Tonnus Oosterhoff: Vogelzaken. Uitg. De Bezige ...

Tonnus Oosterhoff: Vogelzaken. Uitg. De Bezige Bij, 112 blz. Prijs: ƒ 24,50

Leo Pleysier: De kast. Uitg. De Bezige Bij, 106 blz. Prijs: ƒ 22,50.

Carl Friedman: Tralievader. Uitg. Van Oorschot, 120 blz. Prijs: ƒ 24,90.

Kreek Daey Ouwens: Stokkevingers. Uitg. Querido, 88 blz. Prijs: ƒ 19,90.

Jean-Pierre Plooij: Het kalkoenalarm. Uitgeverij Meulenhoff. 221 blz. Prijs: ƒ 34,50.

Karel van het Reve: Een grote bruine envelop, 177 blz. Uitg. Van Oorschot. Prijs ƒ 19,90

Het kortste verhaal in de bundel Vogelzaken van Tonnus Oosterhoff heet ”Fillis' lippen' en telt twee regels. Deze twee: “Ik ademde op de spiegel. In de wasem verscheen de afdruk van Fillis' lippen.” Dichterlijke regels zijn het, die een niet meer aanwezige geliefde en daarmee eenzaamheid suggereren.

Alle verhalen gaan over buitenstaanders, contactgestoorden, hele of halve gekken, zieken, aftakelende dominees, artsen en echtelieden die elkaar op de zenuwen werken. “Het jongetje is keurig netjes”, zo heet het in ”De dokter', “hij laat zijn kamer altijd precies zo achter als die was toen hij kwam; maar hij denkt altijd aan bloed.” Het jongetje doorsteekt zijn hondje met een breinaald en de dokter wordt erbij geroepen, maar de oorzaak van zijn bloeddorst blijft onopgehelderd.

Rauw realisme gaat bij Oosterhoff samen met veel raadselachtigheid; een niet altijd even geslaagde combinatie. Nu eens blijft het bij wat aanzetten tot een verhaal, dan weer laat hij op een bedaarde geschiedenis een wat al te ontluisterend slot volgen. Een van de aardigste verhalen is ”Nazaad', dat zich ongeveer in de zeventiende eeuw af moet afspelen. Een groepje Delftenaren woont een anatomische les bij. Deze les geeft aanleidig tot overpeinzingen over leven en dood. Tot de vraag bijvoorbeeld wanneer de ziel het lichaam verlaat: met het uitblazen van de laatste adem of later. Voor een van de heren is dit een extra prangende vraag omdat hij meent dat hij pas na het overlijden van zijn vader is verwekt met behulp van diens ziel en ”nazaad'.

Gekweld door veel onoplosbare kwesties hobbelen de vrienden 's nachts per rijtuig terug naar huis. “De mannen vroegen zich af hoe dit mogelijk was: de schepping was prachtig en redelijk, en zelf waren ze mensen van goede wil... Hoe waren ze dan terechtgekomen in deze zwarte wond, deze koets?”

Tonnus Oosterhoff: Vogelzaken. Uitg. De Bezige Bij, 112 blz. Prijs: ƒ 24,50

In de novelle Wit is altijd schoon, die in 1988 genomineerd werd voor de AKO-literatuurprijs, liet Leo Pleysier een moeder een lange monoloog afsteken tegen haar zoon. Het bijzondere van die moeder was vooral dat zij haar toespraak - vol verwijten, aanmerkingen en adviezen - hield na haar dood. Een vergeefs, maar ontroerend verzet klonk in de novelle door over de normale gang van zaken: wie dood is, heeft niets meer in te brengen.

Zijn nieuwe verhaal, De kast, is veel aardser, maar heeft wel weer een ongebruikelijke vorm. Een telefoongesprek is het deze keer, tussen ”ons Greet' en haar broer, een naamloze ik-figuur, die nauwelijks aan het woord komt. Het gesprek gaat over een antieke kast-met-inhoud die bij een boedelverdeling aan Greet is toegevallen. De familiepaperassen roepen bij haar veel gevoelens op, waarvan ze haar broer deelgenoot wil maken. Net als de overleden moeder weet ook deze zus van geen ophouden en Pleysier laat het haar zeggen in mooi Vlaams. Zij vertelt onder andere over de afkeer die haar man heeft van de kast: “Horens krijg ik er nog van op den duur, zei hij, van die kast! In het weekend ging hij er stookhout van maken en ze daarna in de open haard gooien! Met die vuil kast van ullie thuis! Nu ja, zo kwaad als hij klonk, meende hij niet hoor! zei ze (-) Zijzelf kende hem lang genoeg om te weten dat hij dat zo niet meende allemaal. Maar toch (-) was zij deze keer wèl achtergebleven met zo iets ambetants en knagends vanbinnen.”

Er knaagt ook iets in dit verhaal, hoe sappig en soepel ook geschreven. Dat ons Greet ”al juist dezelfde tater' heeft als haar moeder, dat geloof ik graag en dat zij van de hak op de tak springt is ook nog tot daaraan toe. Maar wel een beetje vreemd is dat minstens de helft van de lange monoloog opgaat aan een gedetailleerde beschrijving van de boedelverdeling waarbij de broer aanwezig was. Het wordt mij niet echt duidelijk wat Pleysier met al dit gebeuzel gezegd wil hebben. Er valt geen kern, geen doel, geen hoogtepunt in te ontdekken. Ik heb de indruk dat Pleysier, verrast door het succes van zijn vorige novelle, opnieuw de harten heeft willen stelen met een spraakzame dame. Maar ik vrees dat ons Greet daarvoor net wat te gewoontjes is.

Leo Pleysier: De kast. Uitg. De Bezige Bij, 106 blz. Prijs: ƒ 22,50.

Opmerkelijk spraakzaam, zij het op heel andere manier, is ook de man die in Tralievader, het debuut van Carl Friedman, optreedt. Deze vader van drie kinderen ”heeft kamp'. Hij heeft verschillende concentratiekampen overleefd en vertelt te pas en te onpas over zijn ervaringen: verhalen die, zoals dat heet, niet erg geschikt zijn voor onschuldige kinderoren. Ze hebben veelbetekende titels als ”Mahlzeit', ”Eichmann' en ”Barakken'. Hun waarde ontlenen ze niet aan hun gruwelijkheid, maar aan de manier waarop ze verteld worden: uit de tweede hand en in uiterst sobere en heldere bewoordingen. De herinneringen aan de honger, de wreedheden en de vernederingen worden als het ware doorverteld door een klein meisje. Zij probeert zich, net als haar broers, in te leven in het verleden van de vader, maar zij kunnen hem niet begrijpen, zoals hij niet begrijpt waarmee hij zijn kinderen belast. In het hoofdstukje ”Evacuatie' besluit het meisje haar speelgoed te begraven. Ze is bang dat de SS het anders weg zal geven aan een klasgenootje. “Nu mijn speelgoed er niet meer is, lijkt het huis leeg en vreemd, alsof ikzelf ook al ben vertrokken. Alleen Brombeer heb ik niet begraven. Hij moet met mij vergast, al is het ongezond. Om hem met het idee vertrouwd te maken, geef ik hem af en toe een flinke draai om zijn oren. ”Sauhund!' roep ik dan. ”Sauhund'!”

Carl Friedman: Tralievader. Uitg. Van Oorschot, 120 blz. Prijs: ƒ 24,90.

Kreek Daey Ouwens koos net als Friedman voor het kinderperspectief. En ook bij haar komen de kleine en de grote wereld regelmatig met elkaar in botsing, zij het iets minder pijnlijk dan in Tralievader. In Stokkevingers staan niet alleen verhalen, maar ook tien gedichten. “Een boek met proza en poëzie - wat heeft dat voor zin? Wat is het voordeel boven twee boeken, een verhalen- en een dichtbundel?” zo vraagt de flaptekst zichzelf af. Ik zie vooral het nadeel van twee van zulke ”boeken'. Die zouden niet alleen ijselijk dun worden, maar de weinig pregnante gedichten van Ouwens zouden het in hun eentje erg moeilijk krijgen. Beter gesteld is het met de verhalen. Suggestieve en stemmige impressies zijn het van een wereld, bezien door nieuwsgierige, maar angstige kinderogen. Kleine meisjes proberen de malle wereld van ouders, grootouders, ooms en tantes te doorgronden, die beheerst worden door ziekte, aftakeling en dood.

Kreek Daey Ouwens: Stokkevingers. Uitg. Querido, 88 blz. Prijs: ƒ 19,90.

Jean-Pierre Plooij was een jaar writer-in-residence aan de universiteit van Austin, Texas. In Het kalkoenalarm doet hij breedvoerig verslag van zijn ervaringen. Zoals al zijn voorgangers is Plooij onder de indruk van het grote en vele dat Amerika te bieden heeft: de immense natuurgebieden, de ruimte, de brute kracht van de elementen (orkanen, wolkbreuken, hitte en kou). Maar hij heft zijn belerende vinger tegen de leegte en de al te grote behoedzaamheid die hij in de nieuwe wereld waarneemt. De Amerikaan begeeft zich niet zomaar zonder auto op straat en, althans in Austin, al helemaal niet op zijn gazon om te genieten van het zonnetje. Het gezin Plooij trekt dan ook veel bekijks als het in het voorjaar een half uurtje plaatsneemt in de eigen tuin.

Van het uitdragen van de Nederlandse cultuur is, zo kreeg ik de indruk, weinig terecht gekomen. Plooij gaf een heel jaar les aan vier studenten, die bovendien maar matig geïnteresseerd waren in het verre polderlandje, of in zijn speciale dada-project. ”Hoe dada is Amerika!', zo luidt de montere ondertitel van Het kalkoenalarm. Het antwoord moet wel zijn: nèt zo dada als Nederland in de jaren twintig.

Jean-Pierre Plooij: Het kalkoenalarm. Uitgeverij Meulenhoff. 221 blz. Prijs: ƒ 34,50.

In Een grote bruine envelop bundelde Karel van het Reve al eerder gebundelde stukken. Een voordeel is dat men in deze bloemlezing allerlei geruchtmakends bijeen kan vinden, zoals de Huizinga-lezing over de literatuurwetenschap en het essay over de slechtheid van het opperwezen. Bijzonder is ook de bespreking van Annie Romein-Verschoors Omzien in verwondering, waarin hij een weinig vleiende indruk geeft van ”tante Annie'. Het meest leerzaam en hilarisch is wel het stuk over de evolutieleer, ”Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes'. Daarin legt hij eerst Darwins theorie nog maar eens uit aan de onnozele halzen onder ons, om vervolgens op onnavolgbare wijze de aanval op diezelfde theorie te openen. Komische vergelijkingen tussen zebra's en giraffes, slangen met en zonder giftand, de reuzenkoeskoes en de gewone koeskoes brengen hem tot de conclusie dat de evolutieleer tautologisch is en dus niets verklaart. “Als ik op het geheime landgoed waar ik dit schrijf een ree zie weglopen over een bruine akker, dan is de kleur van die ree een schutkleur. Als diezelfde ree door zijn witte achterwerk mijlenver op die akker te zien is, dan is dat opdat zijn jongen hem beter kunnen volgen.” Van een Schoolmeesterachtige allure is ook zijn functieleer. Als onze kiezen de functie hebben om voedsel te vermalen, zo redeneert Van het Reve, dan heeft het varken als functie om ons karbonades te verschaffen.

Karel van het Reve: Een grote bruine envelop, 177 blz. Uitg. Van Oorschot. Prijs ƒ 19,90