Rapport over Oost-Timor is troefkaart voor president; Hoog spel Soeharto tegen leger; Het debâcle in Dili heeft aanzien van strijdkrachten stevige deuk gegeven

JAKARTA, 3 JAN. Het kan toeval zijn en misschien was het te wijten aan een regiefout. Toen opperrechter Djaelani, voorzitter van de Indonesische commissie die een onderzoek heeft ingesteld naar het bloedbad in Oost-Timor, tijdens de perspresentatie van zijn rapport een aantal doden van “ongeveer vijftig” noemde, verscheen president Soeharto in close-up op de televisieschermen met een brede glimlach op het gelaat.

Op de kijker werkte dat zeer suggestief, alsof de president een onderzoeksresultaat dat zo sterk afweek van de versie van het leger beschouwde als een persoonlijke triomf. Het zal wel toeval zijn geweest - of een regiefout - maar de gewekte suggestie is niet onjuist. Het rapport-Djaelani stelde Indonesië in staat zich internationaal te revancheren en gaf Soeharto een troefkaart in handen tegenover het Indonesische leger, dat nogal wat tegenstanders van de president telt.

De laatste weken was de vraag niet zozeer: wat is er precies gebeurd, maar hoe geloofwaardig is de onderzoekscommissie? De commissie heeft de test doorstaan; ze heeft geloofwaardigheid verworven door met een rapport te komen dat op hoofdpunten afwijkt van de legerversie. Ten eerste wat betreft het aantal doden (“ongeveer vijftig en misschien meer”, bijna drie maal zoveel als de opgave van het leger), ten tweede wat betreft de schuldvraag (niets over het perfide Portugal of gepolitiseerde priesters en heel wat over gebrekkige relbestrijding, “excessief schieten” en “desorganisatie” onder de troepen).

De commissie deelt de schuld voor het incident min of meer gelijkelijk toe aan “provocerende demonstranten” en de strijdkrachten ter plaatse en zwijgt, anders dan de legerwoordvoerders, over “buitenlands gestook” en “misbruik van kerkgebouwen”. Dat is hier goed gevallen. Het doorgaans kritische weekblad Editor zette deze week op het omslag: "Rapport-Djaelani: wat een lef!'. De commissie heeft zich, met rugdekking van de president, gedistantieerd van het machtige leger en aldus een vorm van onafhankelijkheid gedemonstreerd.

Of het rapport-Djaelani een getrouwe weergave is van de feiten, is een ander verhaal; daarvoor blijven er teveel witte plekken in de rapportage. Zo wordt niet duidelijk wie er precies geschoten heeft en of er sprake was van enigerlei bevelvoering bij de schietpartij. Evenmin wordt duidelijk waar de ongeveer dertig doden zijn gebleven die volgens de commissie wel zijn gevallen, maar die ze niet heeft kunnen vinden.

Soeharto heeft met behulp van de commissie nadeel omgezet in voordeel, een niet geringe prestatie. Het internationale prestige van Indonesië - en daarmee van de president - had door "Dili' zware schade opgelopen. In de nadagen van een kwart eeuw presidentschap hecht Soeharto aan internationaal aanzien, voor zijn land en voor hemzelf. Hij wenst het politieke toneel straks te verlaten als een gerespecteerde “elder statesman”. Door een commissie te benoemen die alleen aan hem verantwoording schuldig was en kennelijk de vrije hand kreeg om indien nodig de legerversie te wraken, heeft Soeharto sceptici in het buitenland verrast.

De president heeft de internationale gemeenschap laten zien dat Indonesië zeer wel in staat is in eigen huis orde op zaken te stellen, feiten boven water te halen die het leger kennelijk verborgen wilde houden en koppen te laten rollen. Tot dusverre hebben alleen Portugal en Amnesty International het rapport als onvoldoende bestempeld. Dat was voorspelbaar; dat de kritiek vooralsnog alleen uit die hoek komt, is een niet geringe winst voor Indonesië.

Binnenkort moet de begroting 1992-'93 worden gepresenteerd en daarin zal wederom een flink deel van de inkomsten bestaan uit bilaterale en multilaterale hulp uit het buitenland. Dat zelfs in het Japanse parlement, dat jaarlijks beslist over tweederde van de bilaterale hulp aan Indonesië, de laatste weken is bepleit om de hulp aan Jakarta te binden aan 's lands staat van dienst op het gebied van de rechten van de mens, was een teken aan de wand.

In de tweede plaats beschikt Soeharto met het commissierapport over een zeer sterke troefkaart tegenover de ABRI, het leger, in welks rijen veel weerstand bestaat tegen een nieuwe ambtstermijn van Soeharto na 1993. Door in haar rapport de schuld voor het bloedbad mede bij de ABRI te leggen heeft de commissie-Djaelani haar rechtstreekse opdrachtgever waarschijnlijk een dienst bewezen. In zijn kwaliteit van Panglima Tertinggi (hoogste bevelhebber) van de Indonesische strijdkrachten heeft Soeharto kort na verschijning van het rapport een paar rake klappen uitgedeeld aan het leger.

Een tweetal generaals, de regionale bevelhebber Sintong Panjaitan, die vanuit zijn hoofdkwartier op Bali een groot deel van oostelijk Indonesië militair onder zijn hoede had, en de provinciale bevelhebber in Oost-Timor, Rudolf Warouw, werden op staande voet overgeplaatst naar Jakarta. Dat beide officieren al op de nominatie stonden voor vervanging neemt niet weg dat de maatregel rechtstreeks in verband staat met hun verantwoordelijkheid voor het Dili-incident. In Indonesië, waar de politieke cultuur het stempel draagt van de Javaanse erecode, betekent dit beduidend gezichtsverlies.

Daar bleef het niet bij. De chef-staf, generaal Try Sutrisno, die tijdens Soeharto's staatsbezoek aan een aantal landen in Latijns Amerika en Afrika in het parlement en tegenover de pers de korpsgeest van de ABRI verwoordde, van geen fouten wilde horen en stug vasthield aan negentien dodelijke slachtoffers, kreeg opdracht om de ruim dertig doden die de commissie niet heeft kunnen vinden, persoonlijk op te sporen. Een karwei waaraan geen eer valt te behalen. Vindt hij de lichamen, dan moet hij openlijk zijn ongelijk bekennen. Vindt hij ze niet, dan faalt hij in zijn opdracht.

Eventueel ontslag van Try is hoogst onwaarschijnlijk. Als chef-staf maakt hij deel uit van Soeharto's kabinet en tussentijds opstappen betekent een te groot gezichtsverlies. Maar de kans dat Try, die menigeen tipte voor het vice-presidentschap en zelfs voor de opvolging van Soeharto, tot zulke hoge politieke posten wordt geroepen, lijkt verkeken.

De bevelhebber van de landstrijdkrachten, generaal Edi Sudrajat, werd aan het hoofd gesteld van een Militaire Ereraad, die moet nagaan in welk opzicht er op 12 november in Dili is gezondigd tegen de militaire discipline. Het al weken geleden afgeronde en streng geheime rapport van de militaire inlichtingendienst kon kennelijk geen genade vinden in de ogen van de president. Sudrajat is geen vriend van Soeharto. Hij behoort tot de stroming in het leger die kritiek heeft op diens leiderschap en hij heeft daaraan meermalen uiting gegeven. Zijn opdracht is niet zozeer een erebaan, maar vooral een netelige klus. Soeharto laat het weliswaar aan het leger over om de ontbrekende feiten boven water te halen, maar dwingt het tevens om de hand in eigen boezem te steken.

De uitkomst van een en ander is moeilijk te voorspellen. Misschien hoopt Soeharto dat het leger na "Dili' een toontje lager zal zingen als het over ruim een jaar mag meepraten over zijn opvolging c.q. prolongering van zijn presidentschap. Het zal wel op het laatste uitdraaien en dan wordt het, gezien Soeharto's gevorderde leeftijd, van groot belang wie er vice-president wordt. In 1988 heeft Soeharto de benoeming van Sudharmono, een voormalige voorzitter van de regeringspartij Golkar, tot vice-president tegen de wil van de ABRI doorgedrukt. Menigeen verwachtte dat de ABRI in 1993 revanche zou eisen en de keuze van de tweede man zou willen dicteren. Het debâcle in Dili heeft het aanzien van de strijdkrachten een gevoelige deuk gegeven en Soeharto lijkt daarvan gebruik te maken om de ABRI te laten zien wie er de baas is.

Dat is hoog spel. Het leger is nog steeds zeer machtig in Indonesië, zeker als het één lijn trekt. Daar heeft het de afgelopen tijd wel eens aan ontbroken. Binnen de ABRI bestaat geen overeenstemming over Soeharto's leiderschap, over de toenemende kloof tussen arm en rijk in het zich snel ontwikkelende Indonesië en over de toekomstige rol van de militairen in het landsbestuur. "Dili' kan die controverse aanscherpen, maar het incident kan even goed de korpsgeest binnen de ABRI versterken.

In legerkringen klinken heel andere geluiden dan in het verslag van de commissie-Djaelani. In de kazernes overheerste na 12 november de mening dat het hoog tijd werd om de “onruststokers” in Oost-Timor een lesje te leren en worden degenen die het vuur hebben geopend eerder beschouwd als helden dan als het stelletje ongeregeld waarvoor Djaelani cum suis hen uitmaken. Dat het jongste rapport de schuld mede bij het leger legt, kan gevaarlijke frustraties oproepen onder de militairen. Indien Soeharto de loyaliteit van de ABRI tegenover zijn hoogste bevelhebber te hoog inschat, dan is een politieke aanvaring in de nabije toekomst niet uitgesloten.