Op een keer 7

Op een ochtend werd de leeuw zo bang voor zichzelf dat hij hard wegholde en zich verborg in het struikgewas onder de eik. Rillend zat hij daar in het donker en nam zich voor nooit meer te brullen of vervaarlijk te kijken.

Maar hij begreep dat hij wel een geluid moest maken. Iedereen maakte een geluid. Wat zal ik doen, dacht hij. Piepen. Of gonzen?

Hij kon niet zo vlug beslissen, hield zich heel klein, keek naar de grond en beefde telkens als hij zich herinnerde hoe hard hij had gebruld. Hu, dacht hij. Dat nooit meer.

Die middag kwam de eekhoorn langs de eik en zag de leeuw zitten.

“Dag leeuw,” zei hij.

“Dag eekhoorn,” zei de leeuw. Hij bloosde en trok zijn manen voor zijn wangen. Toen schraapte hij heel voorzichtig zijn keel en zei:

“Mag ik je iets vragen?”

“Ja,” zei de eekhoorn.

“Wat vind je beter bij mij passen? Piepen? Of gonzen. Of iets anders heel zachts?”

“Ga je niet meer brullen?” vroeg de eekhoorn verbaasd.

“Nee,” zei de leeuw verlegen.

“Tja,” zei de eekhoorn. “Gonzen, gonzen... misschien dat piepen nog het beste is.”

“Dank je wel,” zei de leeuw. “Dan ga ik piepen.”

Hij begon zachtjes te piepen en keek daarbij zo bedremmeld dat de eekhoorn het niet goed kon aanzien en doorliep.

Die avond verscheen de leeuw op de verjaardag van de tor. Hij bleef dicht bij de deur staan, in de schaduw, piepte zachtjes in zichzelf en wilde niet meer dan een kruimel taart. En toen de mier hem iets vroeg, sloeg hij zijn ogen neer en zei dat hij niets wist en nog nooit ergens van had gehoord. Met gebogen hoofd sloop hij weer naar huis.

Zo leefde de leeuw verder, onopvallend en schuchter. Alleen in zijn slaap brulde hij nog wel eens luid en vervaarlijk. Dan trilde het struikgewas en schudden de bomen en schrok de leeuw angstig wakker.

“Help,” zei hij dan tegen zichzelf en verborg zijn hoofd onder zijn klauwen.

Sommige dieren dachten met heimwee terug aan de angst die hij had ingeboezemd. “Ach, wat hebben wij gebeefd...!” zeiden zij en knikten en schudden hun hoofd.

De muis vond het niet prettig dat de leeuw ook piepte. Bovendien vond hij dat dat piepen nergens op leek. Maar toen hij dat op een keer tegen de leeuw zei begon de leeuw te snikken. De muis zei vlug dat het hem speet en dat de leeuw toch wel aardig piepte.

“O ja?” zei de leeuw. “Vind je dat echt?”

“Ja,” zei de muis.

“Dank je wel, muis,” zei de leeuw en het werd plotseling heel warm en de muis dacht dat hij smolt.