Stadsschouwburg:

Wat er ook met de Stadsschouwburg van Amsterdam als gebouw moge gebeuren, dit moet toch even gezegd worden:

De stoffigheid van opvoeringen zoals b.v. Kleists Penthesilea lag absoluut niet aan de stoffering van de zaal maar was geheel te wijten aan de "stoffering' op toneel. Decor en kostuums alleen al ondermijnden haast alles wat Kleists helden en heldinnen met zoveel moeite proberen uit te schreeuwen; alle passies getemd door een - ook al weer zo stoffig - postmoderne knipoog. Men vervangt het bloederige slagveld door een (uiteraard stoffige) bibliotheek (ach "Penthesilea': 't is maar een boek!) en laat de amazones (ha ha) in stoffige pastelkleuren, négligés in crème, beige en roze huidskleuren stoffig acteren. Penthesilea voorgoed ontsmet voor de sfeervolle Nederlandse huiskamer. (Die slome beige huis- en slaapkamerkleuren hebben mij trouwens al eerder een keer voortijdig het theater uit gedreven: bij Alban Bergs Lulu - toevallig ook zo'n wilde vrouw!) En een echte interpretatie ontbreekt. Men zegge niet dat het anders op Nederlands toneel niet mogelijk is: ik herinner aan de jeugdige, frisse Penthesilea van de TRUST op een kaal Haarlemmer toneeltje, en de Empedokles door, als ik me niet vergis, Rijnders in Aorta, alweer zo'n vijf jaar geleden. Het probleem is hier eerder: als er eens iets goeds gebeurt (buiten de Stadsschouwburg dan meestal) - wordt het niet opgemerkt, of afgekraakt.

Met een verbouwing verander je niets als je niet een theater aandurft zonder het veilige vangnet van ironie, relativering en stemmig getemperde kleuren. Moed op het theater is al lang niet meer te vervangen door af en toe een naakte acteur of een vrijpartij met wilde kreten. Die grappen, ideetjes en knipogen: ik ben ze zat.

Laat dan die goede oude Schouwburg staan (als je liever in de IJsbreker speelt, ga je toch ook niet het Concertgebouw afbreken), en verander het theater: op de planken.