Vermommingen in steen en marmer; Overzichtsexpositie van Aldo Rossi in Amsterdam

In de Beurs van Berlage, de best denkbare plaats in Nederland, is een tentoonstelling te zien van de architect Aldo Rossi. De afgelopen tien jaar verrees over de hele wereld zijn architectuur, vooral openbare gebouwen, waarin de toren met het puntdak en de zuil telkens terugkeren. Een rondgang door de tentoonstelling met de architect “die niets verzint, maar slechts herinneringen oproept”.

Aldo Rossi, Architetto t-m 26 jan. in de Beurs van Berlage, Amsterdam. Publikaties: Aldo Rossi, The Complete Buldings and Projects 1981-1991, ed. Morris Adjmi, Thames & Hudson, 1991, ƒ 99. Aldo Rossi: Buildings and Projects, ed. Peter Arnell and Ted Bickford, Rizzoli, 1985, ƒ 72,10. The Architecture of the City door Aldo Rossi, heruitg. 1991, Oppositions Books, ƒ 48,25.

Het is één uur 's nachts, maar uitgestorven is de Via Monte Napoleone, de chique winkelstraat van Milaan, allerminst. Nog altijd worden begerige blikken geworpen op de bontmantels, leren koffers, hooggehakte pumps en zijden sjaals die achter pantserglas voor het grijpen liggen. Dan is er opeens een muur, met bovenin een horizontale spleet en eronder een zware bronzen driehoek waar water uit stroomt. In dit mengsel van maneschijn en straatlantaarns ziet het marmer, met vegen grijs en roze, er zacht, bijna aaibaar uit.

Als ik eromheen loop blijkt dit een kubus te zijn met aan één kant een trap. Geen trap voor gemakzuchtigen: de treden zijn extreem hoog, ze doen denken aan de Azteekse piramiden die slechts door de priesters en hun slachtoffers werden betreden. Boven aangekomen kun je vanaf een platform door de spleet in de muur kijken - naar wat?

Ik weet niet goed wat ik moet vinden van dit wonderlijke en fel bekritiseerde monument. Ik ga zitten, met mijn rug naar de spleet toe, en kijk uit over het pleintje met zijn onverbiddelijke symmetrie - of is het juist een rustgevende ordening? - met twee rijen granieten banken, idem straatlantaarns en moerbeibomen. Dit is een architectuur omwille van zichzelf, een kolossale, nutteloze sta-in-de-weg. Maar het is ook een plek waar je de krant kunt lezen of een panino eten, een klein stedelijk theater voor de rituelen van het dagelijks leven.

Nu is in de Beurs van Berlage een grote overzichtstentoonstelling te zien van Aldo Rossi (60), architect van dit monument en talloze andere gebouwen. Hij is zelf bij de opening aanwezig en eindelijk kan ik naar de betekenis van de marmeren kubus vragen. Die blijkt verweven te zijn met Rossi's eigen geschiedenis en die van zijn stad. “De marmersoort is dezelfde, van de Candoglio-groeve, als van de Duomo, het gebouw dat als geen ander het symbool van Milaan is”, verklaart Rossi. “Bovendien markeert het monument de oude scheiding van Romeinse muren tussen de stad en het platteland erbuiten. De moerbeibomen zijn typisch voor mijn streek, Lombardije, en de granieten plavuizen zijn de traditionele bestrating van Milaan.”

Nutteloos is het monument volgens hem absoluut niet: “Het is een trefpunt en een toneel tegelijk. De laatste keer dat ik er langskwam werden drie Amerikaanse mannequins gefotografeerd voor een modereportage. En bovendien had ik opdracht van het vervoerbedrijf van Milaan om van een metro-ingang een openbare piazza te maken.”

Wat hij niet vertelt, kom ik later in de boeken tegen: al in 1962 ontwierp hij een nog geslotener kubus als monument voor de Italiaanse verzetsstrijders. Als het was uitgevoerd had de spleet uitgekeken op een voormalig slagveld. Voor een nieuwe bestuurscentrum in Perugia zette hij, eveneens vermomd als fontein, een hoge, nog veel smallere trap van beige natuursteen. Een jacobsladder, een smalle passage die zonder zichtbaar doel de hoogte in voert.

Teatro del Mondo

Aldo Rossi gedraagt zich met een goedlachse verlegenheid die je niet zou verwachten van een man die zich tot de wereldtop van de architectuur mag rekenen. Die roem, althans buiten vakkringen, dateert van nog niet zo lang geleden. Na zijn studie werd hij vooral bekend als theoreticus. Hij doceerde in Italië, Zwitserland en Amerika, leidde tussen 1955 en 1964 het tijdschrift Casabella en schreef in 1966 het boek L'Architettura della Città, een pleidooi voor de historische stad dat inmiddels in zeven talen is vertaald. Bouwopdrachten kreeg hij wel, maar vooral dicht bij huis, in Noord-Italië.

De doorbraak naar een groter publiek kwam in 1980, niet met een echt gebouw maar met zijn Teatro del Mondo, een drijvend houten theater dat hij ontwierp voor de Biënnale in Venetië van 1980. Zijn eerste buitenlandse opdracht kwam het jaar daarop, voor een woonblok aan de Berlijnse Friedrichstrasse. Het keek toen nog uit op de Muur en om de hoek lag Checkpoint Charlie.

In de tien jaar die volgden is Rossi's ster omhoog geschoten. Hij heeft een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid opdrachten gekregen, niet alleen in Europa maar ook in Japan en Amerika. In 1990 maakte hij ontwerpen voor kantoren in Londen, musea in Schotland en Maastricht, een hotel en een designstudio in Japan, een bestuurscentrum in de hoofdstad van Maleisië, een kunstacademie in de Newyorkse Bronx en in Italië voor een begraafplaats, een bibliotheek, diverse woningbouwcomplexen, een kerk, een Palazzo del Cinema, een Palazzo Congressi en een woonhuis voor een telg van de Alessi-familie. In hetzelfde jaar werd hij onderscheiden met de Amerikaanse Pritzker Prize waaraan een bedrag van honderdduizend dollar is verbonden.

Nederland heeft tot nu toe slechts zijdelings met het werk van Rossi kennisgemaakt. In 1982 maakte hij een (niet uitgevoerd) ontwerp voor de Rotterdamse Kop van Zuid; bij kunstmanifestaties in Rotterdam en Fort Asperen werden losse torens van hem geplaatst, en in samenwerking met zijn compagnon in Nederland, Umberto Barbieri, bouwde hij in Zaandam een klein kunstcentrum in de vorm van een kruis met een torentje. Voor het eerst zijn er nu grote projecten in uitvoering: woningbouw op het Slachthuisterrein in Den Haag en binnenkort het Bonnefanten Museum in Maastricht.

Het oeuvre-overzicht dat eerst in Parijs te zien was en nu in Amsterdam, is een van de mooiste exposities die in de Beurs van Berlage gehouden zijn. De inrichting, een ontwerp van Rossi zelf samen met zijn medewerker Luca Meda, is van dezelfde schoonheid, eenvoud en zwaarte als zijn gebouwen. De groen stalen I-balken die Rossi zo vaak toepast boven deuren en ramen vormen hier drie lange rechthoeken. Het midden dient als een galerij, met de maquettes opgesteld tussen de zachtgele wanden vol kleurrijke tekeningen en schetsen.

Duizenden kilo's

De sponsors, de meubelfabrikanten Molteni en Unifor, hebben een meer dan symbolische bijdrage geleverd: niet alleen hebben zij de inrichting betaald maar ook een ploeg van twaalf man uit Italië laten komen om in vier dagen tijd de 39.000 kilo aan wanden, stalen balken, maquettes, foto's en tekeningen op te stellen.

Voor een tentoonstelling van Rossi's werk was geen betere plek in Nederland denkbaar geweest dan de Beurs van Berlage. Toen Rossi in 1986 als directeur van de Architectuur Biënnale in Venetië een grote tentoonstelling over Berlage organiseerde kon hij niet vermoeden dat hij luttele jaren later zijn eigen oeuvre in deze tempel zou etaleren. Evenals Berlage heeft Rossi, weleens omschreven als “een dichter die toevallig architect is”, een poëtische, filosofisch getinte benadering van de bouwkunst; daarnaast delen ze een liefde voor het materiaal baksteen en voor torens. Zoals bekend is de toren van de Beurs, waar Berlage lang mee heeft geworsteld, op Italiaans voorbeeld geënt. Zijn ontwerp uit 1906 voor een Vredespaleis met een hoge toren gaf Berlage het aan Goethe ontleende motto Über allen Gipfeln ist Ruh, dat ook van toepassing lijkt op Rossi's romantische torens met hun gaanderijen en belvédères. In Amsterdam is de naam van Rossi al genoemd in verband met het terugbouwen van de verdwenen toren op het Mercatorplein, een stedebouwkundig ontwerp van, jawel, Berlage.

Aldo Rossi praat niet makkelijk over zijn werk, zeker voor iemand die vele jaren docent is geweest. Misschien is hij het uitleggen beu, vreest hij dat te veel woorden de magie zullen doen vervluchtigen, of vindt hij dat zijn architectuur voor zichzelf moet spreken. Dus vraag ik hem terwijl we door de Beurs wandelen een aantal projecten uit te kiezen die hem na aan het hart liggen.

Zonder aarzeling loopt hij naar de maquette die vooraan staat, een dwarsdoorsnede van het nieuwe Bonnefanten Museum, dat de vorm krijgt van een E. “Het hart van het museum is een lange houten trap. Net als torens behoren trappen tot mijn favoriete thema's. Deze trap in Maastricht is geïnspireerd op de steile trappen in de hoge Nederlandse huizen. Het heeft ook iets weg van een schip, vindt u niet? Straks loop je er omhoog tussen bakstenen muren door een ruimte van zo'n achttien meter hoog, waar het licht via het glazen dak van boven invalt. De trap is een gebaar dat mensen een sterk gevoel voor de ruimte om hen heen moet geven.” Het Bonnefanten krijgt zo te zien liefst drie torens: een taps toe lopende schoorsteen bij de receptie, een aan het eind van het museumtraject en, daarmee verbonden met een kleine luchtbrug, een hoge koepel met belvédère om peinzend over de Maas uit te kunnen kijken.

Problemen

Tot zijn spijt gaat de opdracht voor het Deutsches Historisches Museum in Berlijn waarschijnlijk niet door. Innemend trots vertelt hij dat zijn ontwerp uit meer dan tweehonderd andere, voornamelijk van Duitse architecten, werd gekozen. “Kanselier Kohl staat er ook achter: hij heeft de maquette nog steeds op zijn kamer staan.” Zijn gezicht betrekt: “Maar ja, geldproblemen, politieke problemen.” Het is een gecompliceerd complex, grotendeels samengesteld uit losse onderdelen: een toren, een grote ronde foyer, een E-vormig gebouw voor bibliotheek en auditorium, het museum met werkplaatsen als oude kleurige Duitse huizen, kantoren in een L-vorm met op de binnenplaats een grote eik.

Met zijn bijna middeleeuwse vormgeving doet het ontwerp voor een congres"paleis' in Milaan zo mogelijk nog monumentaler aan. Ook hier een hoge, smalle schoorsteen, pal op het groene voorplein dat door arcades wordt omringd als ware het een kloostertuin. “Veel mensen denken dat ik die schoorsteen zelf heb bedacht, maar deze stond er al”, lacht hij. “Hij hoorde bij de Alfa Romeo-fabriek die vroeger op die locatie stond. Bij de bouw van een bestuurscentrum in de stad Perugia stond ook een schoorsteen. Op beide locaties heb ik als voorwaarde gesteld, dat de schoorsteen behouden zou blijven. Dat is duurder dan sloop, maar zo'n bouwsel maakt deel uit van de industriële erfenis van Milaan, het hoort bij de stad.”

Heel anders ging hij te werk bij de bouw van hotel Il Palazzo in de uitgaanswijk van de Japanse havenstad Fukuoka. Tussen het rommeltje van kleine bars, zielloze moderne gebouwen, demontabele eettentjes van bamboe en hotels met kamers per uur introduceerde hij een oriëntatiepunt: een ongenaakbare burcht met een gesloten gevel van groen stalen balken en hooggepolijst rood steen.

Rossi heeft een vast repertoire aan vormen, materialen en kleuren ontwikkeld die zijn gebouwen snel herkenbaar maken: stalen I-balken, baksteen, massieve zuilen, torens (soms vervormd tot kegel of schoorsteen en al of niet met kinderlijk vlaggetje in top), kroonlijsten, tongewelven die vaak met koper zijn bekleed, een materiaal dat door zijn verkleuring het verstrijken van de tijd zichtbaar maakt. "Zijn' kleuren zijn een lichtblauw dat in het Italiaans de lyrische naam Il Celeste della Madonna draagt en de kleur groen waarin de luiken van de Noorditaliaanse huizen worden geschilderd.

Wie zoals ik van zijn werk houdt, voelt er een tijdloosheid in die soms prettig melancholiek is. De critici daarentegen verwijten hem almaar klonen uit steeds dezelfde bouwdoos neer te zetten. Sommige projecten dragen inderdaad de sporen van routine, bijvoorbeeld de Londense kantoren en Casa Aurora in Turijn.

Slachthuis

Maar ik schrok toen ik, nog vol van de indrukwekkende tentoonstelling, naar Den Haag ging om de laatste stand van zaken te zien op het Slachthuisterrein. Daar heeft Rossi in samenwerking met de Architekten Cie. van onder anderen Carel Weeber een woonblok ontworpen van vijfhonderd meter lang en zeventien verdiepingen hoog, dat als verbinding moet dienen tussen de haven en een woonwijk van, jawel, Berlage. Rossi had zich bij de opening al boos uitgelaten over de veranderingen in zijn ontwerp: zo werd het aantal woningen bijna verdubbeld. Het gebouw torent nu nog eenzaam uit boven een treurige omgeving van sloop en leegstand waaraan het straks maat en schaal moet geven. Maar in dit vroege, kale stadium lijkt het nauwelijks meer dan een loodzware woonkazerne, een nakomertje van de generatie bovenmaatse galerijflats waarvan ik had gedacht dat ze definitief tot het verleden behoorden.

De werkelijkheid op het Slachthuisterrein ziet er anders uit dan in de Beurs, waar de maquette vooral een kleinschalige, sympathieke woonwijk toont.

In zijn boek Architecture of the City omschrijft Rossi de stad als “een groot, door de mens gemaakt architectonisch object”, een macrokosmos waarin het collectieve en het openbare van oneindig groter belang zijn dan het particuliere. Rossi: “Wil je als architect je gevoel voor richting niet verliezen, dan moet je een voorbeeld voor ogen hebben. Voor het hotel in Fukuoka was dat de doopkapel van Parma; bij het Disney-kantoor in Florida had ik de Campo Santo in Pisa in gedachten, en het dak van de kantoren in Londen is geïnspireerd op het gewelf van de Basilica van Palladio in Vicenza. De villa voor Stefano Alessi daarentegen heeft alles te maken met de lokale bouwtraditie: daar heb ik dezelfde gedraaide spijlen, terracotta ramen en het plaatselijke scagliola-metselwerk van smalle stukjes steen gebruikt. Elk project is verbonden - soms zichtbaar, soms niet - met mijn eigen wortels en met de gebouwen die mij hebben gevormd. Het zijn geen verwijzingen die ik uit de handboeken haal, ze zitten gewoon in mijn hoofd, het is vergelijkbaar met de écriture automatique van de surrealisten.”

Van Rossi is wel eens gezegd: hij verzint niets, hij roept herinneringen op. Hij citeert niet te hooi en te gras maar bouwt op het verleden voort. Hebben die voorbeelden een universele geldigheid?

“Het is alsof de culturen van de verschillende landen waar ik werk, samen een eenheid vormen. Het woonblok, het plein, de zuil - die zijn niet aan geografische grenzen gebonden.”