literatuur. Hiddensee had alles mee om een gedicht te worden.