Stoomwolken achter zwarte tralies; Overzichtsexpositie van Auguste Chabaud

Voor de ingehouden schilderijen van de Franse schilder Auguste Chabaud (1882-1955) is na zijn dood niet veel belangstelling geweest. In Duitsland is nu een rondtrekkende expositie van Chabauds werk te zien. Zijn ondramatische stijl leunt tegen het fauvisme aan maar is eigenlijk bij geen enkele stroming onder te brengen. “Bij Chabaud is de mens geen hoofdrolspeler, maar een onopvallende figurant.”

Auguste Chabaud: schilderijen, tekeningen en sculpturen. Bij Galerie M, Haus Weitmar, Bochum-Weitmar. Te bezichtigen op afspraak, tel. (09-49 23443997. Vanaf voorjaar 1993 reist de expositie langs drie musea: het Saarland-Museum in Saarbrücken, het Von-der-Heydt-Museum in Wuppertal, en het Lenbachhaus in München.

“Het weinige dat ik weet heb ik niet in benauwde ateliers geleerd, waar ik niet zou kunnen leven (maar misschien wel beroemd worden), maar bij dagloners en herders. Ik tekende wat ik om mij heen zag: boeren, herders, paarden, koeien en de drama's van het leven van alledag, zoals de dood van een varken of van een schaap. Deze tekeningen ontstonden geheel spontaan, los van esthetische overwegingen.”

Dat schreef Auguste Chabaud in een terugblik op zijn werk. Wie zijn tekeningen en schilderijen ziet weet dat het geen koketterie was: deze landschappen en stillevens zijn zó verbluffend vrij en direct, het kan niet anders dan dat ze onmiddellijk voortkwamen uit de intieme ervaring van het leven op het Zuidfranse platteland, met het felle, verglijdende zonlicht en het gestage ritme van de seizoenen. Even verbazingwekkend is de datering van dit werk. Al in de eerste vijf jaar van deze eeuw schilderde en tekende Chabaud in een volstrekt originele expressionistische stijl, waarin abstractie en figuratie moeiteloos in elkaar overgaan.

Wie kent de naam Auguste Chabaud? Bijna niemand. Zijn schildersloopbaan speelde zich af in de marge van het fauvisme, in de Salons de la Société des Artistes Indépendants (van 1907 tot 1932) en in de Salons d'Automne (van 1907 tot 1931). In 1910 exposeerde hij in de befaamde galerie van Berthe Weil aan de Rue Victor Masse, samen met Matisse, Picasso, Dufy, Modigliani en anderen. Zo kwam het dat hij opgenomen werd in de Armory Show in New York, 1913. In 1937 nam Chabaud deel aan een retrospectieve van kunstenaars van de Salon de l'Art Indépendant in het Petit Palais in Parijs. In 1946 had hij een solo-tentoonstelling in het Musée des Beaux Arts in Nimes, en in 1950 in het museum van Aix en Provence. In 1955, op 73-jarige leeftijd, stierf hij op zijn boerderij Mas de Martin bij Graveson, ten zuiden van Avignon, de plek die hij vanaf 1919 zelden meer verlaten had. Chabaud werd postuum geëerd met een laatste expositie in de Salon d'Automne. Hierna werd de "kluizenaar van Graveson' vergeten.

Afgelopen zomer zag Alexander von Berswordt, galerist en kunstbemiddelaar in Bochum (bij Essen), toevallig enkele schilderijen van Chabaud in de kleine galerie van Michel Gay en Marcel Fouque in de Provence. Via de vroegere directeur van het museum van Orléans, David Ojalvo, die in 1986 een tentoonstelling van Chabaud organiseerde, kwam hij in contact met de kinderen van de schilder. Zes van de oorspronkelijke acht zijn nog in leven. Zij hebben de nalatenschap van hun vader al die jaren consciëntieus bewaard. Pas na herhaaldelijk aandringen waren zij bereid om een expositie in Duitsland te overwegen en stuurden zij uit hun midden twee afgevaardigden per trein naar Bochum om de galerie in ogenschouw te nemen. Daar hangen nu de schetsen, tekeningen en schilderijen van Chabaud, waarvan de meeste zelden of nooit eerder zijn getoond; ook zijn enkele sculpturen opgenomen. Vanaf het voorjaar van 1993 zal het werk een reis maken langs drie Duitse musea, het Saarland-Museum in Saarbrücken, het Von-der-Heydt-Museum in Wuppertal en het Lenbachhaus in München. Bij de tentoonstelling is een fraaie catalogus met veel reprodukties verschenen. De oudste dochter, Arlette, schreef de biografie.

Leerlooierszoon

Auguste Chabaud werd in 1882 geboren als zoon van een leerlooier, die in 1893 van zijn vader het grote landgoed Mas de Martin erfde. De familie woonde in Avignon waar Auguste en zijn broer naar school gingen, en bracht de vakanties en weekends door op de boerderij van Mas de Martin. In 1896 begon Auguste, die maar “één passie had, namelijk om schilder, en niets anders dan schilder te worden” aan de Ecole des Beaux Arts in Avignon. In 1899 vertrok hij naar Parijs waar hij studeerde aan de Ecole Nationale de Beaux Arts en de Académie Carriére. Hier ontmoette hij onder anderen Matisse, André Derain en Jean Puy. Na de dood van zijn vader in 1901 keerde hij terug naar Mas de Martin.

Uit dit jaar dateren de vroegste werken op de tentoonstelling. Het bijzondere is dat hij in deze vroege tekeningen en schilderijen al direct zijn eigen stijl gevonden heeft. Ze zijn met zoveel trefzekerheid gedaan dat het soms moeilijk voorstelbaar is dat dit het werk is van een twintigjarige. "Les Laveuses' bijvoorbeeld toont vier vrouwen op hun knieën naast een beek. Met slechts enkele lijnen zijn het stromende water, een paar bomen en de wassende vrouwen weergegeven. Het is alsof Chabaud intuïtief, bijna zonder het te hoeven leren, wist hoe hij een beeld in zijn geheel in zich op kon nemen en het in zijn essentie weer kon geven.

Pakpapier

Verrassend is daarbij het materiaalgebruik. Voor zijn tekeningen gebruikte Chabaud bruin papier, het liefst het gladde papier waar de slager het vlees in verpakt, en schilderen deed hij in olieverf op bruin karton met een grove vezel. Een enkel schilderij op linnen daargelaten, bleef hij zijn hele leven trouw aan deze materiaalkeuze. Hij buitte de mogelijkheden van papier en karton optimaal uit door grote delen open te laten en mee te laten spelen in het beeld. Een beetje wit hoogsel hier en daar (zoals in "Les Laveuses'), contrasterend met het dulle bruin, of wat zwarte houtskool, of als het zo uitkomt wat rood en goud, zijn voldoende om, als was het toverij, de voorstelling tot leven te wekken.

De vrije omgang met het materiaal en de vergaande reductie van de beeldende middelen maken dit werk heel twintigste-eeuws.

Een gebrek aan financiële middelen - in het jaar van de dood van zijn vader mislukte ook de wijnoogst - belette de jonge schilder terug te keren naar Parijs. Gedwongen om in zijn eigen onderhoud te voorzien ging hij scheep op een marineschip van de Compagnie Fraissinet, om twee jaar lang als marine-officier de kusten van Afrika te bevaren. Vervolgens bracht hij drie jaar door in militaire dienst, bij de artillerie van het koloniale leger in Tunesië.

Eindelijk, in 1907, ging Chabaud weer naar Parijs. Hij debuteerde in de Salon des Indépendants en verkocht alle tentoongestelde schilderijen, zes in totaal. Ook maakte hij deel uit van de "Cage aux Fauves', zoals de fauvistische afdeling van de Salon d'Automne spottend werd genoemd. In veel opzichten was het terecht dat hij tot de fauvisten gerekend werd. Zijn werk voldeed aan de eis van Matisse: “Kunst moet statisch zijn in plaats van dynamisch, en uitdrukking geven aan een bijna religieus gevoel voor het leven”. Ook is bij Chabaud “de ruimte om de figuren even belangrijk als de figuren zelf” (Matisse), elk onderdeel van het schilderij bezit expressieve kracht. En de kleur correspondeert niet in de eerste plaats met de zichtbare werkelijkheid, maar met het gevoel dat uitgedrukt wordt. Om opnieuw Matisse te citeren: “L'exactitude n'est pas la vérité”.

Gedempt

Maar vergeleken met de Fauves is het kleurgebruik van Chabaud ingehouden en gedempt. Uitbundigheid en theatraliteit is vreemd aan zijn werk. Wel ondernam hij pogingen om het Parijse nachtleven te schilderen. Maar zijn prostituées en bordeelscènes zijn minder overtuigend dan zijn andere, meer meditatieve werken. De thematiek, die vraagt om dramatiseren, paste hem niet. Hij wist dit, denk ik, ook, want er klinkt iets van verontschuldiging door in zijn woorden: “In Parijs, voor 1914, probeerde ik schilderijen te maken die overeenkwamen met de manier waarop de provinciaal de bars en zwervers van de grote stad ervaart, de kaden en stations, de Moulin Rouge en Montmartre. Dat alles leek mij heel authentiek, en ik ben nu eenmaal niet iemand die alle snaren van de lier tegelijk bespeelt.”

Bij Chabaud is de mens geen hoofdrolspeler, maar een onopvallende figurant. Prachtig is bijvoorbeeld het "Gare du Nord' (1907), waar witte stoomwolken opbollen in de donkere avond, afgeschermd door een zwart hek. Voor het hek bevinden zich een paar donkere passanten. Nog gedurfder van compositie is het "Gare de Triage'. Stoomwolken, spoorlijnen en seinlichten zijn hier abstracte motieven geworden.

Van 2 augustus 1914 tot 3 maart 1919 diende Chabaud als artillerist in het Franse bezettingsleger in Duitsland. Na de gruwelijke loopgravenoorlog kon hij, zo merkte hij, niet meer terug naar het Parijs dat hij verlaten had. Zijn enige broer verloor hij bij Verdun. Auguste werd hierdoor verantwoordelijk voor Mas de Martin. In 1921 trouwde hij met Valentine Susini, een meisje uit het naburige Graveson. Van toen af verdeelde hij zo goed en zo kwaad als het ging zijn aandacht tussen de zorg voor de boerderij en zijn gezin met acht kinderen, en zijn kunst.

Ook al waren de omstandigheden vaak moeilijk, zijn creatieve kracht bleef onverminderd. Met enkele vegen van wat mauve en transparant blauw schiep hij weidse, heuvelachtige landschappen, met grijsgroene bomen, een droge, rotsige grond, een koperkleurige of genadeloos helblauwe hemel. De latere landschappen zijn vloeiender dan voorheen, onderworpen aan één grote golvende beweging. Hier werken mensen op het land in het verblindend zonlicht, daar beweegt zich iemand alleen voort op een lange zandweg. In een kamer staat een vrouw in afwachting bij het venster. Het zijn transparante schimmen, stil, als bevroren in een eeuwigdurend moment. De soberheid, karigheid bijna van Chabauds manier van schilderen draagt bij aan een allesoverheersende sfeer van melancholie en van een gevoel van fundamentele menselijke eenzaamheid.