Rob Jurka.

Rob Jurka

Philip Mechanicus T-m 8 jan. in Canon Photo gallery, Leidsestr. 79 Amsterdam, di t-m vr 12-17.45 uur, za 11-16.45 uur.

AIR T-m 12 jan. in Stichting AIR, Anna van den Vondelstr. 1a Amsterdam, wo t-m zo 14-18 uur.

Rob Jurka

Na 22 jaar sloot vorige week galerie Jurka aan het Singel in Amsterdam. Eigenaar Rob Jurka is met ingang van vandaag werkzaam bij galeriehoudster Barbara Farber, een eindje verderop aan de gracht. Een opmerkelijke stap voor de galerist, die geen eigen kunstenaars meeneemt naar Farber. De 47-jarige Jurka licht toe: “Ik blijf daar de dingen doen die ik in mijn eigen galerie ook deed: exposities organiseren, tentoonstellingen maken en op beurzen staan. Alleen is Barbara volledig financieel verantwoordelijk en dat lijkt me voor de verandering heel aangenaam.”

Jurka begon zijn galerie in 1970 toen in Amsterdam hooguit tien galeries bestonden. “Er was een enorme behoefte aan kunst, het aanbod was veel kleiner dan de vraag; bij openingen stond men buiten in de Halvemaansteeg in de rij. Er werd veel gekocht in die tijd, de prijzen waren natuurlijk ook laag want je begon met jonge kunstenaars. Jan Beutener was de eerste exposant. Daarnaast heb ik vanaf het begin werk van buitenlanders gebracht, zoals tekeningen en grafiek van de surrealist Hans Bellmer.”

Jurka heeft altijd een gevarieerd beleid gevoerd en bood door de jaren heen een podium voor beginners die werden afgewisseld met internationale beroemdheden. “Ik heb nooit veel heil gezien in een program-galerie, er zijn zoveel verschillende uitingsvormen. In de jaren zeventig toonde ik onder meer grafiek van Hockney en Warhol, en al waren de prijzen betrekkelijk hoog - zo'n Warhol-portret in oplage van Mick Jagger kostte toen 2.000 gulden - de verkoop was goed. In 1979 bracht ik foto's van de nog onbekende Robert Mapplethorpe, dat liep hier beter dan destijds in New York.”

De bloeitijd van galerie Jurka begon eind jaren zeventig en duurde tot ongeveer 1985. “Er kwamen veel bezoekers, vooral kunstenaars en kunststudenten. Van de verkoop in die tijd dus moet je je niet teveel voorstellen, de galerie is nooit een geldbron geweest. Zonder mijn vriend, die een regelmatig inkomen heeft, had ik het nooit gered.”

Rob Jurka bracht in die jaren veel jonge Nederlanders, zoals Peter Klashorst (die nu de laatste exposant was voor de sluiting) en Ernie & Bidet met hun "strip-kunst'. Ook kon men aan de Singel met zekere regelmaat kunst met een homoseksuele inhoud zien, niet alleen van Hockney en Mapplethorpe maar ook van Jean-Marc Prouveur en Maarten van Dreven. “Ik vond hun werk interessant, maar dat leverde me al gauw het stigma van "homo-galerie' op. Voor de andere kunstenaars was dat wel eens vervelend.”

Terugkijkend heeft de als vriendelijk en collegiaal bekend staande Jurka vooral genoten van "het contact met kunstenaars als klanten.' En juist dat miste hij de laatste jaren: “De kliekjesgeest in het kunstwereldje ging me tegenstaan, de onderlinge afgunst en vooral de pretentie.”

Na al die jaren moet Jurka concluderen dat een kunstmarkt in Nederland niet echt van de grond is gekomen. “De dames in plooirokken met hun ega's in trenchcoats hebben hier nooit op de stoep gestaan, die kopen statuskunst zoals een Willink waarvan iedereen weet dat hij een paar ton heeft gekost.” Toch is de overheidsbemoeienis die bijna uitsluitend is gericht op promotie van Nederlandse kunst in het buitenland, hem een doorn in het oog. “Alsof alles ginds beter is! Nee, dat is allemaal weggegooid geld.” Waarom de kunstwereld dan niet vaarwel gezegd? “Galerie Farber hoort niet echt bij het Amsterdamse circuit omdat er vooral met buitenlandse kunstenaars wordt gewerkt. De kunstenaars uit haar "stal' liggen me goed. Met de Mexicaan Julio Galan bijvoorbeeld had ik graag zelf gewerkt.” Instemmend haalt hij een uitspraak van een collega-galerist aan: “Een kunstenaar moet zich vernieuwen, maar een galeriehouder net zo goed.”

Philip Mechanicus

Wat is een goed portret? Het is een kwestie die fotograaf Philip Mechanicus (Amsterdam 1936) al vele jaren bezighoudt. Een jaar geleden vertrok hij naar Japan waar hij, anders dan in Nederland, geen mensen van de straat kon plukken die hij interessant "materiaal' achtte. In Japan wordt elke sociale ontmoeting namelijk geregeld via een introductie. Of hij zijn geportretteerden kon kiezen, is niet duidelijk. Volgens de tekst bij de expositie in Amsterdam wordt met deze 25 portretten "een levendige statistiek van het Japanse gezicht' gegeven. Wat wordt daarmee bedoeld? Misschien heeft die opmerking betrekking op de fysionomie van "de' Japanner: de stand van de ogen maakt hun gezichten voor ons soms moeilijker te "lezen'. Maar juist die verschillen heft Mechanicus uiteindelijk op. Iets ondoorgrondelijks, want geslotens, treft ons nog wel in het schoolmeisje Atsuko Kawai dat ondanks haar staartjes en bloesje met veterstrikje maar niet lief wil worden. Ze kijkt ons zeldzaam blanco aan, net als haar broer(?) Taketoshi in militair uniform. Maar hun kleine zusje Tomoko is in een ondubbelzinnige houding vereeuwigd: het bozige pruilmondje, geaccentueerd door de strijdlustig gevouwen armpjes eronder, toont een kind dat heel goed weet wat ze wil.

Langzaam gaat opvallen dat alle geportretteerden zwart haar hebben en ook dikwijls zwarte kleren dragen; daardoor krijgen hun onveranderlijk witte gezichten alle nadruk. De aardige of kwetsbare bestudeer ik het langst. Prachtig is bijvoorbeeld het paar Yano-Naoko, een lange vrouw met een bijna wrede mond naast een kleine, schuwe jongen. Het zijn twee volstrekt verschillende individuen die desondanks steun zoeken bij elkaar. Opmerkelijk zijn ook de excentrieke gezichten, zoals van Ayako, de ijdele jongeman die zijn lange haar in de nek gooit zodat het golvend overgaat in de haren van zijn bontjas.

Het gezicht van elke poserende zegt: ik word gezien. Daardoor is er nooit iets intiems in de portretten te bespeuren, een poseur kent geen onbewaakt moment. Oost en West verschillen daar blijkbaar niet in, iedereen verbergt iets - omdat we toch bang zijn dat de camera onze ziel steelt? De titel van de tentoonstelling is daarom toepasselijk: Warawanaide Kudasai!, dat wil zeggen: Niet lachen alstublieft!

T-m 8 jan. in Canon Photo gallery, Leidsestr. 79 Amsterdam, di t-m vr 12-17.45 uur, za 11-16.45 uur.

AIR

In een kring staan negen monitoren, daarbinnen draait een kleurig bouwseltje rond op een sokkel, omgeven door microfoons en camera's. Deze installatie van Victor Elberse en Jop Horst is een eenmalige samenwerking tussen een architectonisch tekenaar en een video-kunstenaar. Op de monitoren verschijnen achtereenvolgens de kleuren rood, geel, groen en blauw, onderbroken door verticale strepen alsof het een testbeeld was. Na enige tijd wordt duidelijk dat het weergaven betreft van de gelijktijdig opgenomen draaiing van het bouwseltje, dat een aantal "kamers' heeft die in de verschillende kleuren zijn geschilderd.

Het ronddraaiende ding werd gebruikt bij het maken van de eerste tekenfilms; door opeenvolgende bewegingen in verschillende "kamertjes' te plakken en die al draaiend op te nemen, werd de suggestie van beweging gewekt. Af en toe is een dreunend geluid te horen en flitst er licht. Dat het medium video bestaat uit licht en kleur, is blijkbaar de belangrijkste "boodschap' van dit conceptuele werk. Buiten de kring staan twee reusachtige sculpturen opgesteld die met hun reptielachtige huid nog het meest lijken op in hun eigen staart bijtende slangen. Ze moeten de dreigende atmosfeer in de verduisterde zaal versterken maar het is alsof je als volwassene een spookhuis binnenrijdt: zodra je ogen aan het donker zijn gewend, zie je dat de skeletten van plastic zijn gemaakt.

T-m 12 jan. in Stichting AIR, Anna van den Vondelstr. 1a Amsterdam, wo t-m zo 14-18 uur.