Wie normaal is, kan niet deugen; Roman van Brabcová over het Praagse leven tot 1989

Zuzana Brabcová: Ver van de boom. Vert. Magda en Edgar de Bruin. Uitg. Wereldbibliotheek. 179 blz. Prijs ƒ 29,50.

Op 21 augustus 1968 begon in Tsjechoslowakije een tijd van stagnatie. De schrijfster Zuzana Brabcová was toen negen jaar oud en werd dus volwassen in de periode van de reëel bestaande stilstand. In 1984 besloot zij het effect hiervan op papier te zetten. De nu in het Nederlands vertaalde roman Ver van de Boom verscheen in 1987 voor het eerst in een samizdat-uitgave in Praag. In 1991 kwam het boek bovengronds uit bij een grote Tsjechische uitgeverij. Het is het verhaal van de "lost generation' van Tsjechoslowakije: in 1968 nog te klein voor de Praagse Lente en in 1989 te gedesillusioneerd voor de fluwelen revolutie.

Al op de eerste bladzijde van het boek geeft Brabcová het levensgevoel van haar generatie weer: “Ons thuis. Ons volkslied. Mijn luchtdichte thuis met een hemelmaquette, mijn volkslied, waarbij zelfs de doden in de houding moeten staan. Onze generatie, autistisch, alcoholisch, diep in de schulden, oostelijk kwijnend en ambitieloos, westelijk zakelijk en versneld, onze generatie zonder anker, want zonder zee. Omdat Bohemen (mijn land) voor het laatst door de zee is overspoeld in het Paleozoïcum.”

Het verlangen naar water als het leven brengende, het vruchtbaar makende dat de reëel bestaande dorheid voorgoed zal overspoelen is een van de terugkerende thema's in het boek. De tijd die is verstreken sinds de laatste overstroming van Bohemen in de lente van 1968 lijkt net zo lang geleden als de 300 miljoen jaar van het Paleozoïcum. Met dit beeld refereert Brabcová aan een van de bekendste gedichten van de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann "Bohemen ligt aan de zee' uit 1964, waarin de regels voorkomen: “Als Bohemen nog aan de zee ligt, dan geloof ik weer aan de zee.- En geloof ik nog aan de zee, dan hoop ik op land.”

Het is geen toeval dat Brabcová impliciet naar een gedicht verwijst. Ver van de Boom is weliswaar proza, maar proza dat door middel van poëzie de werkelijkheid van die tijd in zijn greep probeert te krijgen. Zo laat de schrijfster als volgt de hoofdfiguur van het boek, Vera, dromen over de dag dat het water komt: “In het hardnekkig streven naar handhaving van orde en tucht en arbeidsplicht vluchten ze met hun hele arsenaal er steeds maar hoger voor weg, maar hun orde wordt vochtig en hun tucht puilt er het drenkelingenoog naar uit en hun revolvers, alle revolvers van die anderen, die er maar op de wereld zijn, worden aangetast door roest en verval.”

Alcoholica

In het verdorde Praag probeert Vera onafgebroken nieuwe parabels en metaforen te zoeken tegen de volksdemocratische verloedering. Dat levert prachtige beelden op. Hoe beschrijf je bijvoorbeeld die typisch Oosteuropese neurose waarin ieder individu gedwongen was een dubbelleven te leiden: het officiële leven volgens de staatsideologie en het officieuze leven tussen de zelfgestookte alcoholica, illegale dollars en heimelijke grappen over het regime? Brabcová heeft daar maar één zin voor nodig: “Praag, Praag, is voor mij een onbegrijpelijke fantastische stad zonder mensen, daarentegen vol tweekoppige speelkaarten.” Hoe groot de vloed aan, ongetwijfeld verdienstelijk, wetenschappelijk onderzoek over Tsjechoslowakije in de periode 1948-1989 in de komende tijd ook zal zijn, het valt te betwijfelen of de wetenschap het leven van die tijd net zo weet te betrappen als de metaforen van Brabcová.

Waar de werkelijkheid zo bizar is, schuwt Brabcová terecht het surrealisme niet. Zo leest haar heldin Vera wat er allemaal aan tekenen van aardse wetenschap en cultuur in de Voyager zijn gestopt die naar het uiteinde van het heelal wordt afgeschoten: een redevoering van president Carter, muziek van Bach en Chuck Berry, de coïtus in beeld, een sneeuwvlokje, E=MC² en nog zo wat aardse parafernalia, die de Amerikanen blijkbaar voor de essentie van het leven op deze planeet houden. Ze is woedend over de leugenachtigheid van deze aluminium cassette met aardse signalen en het lukt haar die op het laatste moment te verwijderen. Om te laten zien hoe het leven op aarde werkelijk is doet ze er de landkaarten van haar grootvader Václav in. Deze grootvader is een oude, gedesillusioneerde communist, die na zijn eerste confrontatie met het stalinisme er voorgoed het zwijgen toe doet en zijn leven vult met het tekenen van waanzinnige wereldkaarten waar alle werelddelen naast elkaar liggen, met gezwollen oranje oceanen en met de Sovjet-Unie "als een stil naar voren schuivende platvis.'

Gekte

De familie van Vera is niet bepaald alledaags: de vader van haar opa pleegde zelfmoord in een gekkenhuis en haar eigen vader is dominee. Als Vera bij de begrafenis van haar zo geliefde grootvader door leed overmand flauwvalt, mompelen de inwoners van grootvaders dorp, met de typisch Tsjechische humor die zo op de Britse lijkt: “Vind je het gek, overgrootvader eindigde in het gekkenhuis, grootvader in de communistische partij en vader is dominee. Dan moet dat kind normaal zijn.”

Omdat Vera zo normaal is, wil ze maar niet deugen. Ze wil zich niet aanpassen aan de alledaagse gekte van het systeem. Hier zijn overeenkomsten met de biografie van de schrijfster die na het eindexamen gymnasium op de universiteitsbibliotheek van Praag werkt, maar "na zes maanden van ondraaglijke verveling' verdwijnt en achtereenvolgens assistente in een ziekenhuis en werkster wordt. Vera wordt naar de psychiater gestuurd, die haar de obligate boom laat tekenen.

Deze boom is, naast het water, het tweede grote symbool in het boek. Vera tekent een verschroeide boom, zonder wortels en rottend, niet verticaal, maar omgevallen, "ooit lang geleden door de bliksem getroffen.' De troosteloze boom als symbool van haar generatie, waarover Vera zegt: “Wanneer mijn vader over zichzelf wil spreken, zegt hij principieel "wij'. Ik, als ik iets over mijn generatie wil zeggen, spreek ik altijd over mezelf.” De boom is verder een onmisbaar instrument voor de schrijfster: “Waren er geen bomen, dan was er niets om op te schrijven.” En tenslotte is de boom een stamboom waar de opstandige Vera als een ondeugdelijke appel zo ver vanaf is gevallen.

Het boek is op deze manier overladen met parabels en beelden en maakt eerder de indruk van een 179 pagina's tellend gedicht dan van een prozawerk. Door dit overgewicht aan parabels en beelden, maakt het boek soms slagzij. Daar staat tegenover dat het poëtische in het boek onmisbaar is om de uitzichtloosheid van het reëel bestaande socialisme te beschrijven.

Hoe uitzichtloos de situatie voor Vera in 1984 ook is, toch geeft zij al aan wat er in november 1989 zal gebeuren: “Water namelijk, net als elke straf en elk genot, komt soeverein en onaangekondigd.”