Typisch Europees

Zojuist heeft Nederland opgehouden te bestaan. Wat ooit een zelfstandig koninkrijk was, klein, maar met een eigen taal, cultuur en goede sociale voorzieningen, is opgegaan in de onpersoonlijke economische unie die Europa heet.

Onze taal zal verworden tot Eurospeak en onze kleurige bankbiljetten zullen het af moeten leggen tegen de kleurloze ecu's, emu's of hoe ze ook mogen heten. Nu merk je het nog niet meteen, maar straks, binnen een paar jaar, zijn we allemaal Euroburgers geworden, zoutloze ingrediënten in de Europap.

Althans, dat is hoe sommige vaderlanders tegen het Europa van 1992 aankijken: als een eerste stap op weg naar onze culturele ondergang, naar het verlies van onze Hollandse identiteit.

Nu komt deze angst waarschijnlijk ten dele voort uit het feit dat het de laatste jaren steeds ongebruikelijker is geworden om de dominerende karaktereigenschappen van een volk te beklemtonen. Europa is niet zozeer grijzer geworden, het is uit de mode geraakt om de kleurverschillen openlijk te benoemen. Nog even en het wordt als discriminatie opgevat als men meent een Italiaan, Duitser of Engelsman aan z'n uiterlijk te herkennen.

Gelukkig hoeft men slechts een oud woordenboek op te slaan om te weten hoe het ene volk zich uiterlijk en innerlijk van het andere volk onderscheidt. Een ideaal naslagwerk wat dit betreft is het Modern Woordenboek van de Belgische pater Jozef Verschueren, een geïllustreerd, encyclopedisch woordenboek dat verscheen tussen 1929 en 1931. De nieuwste editie van dit werk, die een paar maanden geleden werd uitgebracht, is even onbevooroordeeld als wetenschappelijk, maar in de eerste druk zei pater Verschueren nog gewoon waar het op stond.

Het is een groot gemis dat Verschueren geen encyclopedisch artikel opnam over de Denen, de Luxemburgers en de Portugezen en dat hij zich bij de Grieken beperkte tot hun verdiensten in de oudheid, maar zijn observaties - merendeels gebaseerd op eigen ervaringen - van enkele van de voornaamste partners in het Nieuwe Europa zijn zo verhelderend, dat zelfs de grootste cultuurpessimist onder ogen moet zien dat er geen enkele kans bestaat dat Europa ooit echt zal verworden tot een kleurloze, reukloze en smaakloze eenheidsworst. Want wie zou niet de volgende staatsburgers uit elkaar kunnen houden?

Duitser

De Duitser is ernstig, werkzaam en volhardend. Hij heeft een aangeboren zin voor orde, organisatie, tucht, en grote eerbied voor al wat militair is. Men heeft de Duitsers genoemd “een volk van denkers en dichters”. Op het gebied van nauwkeurig wetenschappelijk onderzoek staan zij vooraan. Zij missen echter zekere uiterlijke hoedanigheden, die andere volken meer aantrekkelijk maken.

Engelsman

De Engelsman is sterk, flink en gezond, kleedt zich goed, heeft goede manieren en houdt steeds zijn fatsoen. Hij is zacht, rustig, ernstig, vast in zijn overtuiging en zelfbewust. Hij houdt dol van sport en reizen, loopt graag langs de straten, maar maakt geen drukte. Hij munt uit door opmerkingsgave en werkelijkheidszin en zijn welksprekendheid is vol innigheid en kalmte, soberheid en kracht.

Fransman

De Fransman is uiterlijk beleefd en elegant, beweeglijk, licht, ijdel, prikkelbaar en belust op pret en avonturen. Hij onderscheidt zich meer door zijn tintelenden geest en slagvaardigheid dan door diepte van opvatting of gemoed, en weet alles helder en aantrekkelijk voor te stellen.

Ier

De Ier is vrolijk, levenslustig en impulsief. Vandaar de uitdrukking: een wilde Ier van een meid, voor een wild, ongegeneerd meisje.

Italiaan

De echte Italiaan, niet die van het Noorden, maar de zuidelijke, is bruin, zwart van haar en ogen, hooghartig, ridderlijk en wraakzuchtig met plotseling opvlammende drift. Hij is een geboren zanger, dichter en muzikant, opgeruimd, oppervlakkig en kinderlijk blij onder zijn steeds zonnige hemel, maar tevens onzindelijk en lui, tevreden met wat vijgen en wijn, zich vermeiend in een “dolce far niente” en tevreden met zijn lot.

Spanjaard

De Spanjaard is lichamelijk goed gevormd, van middelbare gestalte, mager en zwart van haar; vooral de vrouwen hebben vurige ogen en een aanminnig voorkomen. Hij is nuchter, matig, moedig, vroom en vol nationale trots, maar ook wraakzuchtig en lui.

Een beetje laf van pater Verschueren, zelf een felle flamingant, is dat hij zich voor de karakterisering van de Vlamingen en Walen beriep op de schrijver Olivier Georges Destrée, maar dat maakt diens observaties van de bewoners van België niet minder saillant. “Behalve die trekken welke al de bewoners van West-Europa met elkander gemeen hebben”, aldus Destrée, “ merkt ge spoedig het diepe verschil dat er bestaat tussen Vlamingen (die Germanen zijn) en Walen (die tot het Romaansche ras behoren). De Vlaming is langzaam, hardnekkig, geduldig en gedisciplineerd; de Waal is levendig, onbestendig en voortdurend in oppositie tegen de overheid. Hun gemoed is verschillend: een idee, een verhaal dat de een zal enthousiasmeren, zal de ander onverschillig laten, ja ze zelfs misschien afschuw inboezemen.”

Dat Verschueren zich niet waagde aan een karakterisering van de Nederlanders komt waarschijnlijk omdat hij nogal tegen hen opkeek. Toch kon hij er niet omheen dat Holland op zijn smalst niet alleen een geografische betekenis heeft, maar ook staat voor “kleingeestige Hollandse zuinigheid of bekrompenheid”. Die uitdrukking omschrijft als geen ander de culturele indentiteit die volgens sommigen in het Europa van 1992 ten onder dreigt te gaan.