Onverzettelijk en onverstoorbaar; Derde deel van J. Huizinga's briefwisseling, 1934-1945

In het onlangs verschenen derde en laatste deel van de historicus J. Huizinga zijn de Franse, Duitse en Engelse brieven niet vertaald. Dit bevalt Karel van het Reve: “Je kunt in die dingen - en trouwens in nog veel meer dingen - niet elitair genoeg zijn.” Wat hem vooral treft in Huizinga's brieven is zijn onverzettelijkheid, bij voorbeeld als getuige bij het huwelijk van Prinses Juliana in 1937. “Op pagina 161 vindt de lezer een toen genomen foto: als een koppige Groningse hereboer staat Huizinga onverstoorbaar tussen het gedeeltelijk in potsierlijke uniformen getooide gezelschap.”

J. Huizinga. Briefwisseling III 1934-1945. Veen, Tjeenk Willink 1991. 512 blz. Prijs ƒ 65,-

Het derde deel van Huizinga's Briefwisseling beslaat de jaren 1934-1945, en is even voortreffelijk uitgegeven als de twee vorige delen. Ik vond maar een enkele fout: brief nummer 1567 is niet in Leiden geschreven, maar in De Steeg. Te betreuren is ook nu, dat de uitgave niet compleet is: een aantal brieven is niet opgenomen. Het is jammer dat het boek geen lijst van die wel bestaande, maar niet opgenomen brieven bevat met de plaats waar ze te vinden zijn. Eén deel meer, en we hadden alle nog bestaande brieven van en aan Huizinga gehad.

Ook in de wèl opgenomen brieven is hier en daar een stukje weggelaten, en je krijgt de indruk dat de tekstverzorgers bij dat weglaten vooral passages overgeslagen hebben die over de banale dingen des dagelijksen levens gaan. In september 1942 schrijft de in St. Michielsgestel gegijzelde Huizinga aan zijn vrouw over hun dochter Laura, van wie hij goede berichten gekregen heeft: “Loortje weer 230 gr. aangekomen. Zij moet langzamerhand een reuzenkind geworden zijn.” Na deze woorden stuit de lezer op twee vierkante haken en drie puntjes daartussen, ten teken dat er een stuk weggelaten is. Een noot vertelt ons dat het hier "huishoudelijke mededelingen' betreft. Maar naar die huishoudelijke mededelingen ben ik juist erg nieuwsgierig.

De annotatie is overigens voortreffelijk. Komt in een brief van Ter Braak een citaat van Pascal voor, dan geven de redacteuren niet alleen de plaats waar je dat citaat kunt vinden in de Pléiade-uitgave van 1954, maar ook de plaats waar Ter Braak het gevonden heeft in de editie van Brunschvicg. Van welhaast iedereen die in deze briefwisseling voorkomt worden de jaartallen gegeven, wat een heidens werk moet zijn geweest. Ook bevalt het mij heel goed, dat de redacteuren, net als in de twee voorgaande delen, ervan uitgaan dat de lezer een Franse, Duitse en Engelse brief zonder veel moeite lezen. Je kunt in die dingen - en trouwens in nog veel meer dingen - niet elitair genoeg zijn. Alleen Spaanse en Italiaanse brieven worden vertaald. De spelling van Huizinga en zijn correspondenten is onveranderd gelaten. Zo komen we erachter, dat "Rik' Roland Holst en "Han' Huizinga allebei geneigd waren om 'jou' te schrijven als ze 'jouw' bedoelden.

Huizinga schreef Franse, Duitse, Engelse, Spaanse en Italiaanse brieven. Af en toe gooit hij er een woordje sanskrit of Russisch tussendoor. Het wordt niet duidelijk hoeveel Russisch hij gekend heeft. Genoeg om een boek te lezen, lijkt het. “L'été passé,” schrijft hij in 1917 aan de door de Duitsers gevangen gehouden Pirenne, “j'ai lu l'Idiot de Dostojevski, et je l'ai trouvé moins difficile qu'on me l'avait dit.”

Waar de redacteuren nog wel eens wakker van zullen liggen is hun onmacht om het citaat “C'est trop, Rolin, c'est trop!” thuis te brengen. Huizinga schrijft op 29 januari 1918 aan de historicus en archivaris S. Muller Fzn: “Ik weet volstrekt niet, waar staat: C'est trop, Rolin, c'est trop! en herinner me niet, het ooit ergens gelezen te hebben.” Misschien is er een lezer, die het weet?

Onsteltenis

Wat mij in Huizinga's brieven vooral treft is zijn onverzettelijkheid, zijn onverstoorbaarheid. Dat begint al bij zijn benoeming in Groningen, tegen het advies van de faculteit in. Nergens blijkt dat hij zich daar iets van aangetrokken heeft, terwijl het toch vervelend moet zijn geweest opgenomen te worden in een faculteit die je eigenlijk niet heeft willen hebben.

Of neem het beruchte geval-Von Leers: in april 1933 vindt onder auspiciën van de Leidse universiteit een internationale conferentie plaats, die geopend wordt door Huizinga, want die was dat jaar rector magnificus. Een paar dagen later hoort Huizinga van een collega, dat de leider van de Duitse delegatie, Johann von Leers, in maart 1933 een brochure gepubliceerd heeft die Forderung der Stunde. Juden 'raus heet. In die brochure wordt gewag gemaakt van joodse rituele moorden op christenkinderen. “Mütter, sorgt dafür, dass die jüdische Gefahr für eure armen Kinder aus dem Lande kommt!”

Huizinga laat Von Leers bij zich komen, vraagt hem of hij inderdaad die brochure en die gewraakte zinsnede geschreven heeft, en als Von Leers dat bevestigt verklaart de rector, dat hij Von Leers verder geen universitaire gastvrijheid kan bieden en hem ook geen hand ten afscheid kan reiken. “Sie können gehn.” Von Leers verlaat daarop, met de hele Duitse delegatie, de conferentie.

Grote ontsteltenis bij de Nederlandse autoriteiten, die als de dood zijn iets te doen wat de nieuwe Duitse rijkskanselier, Adolf Hitler, onwelgevallig zou kunnen zijn. Curatoren der universiteit schrijven aan Huizinga dat diens optreden hen "bevreemd' heeft, want die conferentie werd met goedvinden van curatoren in het universiteitsgebouw gehouden en Huizinga heeft zonder de curatoren te raadplegen Von Leers de toegang tot de universiteit ontzegd. Huizinga antwoordt dat het beheer van de universitaire gebouwen natuurlijk bij curatoren ligt, maar dat het verdedigen van de eer der universiteit een zaak is die bij uitstek toekomt aan rector en senaat. Daar hadden de curatoren niet van terug.

Op 5 januari 1937 krijgt Huizinga het volgende telegram: “Ingevolge opdracht van de bruid prinses Juliana noodig ik U uit om in de plaats van den Vorst van Wied, die verhinderd is, getuige te willen zijn bij haar huwelijk; is dit U mogelijk dan verzoek ik U om half elf aan paleis Noordeinde alwaar verdere inlichting door hofmaarschalk. Grootmeester Dumonceau.” (Hier schieten de commentatoren tekort: zij vertellen ons niet wie die vorst en die grootmeester zijn.)

Huizinga aarzelt niet. Hij trekt zijn zondagse pak aan en treedt op als getuige. Op pagina 161 van deel III vindt de lezer een toen genomen foto: als een koppige Groningse hereboer staat Huizinga onverstoorbaar tussen het gedeeltelijk in potsierlijke uniformen getooide gezelschap.

In datzelfde jaar 1937 hertrouwt de 64-jarige Huizinga met de 28-jarige dame die zijn huishouden bestuurt. Ook hier vertoont hij een bewonderenswaardige kalmte en onverzettelijkheid. De bruid is katholiek, en kan alleen maar met hem trouwen als hij belooft dat de kinderen uit dit "gemengde' huwelijk katholiek zullen worden opgevoed. Huizinga stemt daar zonder aarzeling mee in. De ouders van de bruid vinden dat hun dochter zolang ze niet met Huizinga getrouwd is niet met hem onder een dak kan wonen. Huizinga is het daar niet mee eens: dat hij haar ten huwelijk heeft gevraagd, gaat niemand iets aan. Pas als de trouwplannen officieel bekendgemaakt zijn zou zij bij haar ouders kunnen intrekken als die daar op aandringen, vindt hij.

Die deftige onverstoorbaarheid handhaaft hij heel fraai tijdens de bezetting. Zijn collega, de beroemde jurist Meijers, wordt als jood op 23 november 1940 van zijn functie ontheven. Diezelfde dag nog schrijft Huizinga hem een keurig briefje: “Amice, Deze dag blijft een schande voor Nederland, ook wanneer (moge het spoedig zijn) het recht wordt hersteld. Uw J. H.”

Kras

Interessant is de manier waarop hij zijn leerling Jan Romein behandelt. Hij "houdt hem af', zou je kunnen zeggen, maar hij doet dat op een keurige manier. Romein wil bij hem promoveren, maar dat gaat niet door. Romein stuurt zijn leermeester zijn publikaties toe. Huizinga bedankt beleefd. Huizinga wordt om advies gevraagd voor de bezetting van een vacature aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam. Hij noemt negen kandidaten, onder wie Romein: “Dr. J. Romein. Toonde zich in zijn Lage Landen tot een merkwaardige prestatie in staat. Zijn begaafdheid neigt misschien voor een historicus iets te veel naar het litteraire. Iets grilligs in zijn geest is niet te miskennen.” (Huizinga gebruikte het woord merkwaardig in de betekenis "opmerkelijk', niet in de betekenis van "vreemd'.)

Toch staan ook in Huizinga's brieven aan Romein soms aardige dingen, zoals deze: “Onder een reeks academische zaligsprekingen zou kunnen staan: Zalig die laat beginnen te denken, want zij zullen examen gedaan hebben, eer hun hersens gaan werken.”

De gemeenteraad van Amsterdam benoemt Romein tot hoogleraar. Huizinga stuurt hem een heel korte, maar vriendelijke en correcte gelukwens. Die benoeming moet door de Kroon bekrachtigd worden, en een aantal tegenstanders van Romein probeert de bekrachtiging tegen te houden, want die Romein is een vaderlandsloze gezel, een communist, of althans een marxist. Huizinga weigert daar aan mee te doen. Hij had liever een ander benoemd gezien, maar nu die benoeming eenmaal heeft plaatsgehad lijkt een bekrachtiging door de Kroon hem het beste. “Tot verontwaardigde protesten vóór bekrachtiging zie ik evenmin reden als voor soortgelijke tegen. Ik verwacht van Romein geen politieke propaganda, en in de graad van zijn vaderlandsliefde verdiep ik mij niet. Wel gaf mij indertijd de beoordeling van ons verleden in zijn Lage Landen niet het gevoel, dat ik hem gaarne op een leerstoel voor vaderlandse geschiedenis zou zien. De stukken voor en tegen formuleren alle de argumenten zoo kras, terwijl het in werkelijkheid kwesties van nuances zijn. Alles samen genomen vind ik tot een stap bij den Minister geen aanleiding.”

Veel hartelijker en opener is Huizinga tegen zijn neef Menno ter Braak. Hier is Huizinga geneigd meningsverschillen uit te vechten. Hij reageert uitvoerig op Politicus zonder partij, en neef Menno schrijft hem een lange brief terug. Menno had in zijn boek geschreven: “De Waarheid kan mij niet meer schelen.” Dat vindt Huizinga verkeerd. “Uw heele theorie leidt U midden in het kamp van de existentiefilosofen en de aanbidding van het "bestaan' met verheerlijking van het geweld en van Blut & Boden.”

Ter Braak reageert daar heel snedig op. “Het nationaal-socialisme is volgens mij volstrekt niet een "Umwertung aller Werte'; het werkt met "volksgemeenschap', ras en bloed, d.w.z. met een zwaar-Geestelijke romantiek, die alleen een corruptie der oude waarden betekent.”

Als Huizinga begin 1939 Menno's In gesprek met de vorigen leest, is hij zeer geestdriftig, vooral over de "voortreffelijke, bondige, gesloten vorm. Zijn het eigenlijk om- of uitgewerkte Vaderland-artikelen?'

Dat waren het inderdaad. Je zou de stelling kunnen verdedigen, dat Ter Braak op de krant Nederlands heeft geleerd. Afscheid van domineesland is nog geschreven in een jargon dat voor mij tot op deze dag ontoegankelijk is. Ik sta daarin niet alleen: ook Henriëtte Roland Holst kon er niet doorkomen. “Somtijds”, schrijft ze aan Huizinga, “deed het mij denken aan Multatuli's Ideeën, die ik ook nooit heb kunnen lezen, hoezeer ik in mijn jeugd dweepte met Max Havelaar.”

Freud

Sommige stukken in Ter Braaks Vorigen gaan over schrijvers die Huizinga niet kent. Hij vermeldt dat trouwhartig: “Van Kafka had ik nooit gehoord” - een zinsnede die doet denken aan Elsschots vraag aan Greshoff, wie toch die Freud is, over wie zoveel te doen is in Forum.

Huizinga had overigens wel van Freud gehoord. Hij ziet niet veel in de Weense psychiater. Hij wil desnoods toegeven dat Freud terecht gewezen heeft op de grote rol van de seksualiteit in 's mensen cultuur en natuur. “But what a nonsense he has heaped up around this important truth!”, schrijft hij aan de antropoloog Bronislaw Malinowski.

In 1914 ontstaat de warme vriendschap met het echtpaar Roland Holst, de glazenier en schilder Richard (Rik) en de dichteres Henriëtte (Jet). Helaas zijn de brieven van Huizinga aan Rik en Jet bijna allemaal verloren gegaan. Ook na Riks dood in december 1938 bleven "Han' en "Jet' elkaar schrijven. Over Jets communistische sympathieën schijnt Huizinga jaren lang een beleefd stilzwijgen te hebben in acht genomen, dat hij in november 1920 verbreekt als hij schrijft over het communisme als "de laatste uitgroei van een tweeduizend jaar oude waan, die bestemd is de westelijke samenleving te vernietigen'. Misschien dat "heelende krachten der maatschappij' dat communisme zullen kunnen bedwingen. Jet begrijpt niet wat hij daarmee bedoelt en schrijft: “Ik zie geen enkele "heelende' kracht buiten het communisme zelf, dat als een toverzwaard de wonden, die het slaat, ook kan heelen.”

Aan het eind van de brief waarin ze haar communisme verdedigt schrijft Jet: “Wat ik over het Communisme schreef, is uitsluitend voor mij zelf en niet voor Rik hoor. Hij is helemaal geen communist, maar een lieve oude Chinees.”

De oude Chinees gaat niet opzij voor een flauwe grap. “Weet jij waarom de Negus Negus heet? Omdat hij maar tot 9 kan tellen. Kon hij tot 10 tellen dan heette hij Tinus.” Dat brengt mij een andere flauwe grap uit de jaren dertig in herinnering: weet je hoe de Abessijnse minister van financiën heet? Ras Kassa.

In de hele correspondentie komt als ik goed heb opgelet maar één film voor. Dat is Chaplins Modern Times. Rik vindt daar niets aan. “Wanneer je bedenkt dat dit door de heele wereld als een meesterwerk wordt beschouwd, dan moet je erin berusten dat je noch van de wereld noch van meesterwerken iets weet of iets begrijpt. Maar wat doe je dan hier eigenlijk nog. Waarvoor werk je dan?”

Huizinga en de Holsten leefden in het tijdperk waarin men elkaar nog voorlas. Zo schrijft Rik in 1937: “Ik las (Jet) vanavond voor uit la Guerre et la Paix. Wat is dat toch onvergetelijke prachtig.” In de zomer van 1944, als Huizinga met vrouw en kind in De Steeg woont, verbannen door de bezetter, vraagt hij om lectuur. “Bijzonder welkom zou ook zijn een geschikt voorleesboek, bij voorkeur Engelsch, in onze taal is er helaas zoo weinig aan te bevelen; wij lazen juist van a - z Eline Vere door, tot voorlezen geschikt vanwege den vlotten dialoog, maar verder toch eigenlijk een vrij mislukt boek. Nu zou of een aardige biografie of een niet al te moderne en niet al te moeilijke roman het meest in aanmerking komen.”

Hij had een hekel aan vervelende boeken. Hij citeert met welgevallen Voltaire, die een keer iemand rondleidde door zijn bibliotheek en, wijzende op de vele "gros volumes' van de kerkvaders, gezegd moet hebben: “Ik heb ze gelezen, maar dat zal ik ze betaald zetten!” (Je les ai lus, mais ils me le paieront.)

Ook aan rapporten en notulen had hij een hekel. Aan iemand die hem voorzitter van iets wil maken schrijft hij: “U moet toch nog eens ter dege overwegen, of ik als voorzitter bruikbaar ben. Want ik zeg U vooruit: ik lees geen rapporten die langer zijn dan één bladzijde. Ik zal ook de notulen niet lezen; ik heb er de tijd niet toe, en zulke lectuur maakt mij wanhopig.”

Dat was in 1922. In 1937 zit hij drie weken in Parijs op een bijeenkomst van iets dat "Commission Internationale de Coopération Intellectuelle' heet. “Gisteren viel het geredekavel mij nogal mee, maar vanmorgen was het ijselijk, ik kan er niet naar luisteren, en als ik luister, dan interesseert het me niet.” “En onderwijl regent het al maar door gestencilde papieren, die door de dames van het bureau worden rondgedeeld; niemand heeft tijd, om ze te lezen, en als men het probeert, zijn ze onleesbaar dor en taai, en het doet er ook niet toe, of ze gelezen worden.” “Zoo meteen begint de groote bazelarij weer.”

Tot de dingen die hij niet of met tegenzin leest behoren ook teksten waarvan hij zelf het onderwerp is: “es fällt mir immer schwer, über mich selbst zu lesen, sei es Lob, Tadel oder objektive Kritik.”

Hij blijft tot het eind toe onverstoorbaar. Er vallen bommen op De Steeg. Het huis van Couperus wordt getroffen. Vijf doden. (De Steeg is beroemd door vier beroemde Nederlanders: Cleveringa, Huizinga, Couperus en Carmiggelt). Huizinga doet verslag van die bom en die doden in een brief van 5 november 1944. Die brief eindigt als volgt: “Van werken komt niet veel meer. Was ons land maar eerst geheel bevrijd, wat zou het een enorme verandering zijn! Onder voortdurend kanongebulder, met veel hartelijke groeten van ons drie aan je allen, H. Laat eens iets horen als je kunt.”